Hoofdtekst
Willem
In den tijd, dat Filips de Goede, hertog van Bourgondië, graaf van
Vlaanderen, van Holland, Zeeland en Friesland, Den Haag bezocht,
om er met zijn gemalin, de vrome Isabella van Portugal den eed van
getrouwheid te ontvangen, woonde er in de Korte Poten een vroolijke
schoenlapper, genaamd Willem van Nieuwen, die meende zich ter eere van zijn soeverein te moeten bedrinken. Hij had een paar guldens bespaard,en binnen korten tijd had hij de gezondheid van den goeden Filips zoo dikwijls aangeroepen, dat hij er zelf zijn gezonde gedachten mede verloor. Hij wilde naar zijn woning, doch in het Voorhout weigerden
zijn beenen hun plicht--en hij viel neer als een blok. Nog luider
snurkte hij dan zijn gewoonte was.
In dienzelfden nacht verliet--nadat de klapwaker middernacht had
geroepen--Filips de Goede het Binnenhof en, den moestuin van het
paleis doorgaande, ging hij linksaf het Tournooiveld op en kwam
in het Voorhout. Hij had drie edellieden bij zich, die met name
worden genoemd: Jacob de Roussay, Hue de Lannoy en Jan de Berghes,
grappenmakers, zooals Den Haag ze sinds dien nooit meer heeft gekend,
waardige kornuiten van den goeden Filips. Ze trokken Willem aan zijn
been, en Jacob de Roussay zeide met een kennersblik:
"Hij heeft te veel bier en brandewijn."
Jan de Berghes riep uit:
"Bij den Hollandschen leeuw! die slapende man is de vroolijke Willem,
die voorzeker de gezondheid Uwer Hoogheid vandaag gedronken heeft."
"Wij hebben deernis met het ontwaken van dezen man," aldus peinsde
Filips, "en wijl hij de vroolijkheid mint, zullen wij hem morgen met
een onverwachtsch feest verrassen. Daardoor zal hij tegelijk ook ons
vroolijk stemmen. Neemt den man op uwen rug, heer de Berghes, heer
de Lannoy, en draagt hem naar ons paleis. Het wordt morgen een dag,
die ons zal heugen."
Op zijn bevel trok men Willem de kleeren uit, men waschte hem met
reukwater, en trok hem een fijn Haarlemsch-linnen hemd aan. Een zijden
muts zette men hem los op zijn verwilderd haar, en daarna legde men
hem in het eigen bed van den hertog.
De schoenlapper snurkte.
En terwijl hij sliep, fluisterden de hovelingen het elkander toe:
"Filips wil, dat de vroolijke Willem zich voor den graaf van Holland
zal houden."
Met ongeduld wachtte men den morgen.
Terwijl lach en gefluister in den nacht niet ophielden, sliep de
schoenlapper den slaap der rechtvaardigen en der dronkaards, in het
bed van den hertog, gelijk hij had geslapen in de koele nachtlucht,
gelijk hij zou hebben geslapen in een varkenskot. Hij sliep, als had
hij dagen lang gewaakt, en onafgebroken trompette zijn snurken in
het hertogelijk vertrek, zoodat 't door 't gansche paleis te hooren
was. 't Geheele hof verzamelde zich in den morgen om zijn legerstede
... een heir met kletterende wapens had hem niet kunnen wekken,
laat staan wat jonge edellieden, hofdames, kameniers, pages .... 't
Zonlicht streelde hem over 't gelaat, de geluiden van den dag drongen
naar binnen--hij snurkte slechts.
Eindelijk naderde de maarschalk van Bourgondië in groot kostuum hem,
en raakte hem even den schouder aan.
"Heer Graaf," zeide hij, "het uur van Uwer Hoogheids ontwaken is ook
thans gekomen."Om deze plechtige woorden bekommerde zich de slapende niet.Een page sloeg hem tegen de hand. Een jong edelman stampte met zwaren voet op den grond. De maarschalk in eigen persoon schudde hem. Willem ontwaakte, richtte zich op, en zag verdwaasd om zich heen.
