Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

KUYP009 - De nieuwsgierige pastoor

Een legende (boek), april 1938

KUYP009.jpg

Hoofdtekst

Tegen de Vespertijd van eenen Goeden Vrijdag, den hoeveelsten sinds Ons Heeren dood staat niet beschreven, grendelde de pastoor van Ommel een oud tabernakel dicht, waarbinnen hij 'n beeltenis had geborgen van de Moeder Gods. Hij stopte den sleutel in zijnen beddebak, doch kroop zelf in eenen biechtstoel, nieuwsgierig of er iets gebeuren zoude. Want er wierd verteld, dat 'ne boer dit beeld aan het hek van zijn wei had gevonden, en hoe het, door den koster in de kerk geplaatst, weer zelf was terug gewandeld. Maar de pastoor van Ommel, die zijnen dag beleefde volgens de heilige evangeliën en zijnen nacht passeerde mee droomen over den zielenakker zijner menschen, die den aanvang van de jaargetijden zegende mee wijwater en op den preekstoel vertelde over de wijsche museumhal van 't geluchte, waaronder het menschdom wordt ingelijst in waarheid of leugen. De pastoor van Ommel, die kunstenaar was in het geestelijke, wilde niet geloven dat hetgeen verteld wierd, waar was, vóór hij 't had gezien mee eigen oogen. Hij wachtte van den schemer naar den donkere. Toen hij uren had gezeten zonder iets te speuren - vóór het oud tabernakel flakkerde een tientje van kaarsen dacht hij bij zich zelve: "hoe kan ik zoo wreed zijn en de Moeder Gods weerstreven als Zij buiten wil?!" En zuchtende trok hij de zware deuren vaneen onder den toren. Een lekkere lucht woei van buiten aan. "Waarom houd ik ook dat tabernakel gesloten?" sprak hij rond den twaalve en haalde uit zijnen beddebak den sleutel. Maar zoodra hij het deurke opendeed en zag hoe het mee fluweel bewande kamerke leeg was, toen hij mee bei zijn handen tastte, heel diep, en niets voelde dan bodem en hoeken, liet hij zijn kerk in den steek en liep wijdbeens de donkerte in, naar de wei waarvan de menschen vertelden. Halverwege zag hij eenen boom staan als in den zomerdag, mee blâren en fluitende vogels. En onder tusschen boterbloemen en gras zat het klein Lieve Vrouwke uit te rusten van den hobbeligen weg. Mee haren vinger deed zij teeken haar te volgen, en op zijn knieën kroop de pastoor achter Maria aan tot het hek van de wei.

Jan van der Haven, de koopvaardijer, die mee ijzer voer naar de Leverzee, heeft omtrent 1400 dit gebeuren geaffimeerd. Want toen hij eens te water was en dagen dobberde zonder wind, zoodat hij den hongerdood zou sterven, droomde hij van de Madonna van Ommel, waarvan hij nog nooit had gehoord. En iemand zei: "De wind zal waaien, wanneer ge mij vereeren gaat!" Jan van der Haven had niet beter kunnen droomen. Want zijn schip ging mee met den Zuiderwind. En toen hij Ommel had gevonden, had hij goud medegebracht om de beeltenis kostbaar te vergulden. Maar Ons Lieve Vrouwke wilde daarvan niet weten, en van geenen verf en niets.... Haar gezicht is veel schooner dan goud en zachter dan kleursel. Daarom was het goud en de verf iederen morgen verdwenen en besloot de koopvaardijer zijnen dank te bewijzen in den bouw van een heiligdom. Want het arme volk had niets kunnen bekostigen dan het onderhoud van 't houten kastje tegen 't hek van de wei, door den pastoor daar gehangen sedert den nacht dat hij de eerste beevaart deed op kruipenden knie. Jan ven der Haven heeft een voortreffelijken stoet geopend. Want op het zand van Brabant leven de luiden op schaarschen zegen. Maar ook op het zand van Brabant is de droom gekomen, de wensch van Ons Heer: "De wind - haar zegen - zal waaien, wanneer hij Haar vereeren gaat!"

Onderwerp

SINLEG 0131 - Das Bild kehrt (dreimal) nach dem Fundort (Standort) zurück.    SINLEG 0131 - Das Bild kehrt (dreimal) nach dem Fundort (Standort) zurück.   

Beschrijving

Een boer heeft een Mariabeeld gevonden en dat gegeven aan de koster die het in de kerk neerzet. De dag erna is het beeld terug op zijn vindplaats, daarom heeft de pastoor van Ommel het beeld in een tabernakel opgesloten. Later gaat de pastoor kijken in het tabernakel en is het beeld verdwenen. Het beeld is teruggekeerd naar haar plek in de wei.
Vervolgens gaat het verhaal over in ander verhaal dat met hetzelfde beeld te maken heeft.
Jan van der Haven is met zijn schip op zee en dreigt te sterven, omdat hij al dagen op dezelfde plaats dobbert en geen eten heeft. Op een nacht droomt hij over het beeld en de volgende dag vaart zijn schip, door de wind, naar Ommel. Hij wil Maria daarom laten vergulden of verven, maar het beeld wil daar niets van weten, daarom is het goud en de verf iedere morgen verdwenen. De koopvaardijer bouwt daarom een heiligdom voor haar, want ze staat sinds de gebeurtenis van de pastoor slecht in een houten kastje tegen het hek in de wei.

Bron

Jehan Kuypers, Lieve Vrouwkes van Brabant of Eenen krans van Maria-legenden. Maastricht [etc.], 1938. p. 69-75

Commentaar

April 1938
Onder beeld staat een beeltenis van het Mariabeeld in het houten kastje op het hek in de wei.
Das Bild kehrt (dreimal) nach dem Fundort (Standort) zurück.

Naam Overig in Tekst

Vespertijd    Vespertijd   

Goede Vrijdag    Goede Vrijdag   

Ons Heer    Ons Heer   

Ommel    Ommel   

Moeder Gods    Moeder Gods   

Lieve Vrouwke    Lieve Vrouwke   

Maria    Maria   

Jan van der Haven    Jan van der Haven   

Leverzee    Leverzee   

Madonna van Ommel    Madonna van Ommel   

Ons Lieve Vrouwke    Ons Lieve Vrouwke   

Naam Locatie in Tekst

Brabant    Brabant   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20