Hoofdtekst
Eenigen tijd voordat de Geuzen den beeldenstorm bedreven, toen Hadrianus van Hilvarenbeek, die later in den Briel wierd opgehangen vanwege zijn standvastigheid in 't heilig geloof, in de Mariakapel te Zegge, te preken stond over de hemelsche geneesmiddelen, en de uitdeelster van dezelven, de Moeder Gods Maria, zat temidden der toehoorders een zieke Kalvinist. Hij was daar gekomen om volgens zijn zeggen "naar het bijgeloof te luisteren van de Papen", en om 't beeldeke der Roomsche Maria, na den dienst heimelijk weg te stelen en op eenen kruisbalk te onthoofden. Hadrianus vertelde aan 't volk een zelf gemaakte parabel over de Oirschotsche hei. "Gelijk gij in den heeten zomer de zon ziet blaken tusschen de heibussels", zoo sprak hij, "en er op heel de vlakte geen spierke te vinden is, dat niet - zelfs tegen wil en dank - aan 't doppen gaat, schoon purper mee klokskes, zoolang 't staan blijft onder de keerende zon, zoo is er nievers ter wereld een mensch, hij zij goed of slecht, die van binnen uit niet beter wordt, wanneer hij blijft blootgesteld aan de mildheid van Maria". "Gelijk de ezels eender balken, zeeveren de Papen eeuwig 't zelfde!" gromde de Kalvinist, en spuugde in 't paternosterzakske van zijnen ingeslapen gebuur. Doch zoodra de predikant zijn woorden mee exempelen uit de historie ging staven, wierd de Kalvinist zoodanig vertoornd, dat hij schreeuwkeels mee scheldwoorden begon te razen en haastig herhaalde: "'t Zijn verzinsel!" En ware het niet dat struische boeren hem de armen hielden, hij zoude opgevlogen zijn tegen het preekgestoelte, om Hadrianus, uit wiens keel de gezalfde klanken kwamen, openlijk te wurgen. Maar de Priester Gods, die zeker was van Maria's gedurigen Bijstand, bleef onbewogen, en de geloovigen manend tot kalmte, zei hij mee zekere stem: "Vriend, zoo gij ons niet geloven wilt, verandert dat in geenen deele de waarheid. Hetgeen wij bewijzen, kunt gij echter niet weerleggen." "Gij bewijst mee verzinzels!" schreeuwde de Kalvinist. "Ik zal het U toonen mee feiten, hetgeen uw Roomsche Maria vermag. Zie....!" En bij die woorden rukte hij zijnen stadschen boezeroen van zijn bovenborst, zoodat alle menschen zagen dat zij aan den linkerkant boven het hart zwart was en bloedend van een groote kankerplek. Ieder deed den mond open van verbazing en rekte zijnen hals. "Zie.... ik daag uw Maria uit", riep de Kalvinist wijder, "en als het waar is wat gij zegt, dat zij kreupelen heeft genezen, en blinden heeft doen zien en stommen doen speken, dan zal zij mij" - en hij begon spottend te lachten - "versche ribben geven!" Maar hij had nog niet den tijd om zijn hoofd van de menigte naar zijn borst te richten, of hij voelde de pijn uit zijn zij wegvliegen als iets dat vleugels had, en alle luiden in de kapel zagen zijn linkerzij overtrokken mee nieuw vleesch, en rose als van een pasgeboren kind. Als maar tastend over de gaaf geworden plek bleef de Kalvinist mee staroogen naar het beeld van Maria staren, terwijl het volk processiegewijs mee Hadrianus aan 't hoofd, het dorp in trok onder 't zingen van den Litanie en het verkondigen van het groot mirakel. Doch er zijn menschen, die niet geloven willen. Toen de Kalvinist was weggevlucht uit Zegge liep hij benoorden den Moerdijk weer mee anderen de kerken in om beelden kapot te slaan. Den dag dat hij voor het eerst weer een Moeder Gods beeld vond en het mee een knots onthoofde, kreeg hij in erger mate nog de kanker weer. En, wonderbare loop der dingen, toen Hadrianus in den Briel moest worden gehangen, was de kranke Kalvinist de aangestelde beul. Voor Hadrianus was dat een genade ter aanmoediging en voor den beul een gratie, een allerlaatste, en een herdenkenis aan Maria's macht. Maar de beul heeft niet gebogen. Ook in zijn ziel was de kanker te ver.