Liefelijke muziek was er, zoodra zijn gesnurk ophield. Hij, die gewoon
was aan het gekijf zijner vrouw, hoorde nu het zachte tokkelen van
snarenspel, en een stem, zoo vol en schoon als hij nog nimmer had
gehoord, zong--Toen werd het stil.Willem zag van den een naar den ander, doch allen behielden hun ernstig wezen. Hij lachte. "Ik droom zeker. Ja, ik heb te veel gedronken." "Heer graaf," sprak de maarschalk van Bourgondië, "dit is het uur, waarop Uwe Hoogheid opstaat."
"Heer graaf--zoo heeft nog niemand tegen een schoenlapper gesproken. Die droom moest maar altijd voortduren."
Hij betastte de zijden gordijnen, die om zijn bed hingen, het rijk
geborduurde kamizool, waarmede hij was gekleed, de fijne lakens,
die hem dekten, het vorstelijk hemd. Hij nam de muts en bekeek ze
van onder tot boven. Hij rook aan zijn handen, en schudde zijn hoofd.
"Heer graaf? Ik ruik er wel naar.""De maarschalk van Bourgondië vroeg met ernstig-verwijtende stem: "Herkent gij ons niet? Heeft Uwe Hoogheid soms niet geslapen, dat haar geest beneveld is. Ik ben haar maarschalk van Bourgondië."
Één voor één gingen ze langs zijn bed, en noemden hunne titels.
"Ik ben Uw zegelbewaarder."
"Ik ben Uw opperschenker."
"Ik Uw broodmeester."
"Ik een hofjonker."
"Ik de bevelhebber Uwer wacht."
"Ik de gouverneur van Uw paleis."
Toen naderde hem de schoone Isabella van Portugal, en liefelijk
zeide zij:
"Wij zijn Uw vorstelijke gade."
"Mijn vrouw," riep de vroolijke Willem. "Wilt gij beweren, dat ge
mijn vrouw zijt? Al 't andere moge waar zijn, ja, ik geloof, dat ik de
graaf van Holland ben, maar mijn vrouw zijt ge niet. Mijn vrouw heeft
zooveel wratten op haar gezicht, als ik gisteren glazen heb geledigd,en dat is heel wat, en mijn vrouw heeft een stem, om den Duivel te
verjagen. Haar oogen zijn zoo groen als gras, en de kleur van haar
huid is zoo geel als een blad in den herfst. Mijn vrouw heeft een
middel als een groote ton bier. Neen, nu gij zegt, dat ge mijn vrouw
zijt, weet ik, dat ik droom en met verlof van deze edele ridders zal
ik weer gaan slapen." Zoet antwoordde hem de heerlijke vrouw:
"Ge zijt de graaf van Holland, en wij zijn Uw getrouwe echtgenoote,
die uit liefde voor U zou willen sterven--" "Sterven?" riep de schoenlapper wanhopig. "Zoo waar ik Willem van
Nieuwen ben en in de Korte Poten woon...." "De heer graaf wil ons bedroeven.""Dus ben ik de zeer dappere, zeer machtige, zeer edele Filips,hertog van Lotharingen en Bourgondië, graaf van Holland en Zeeland,van Vlaanderen en Henegouwen, Heer van Friesland--"
"Zijne Hoogheid weet wel, wie zij is. Zijne Hoogheid wil zich ten
koste van ons vermaken."
"Zoo gij 't zegt, ben ik de graaf van Holland. En toch had ik bij
alle Heiligen willen zweren, dat ik de schoenlapper uit de Korte
Poten ben. Ge weet wel ... Willem van Nieuwen. Zoo er iemand uit dit
doorluchtig gezelschap iets te repareeren heeft--"
"Kom--wij zullen ons thans verwijderen, behalve de opzichter Uwer
garderobe, opdat Uwe Hoogheid zich kan kleeden--"
Weder was er zachte muziek, van een blijde melodie, zingende van de
lente, zingende van geluk. Het lied van den glimlach, of de wereld
zonder zorgen ware, rimpelloos gelijk een Meiedag.
"Vandaag moet Uwe Hoogheid haar beste kleederen aantrekken," sprak
de opzichter der garderobe, en hij reikte hem de roode schoenen
met gespen, de granaten kousebanden, de groen fluweelen met goud
geborduurde broek, den satijnen overrok, den bruinzijden met
zilver geborduurden gordel, de zwarte muts met purperen kleppen,
den hermelijnen mantel, alles neerliggende op een kostbaar
kussen. Eerbiedig boog zich de dienaar, om zijn vorst te kleeden.
