Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

OVER0945

Een mop (boek), derde kwart 17e eeuw

Hoofdtekst

Een vent met sijn bruydt de gang uytgaende, soo viel de kaers uyt de blaecker. Sij wroeten allebeyde daernae. Hij sich houdende of hij se gevonden hadt, gaf haer in plaets van de kaers wat anders in de hant, 'twelck sij soo quaelijck nam, dat niet alleen het huywelijck afraeckte, maer oock dat sij hem daerboven aan de heeren beklaegde, aen welcke sij iterativelijck seyde dat hij haer wat hadde in de handt gegeven. R. 'Dat hebben wij soo dickwels gehoort, wat was het dan'?' R. 'Ick derf het niet noemen.' R. 'Verbloemt het dan wat.' R. 'Het was, mijn heeren, dat ding dat men in de k.. steeckt.'

Beschrijving

Een man loopt met zijn aanstaande vrouw de gang uit, als plots de kaars uit de houder valt. Beiden gaan zij op zoek naar de kaars. De man doet alsof hij hem gevonden heeft, maar hij geeft haar iets anders in de hand: zijn penis. Dit neemt de vrouw hem zo kwalijk, dat ze niet alleen het huwelijk afblaast, maar de man bovendien aanklaagt. Als ze voor de rechters staat, verklaart ze herhaaldelijk dat de man haar wat in de hand heeft gegeven. Dat weten de rechters onderhand wel, maar zij willen graag weten wat dat dan wel is geweest. De vrouw krijgt het niet over haar lippen. Als de rechters haar dan adviseren het dan te omschrijven, krijgt ze inspiratie: 'Het was, mijne heren, het ding dat men in de kut steekt.'

Bron

Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.

Commentaar

Derde kwart zeventiende eeuw

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20