Hoofdtekst
De ridder Jarrich sijn soon, door de wandeling genaemt capiteyn Podding, bij Reijnst tot Venetiën te gast sijnde, gevraegt sijnde of hij wel oyt hadde gedachten gehadt dat sijn vader dat goudt soude vinden dat hij aen sijn participanten belooft hadt. R. 'In 't eerst jae, maer bij de kust komende vraegde capiteyn Keij ende andere: "Mijnheer, waer is nu het goudt?" R. "Dat weten de engelen." Doe sach ick wel dat de hontsvot ons bedroogen hadde.' R. 'Wel, waer bleeft gij daerna?' R. 'Ick ging na Spangiën en presenteerde mij aen den kooning, die mij vraegde of ick oock courage hadde? "Jou, sackermentschen swarten bock", seyde ick, "soude ick geen courage hebben, wat soude ick dan hier komen doen?" R. 'Wel capiteyn Podding, dorst je dat aen een kooning van Spangiën seggen?' R. 'Jae, bij mijn ziel, want wij waeren soo familiaer, wij gingen noch dienselven avont t'samen in't hoerhuys.'
Beschrijving
De zoon van ridder Jarrich, die in de wandeling kapitein Pudding genoemd wordt, is bij Reijnst in Venetië op bezoek. Hij krijgt de vraag of hij ooit gedacht heeft dat zijn vader het goud dat hij zijn compagnons beloofd had, wel echt zou vinden. De zoon heeft het eerst wel voor waar aangenomen. Toen men echter eenmaal bij de kust aankwam, vroeg onder andere kapitein Keij waar dan nu dat goud was. Daarop was het antwoord van zijn vader: 'Dat weten de engelen.' Hij wist het dus helemaal niet waar het goud verborgen lag. Op dat moment zag de zoon wel in dat zijn vader iedereen bedrogen had. Reijnst vraagt daarna wat kapitein Pudding na die expeditie heeft gedaan. Hij meldt dat hij naar Spanje is gegaan en dat hij zich daar gepresenteerd heeft aan de koning. Die vroeg hem of hij ook moed had. Daar antwoordde hij vrij op: 'Jij verrekte zwarte bok (geile vent), als ik geen moed had, wat zou ik hier dan komen doen?' Verbaasd vraagt men of hij wel zo vrij durfde te spreken tegen een koning van Spanje. Daar had kapitein Pudding geen enkele moeite mee. Zij waren al direct zulke goede vrienden, dat ze nog dezelfde avond samen naar het bordeel zijn gegaan.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
In dit verhaal refereert Van Overbeke klaarblijkelijk aan een waargebeurde kwestie over goudzoekerij die nogal wat stof heeft doen opwaaien. Welke zaak dat is, is vooralsnog onduidelijk.
Naam Overig in Tekst
Ridder Jarrich   
kapitein Podding (Pudding)   
Reijnst   
kapitein Keij   
(koning van) Spanje   
Naam Locatie in Tekst
Venetië   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