"Stil! stil!" riep Willem uit, "dat speel ik zelf wel klaar."
"Dat zou tegen de gewoonte van Uwe Hoogheid zijn."
Toen hij gekleed was, geleidde men hem naar de eetzaal, waar hem zijn
gade reeds wachtte."O! onze held, hoe hebben wij naar u verlangd," zeide zezachtkens. "Zijt ge verlost van uw kwaden droom, dat ge slechts een arme schoenlapper zijt?"Willem bekeek zijn kleederen, en peinzend bleef eindelijk zijn blik op zijn roode schoenen rusten.
"Kijk eens, geliefde echtgenoote--wat die broek of die kousebanden
van me waard zijn, weet ik niet, doch zulke schoenen als ik, heeft
alleen maar de graaf van Holland, en daarom moet ik wel gelooven,
dat ik ben, wat ge zegt, hoewel ik me ook niet kan verklaren, hoe een
graaf van Holland zooveel verstand van schoenen heeft." Hij krabde
zich 't hoofd. "En ziet ge, alles zou ik nog wel aannemen, maar de
vrouw van den vroolijken Willem met haar wratten en haar schelle stem,
zit me in den weg--"
"Spreek, edele heer, niet van een andere vrouw in onze
tegenwoordigheid. Wij hebben U lief, en liefde is ijverzucht."
"IJverzuchtig behoeft ge op de vrouw van den schoenlapper van Nieuwenniet te zijn." Hij zuchtte. "Wij gelooven u, onze gemalin. Wij zijn
de graaf van Holland! Wij zijn de graaf van Holland! Het overige is
een kwade droom." Zijn oogen schitterden.
"Vertel ons, gemalin, wat doet de graaf van Holland den heelen dag?"
"Weet ge dat dan niet?" berispte ze hem. "Eerst behoort ge ter kerke
te gaan, en na den noen moet ge rechtspreken."
"En dan?"
"Dan zet gij U met Uw edellieden tezamen, en zoo ge wilt, komen wij
bij U en schenken U den wijn."
"Wijn? Daarin zullen wij ons sterk betoonen, dat verzekeren wij u."
Omringd door zijne hovelingen trok hij ter kerke. Omringd door zijne
hovelingen wendde hij zich naar de zaal, om recht te spreken. Men
wees hem den troon. Bevallig wierp hij zijn hermelijnen mantel over
den arm, en plechtig wachtte hij de dingen, die zouden komen.
Een jonge man trad binnen en bleef aarzelend voor den zetel staan.
"Wat wilt gij?" vroeg hem Willem.
"Recht."
"Dat beloven wij u. Spreek vrindje--"
De klager, die niemand minder was dan de echte graaf, boog zich
terneder.
"Wij hebben lang genoeg gewacht--Zeg eindelijk, wat gij verlangt
"Mijn schoonvader houdt een herberg aan de Korte Poten, Uwe
Hoogheid. Één zijner klanten is een liederlijke guit, een dronkaard,
Willem van Nieuwen, die zijn beroep slecht verstaat--"
"Halt!" viel hem de rechter in de rede. "Dat is een leugen, want er
is geen betere schoenmaker in de stad dan Willem van Nieuwen, en het
is daarom ook, dat wij u als onzen vorstelijken wil te kennen geven,
om slechts bij dien schoenmaker te koopen."
Een oogenblik was het stilte. De lach kriebelde de hovelingen in de
keel, doch allen wisten hun vroolijkheid tot daartoe in te houden.
De graaf zette zijn verhoor voort:
"Vertel ons, wat uw vader voor klacht heeft tegen den vroolijken
Willem. Doch wees in uw woorden voorzichtig! Wij kennen den man
nauwkeurig."
"Mijn vader heeft den onwaardigen schelm--"
"Beleedig den man niet! Wees op uw hoede."
"Hij heeft hem steeds op goed vertrouwen geschonken, doch nimmer
eenen duit van hem ontvangen. Thans is Willem hem elf gulden schuldig,
welke hij weigert te betalen. Heer graaf! brengt gij den man tot rede."
