Hoofdtekst
Daar kon Loere Janus ook niets aan doen dat hij op zijn zestigsten Pinksteren niet wijder kon tellen dan twaalf. Hij was van kleins af scheeper geweest en had zijnen Zondagschen uitgang verdiend mee het breien van wollen hozen voor de boerin van 't schaapskot. Maar bij Ons Heer stond hij in hoogen tel. Want als Janus mee zijn schapen de groote hei op ging, waar ge toen 'nen dag kont loopen zonder eenen toren te zien hing hij eerst zijnen jas binneste buiten aan eenen nagel en bad twaalf weesgegroeten voor de twaalf prentjes, welke hij aan de voering had genaaid. En onderwege deed hij hetzelfde in de noen en tegen den avond. Zoodat nog lang na zijnen dood het vertelsel ging, dat ge aan de schaarsche masteboomen van de Oirschotsche hei kont zien, waar Loere Janus zijnen jas had gehangen..... die zwart waren en vermolmd was hij voorbijgegaan. In 't octaaf van zijn zestigsten Pinksteren, toen de brem geel stond en de hei begon te doppen trok Loere Janus mee zijn schapen, zoo tusschen gaan en staan, het zonneveld in. Af en toe bleef hij tegen zijn eigen staan praten over wind en droogte. Dat deez' onbegrensde hei lijk eenen purperenkoningsmantel het nobele Brabant siert, was voor hem zóó vanzelfsprekend, dat hij er nooit aan gedacht had tegen iemand te zeggen hoe schoon zijn tochten waren. Hij kende de hei haar heele gedraging, in alle gestemper van wolken en schemer, onder zengende zon en mildere maan, aan haar lucht kon hij zien wat jaargetij het was en de sneeuw van die vlakte bracht haas en belevenis. Daarom trok Loere Janus mee zijn gezicht naar de bussels het zonneveld in en dreef zijn vee in 'nen bocht naar de Aa. Daar loopt het water maar 'nen enkel diep en drenkt hazelaars en eikenboomen. Regelmatig kwamen de scheepers van de contrij daar 's zomers in den middag tegader om 'nen slaap te doen in 't gras. Zoo waren ze gedrieën dien dag van 't Pinksteroctaaf en baden mee toen Loere Janus zijnen jas binneste buiten hing. Doch toen hij was opgestaan en zijn hozen uit had om zijn voeten te verschen, trad hij mee zijnen wreef op een kantigen blok onder het zand. Hij schaarde hem mee zijn teenen los en greep ernaar om 'm weg te gooien. Maar bukkende zag hij dat het een beeldje was, een beeldsel van Maria met het Jezuskind. En gedrieën, simpele scheepers, vergaten zij hunnen slaap en gisten tegen mekaar waar het vandaan zou komen. Tot Loere Janus een schoonen eik uitzocht, waarin hij het nederzette, als tusschen eenen sierbos van malsche blaren.... Sedert dien dag gebeurden daar wondere dingen. Devote lieden bouwden rontelom den eik een steenen kapel, die in 1649 wierd afgebroken. Andermaal kwamen de herders der omgeving en mieken van zoden en plaggen een schamel dak, Maria ter eer. Van den eik sneden zij Madonnabeeldekens en iemand anders maakte 'n schoon tableau van Loere Janus, die het beeldje vond. Dat tableau kunt ge op vandaag nog zien in het kerkske dat er opnieuw wierd gebouwd, en waar Maria van den heiligen eik, mee heuren schoot vol zegen zit te wachten op het volk van Brabant.