Hoofdtekst
Van ouds af aan ligt Oisterwijk als eenen weligen hof mee schoon geboomte en blinkende waters tusschen den bremrand van de breed omringende hei, die 's zomers als een gouden lijst het levend tableau van Brabant's sierlijkste dorp houdt afgesloten. En was Onze Lieve Vrouw niet zelf in den fluweel beblaarden linde gekomen dan had het volk Haar wel in Oisterwijk gebracht, want de menschen van Brabant hebben bij de klaarste bronnen en de breedste boomen overal Gods lof gezongen, en liever nog dan eenen Kruis Lieven Heer, 't allentwege de moederlijke schutse van Maria's beeltenis geplant. En in Oisterwijk woont Onze Lieve Vrouw zoo gaarne, dat Zij om Haar weldaden er den lofnaam kreeg: "Maria van Mirakelen." Zoo is 't gebeurd mee de tweede vrouw van Leonardus Laurensz, en mee vele andere, maar 't mirakel rond de zilveren bruiloft van Annemieke, die tweede vrouw, werd eeuwenlang door grootmoeders oververteld. Toen Leonardus, zoon van Laurens, die getrouwd was mee 'n dochter van den Langen Loer, zooals gezegd wierd, na zijn vijfde kind zijn eerste vrouw verloor, bleef hij twee jaar in den rouw en huwde toen mee Annemieke van den bakker. Acht jaar achtereen maakte Ons Heer onder de zorgen van Laurensz 'n kraakhel kinderzielke bij, zoodat ze ten leste mee vijftiene rond de aangestukte tafel zaten. "Krek 'nen heele rozenkrans of drie rozenhoedjes!" zei Annemieke, en 's avonds baden zij tegader ieder 'n tientje voor, tot den kleinste toe, die nauwelijks praten kon. Jaren achtereen ging het goed achter de deur van Laurens, alleen de oudste zoon bleef 's Zondagsavonds geregeld te land in Tilburg, zoodat hij den rozenkrans niet mee kon bidden, ja voor 't volk van het dorp 'ne vreemde werd. "'t Is mijn oudste, dacht Laurens, en daarbij iedere scheeper krijgt bijtijden 'n donker schaap!" Ze waren content gezond te kunnen tobben voor al deez' kinderen, die groot geworden, wijd buiten Oisterwijk de naam van Laurens en Annemieke zouden uitdragen als van twee menschen, die den korten dag van hun leven mee den schoonsten plicht hadden gevuld. Doch in het twintigste jaar van haren trouw, toen eenige kinderen getrouwd en de andere aan 't vrijen waren, kreeg Annemieke een gezwel rond haar oogen, Dat mee de week donkerder wierd en ten slote zwart openging. Geen dokter uit heel Brabant kon Annemieke helpen, want iedereen zei: "'t Is de kanker, en daarvan geneest ge niet!" Toen zij allerhande geprobeerd had, en te voet naar de Achelsche Kluis was gaan loopen om zalf van broeder Crispinus, toen zij na vier jaren heel en gansch blind wierd, wat wel erg zwaar viel voor Annemieke die veel kinderen te zien had, zei haar jongste dochter, die voor haar moeder een groote bewondering had: "Zouden w'eens niet probeeren bij Onze Lieve Vrouw van Mirakelen?" En aan den arm van haar dochter ging zij negen eerste Zaterdagen van de negen opeenvolgende maanden naar het beeld uit den lindeboom. En iederen keer bad zij: "Als 't me zalig is Maria, maar ik heb vijftien kinderen zolang ze thuis waren, iederen avond op U hun oogen doen richten. Is 't teveel dat ik ze nog 'nen korten tijd kan zien, voordat ik sterven zal?" Den negenden Zaterdag viel precies op den vijf en twintigsten trouwdag van Laurensz mee Annemieke 't Was kwaad doen een blijdschap te vieren gelijk er gehoopt werd tegen alle hoop in. Maar alle vijftien de kinderen, gingen dien negenden keer mee Annemieke en Laurensz naar Onze Lieve Vrouw. En toen ze zoo tegader, ouder gewoonte weer ieder een tientje voorbaden van de rozenkrans, en Annemieke haar tranen zeer deden in haar zeere oogen, slikte ze ineens haar keel toe en riep: "Maar keinder! ik zie... ik zie!"....
Ja, zeggen de menschen van de streek, Annemieke was toch maar een doodgewoon mensch. Maar Onze Lieve Vrouw deed voor haar een mirakel. En dit is voor Maria lang niet zoo'n zwaar werk dan vijftien kinderen groot te brengen in de vreeze Gods.