"Wij weten van het geval, en we weten, wie uw schoonvader is. Het is
de waard met de hazenlip en met den geknapten neus, dien hij in een
vechtpartij heeft gekregen. Hij is zoo scheel, dat hij alles dubbel
ziet, behalve de glazen, waarin hij schenkt, want die geeft hij maar
voor de helft, en het is meer schuim dan bier, dat hij daarbij nog
geeft. Wanneer Willem van Nieuwen hem meer dan vijf gulden schuldig is, laten wij ons hangen. Daar wij echter een genadig vorst zijn--"hierbij
stond hij op--"zullen wij ditmaal genade voor recht doen gelden,
en daar Willem een vroolijk kompaan is, dien wij een toegenegen hart
toedragen, bevelen wij onzen rentmeester den klager elf gulden uit
te betalen."
Dit geschiedde:
De rentmeester telde den jongen man elf gulden uit.
Willem oogde hem na, tot hij de zaal had verlaten: Toen riep hij uit:
"Een onbeschaamd gezel. Het is jammer, dat wij hem niet hebben
gevraagd, waar hij woont, want wij voelen lust, om hem eens te
gelegener tijd af te rossen. Dat is voorbij. Is er nog een geding
te beslissen?"
"Uwe Hoogheid is zeker vermoeid van dit rechtsgeding," zoo sprak de
maarschalk van Bourgondië, "en ik raad Uwe Hoogheid aan, een frisschendronk te nemen, opdat de gedachten van Uwe Hoogheid kunnen rusten."
"Hiertegen hebben wij niets in te brengen," schaterde de
schoenlapper. "Haal ons den lekkersten wijn, dien ge in den kelder
hebt, en voorwaar! nu zullen wij u laten zien, dat niemand den graaf
van Holland in het drinken evenaart."
"Zeg dat niet te spoedig, heer graaf!" zoo zeide hem Jan de Berghes,
"want voorzeker! ik heb reeds alle edellieden van Brabant in dat
tournooi doen sneven.""De wedstrijd worde onmiddellijk aangegaan! Edele gemalin, reik ons de bekers."
Niet zag de schoenmaker, dat zij Jan de Berghes' roemer slechts voor
de helft, zijn eigen beker daarentegen telkens vol schonk. Hij dronk
in een teug, en hij glimlachte, toen Jan de Berghes drie malen over
zijn deel deed.
"Beken het ons maar," schreeuwde hij, "dat ge niet tegen ons kunt
overwinnen."
"Het einde zal het leeren."
Ze deden elkander bescheid. Weder ledigde Willem den beker in éénen
teug, Jan de Berghes in drie.
"Hahaha! ge zijt voorzichtig ... ge ziet, dat ge met een vermaard'
drinker hebt aangebonden, en daarom vreezen wij voor u.
"Het zal anders komen dan ge denkt," hitste jan.
De schoone Isabella lachte.
"Ons dunkt, dat onze gemaal zal winnen."
Met schorre stem antwoordde Willem:
"Bijlo! dat zijn goede woorden. Als de heer van Berghes tegen den
grond ligt, zullen wij er u met een kus mede beloonen."
Onafgewend bleef ze hem aanzien, terwijl ze hem den boordevollen
beker reikte.
"Doe thans ons met eenen teug bescheid," zoo smeekte ze.
En weder dronk hij.
Toen de avond kwam, viel de vroolijke Willem als een overwonnene ter
aarde, en hij snurkte, of hij de dooden moest wekken. Haastig kleedde
men hem in zijn oude lompen. Hij bemerkte het niet, dat weder de heeren de Berghes en de Lannoy hem op de sterke schouderen droegen, thansom hem 't paleis uit te voeren. Zonder hem te schommelen, brachten ze hem naar het Voorhout, en legden hem daar ter plaatse, waar hijden vorigen avond gezonken was. Onhoorbaar verwijderden zij zich.
Willem snurkte.
Wat deerde 't hem, dat zijn kussen de aarde was, en zijn deken de
koude nachtlucht? Hij was in een wereld van gelukzaligheid, waarin
het leven een droom is. De echo van een blijde melodie was er in zijn
sprookjesachtig bewustzijn en nooit had hij in den zonderlingen waan,
die zijn slaap begeleidde, kunnen denken, dat hij de vroolijke Willem
was, snurkend onder den blooten hemel. Ach neen! hij was de graaf
van Holland, de schoone Isabella was zijn gemalin.
De wreede dag brak aan. 't Eerste roerlooze licht van den morgen
schemerde bleekwit langs de takken der boomen, en alle hanen van
's Gravenhage kraaiden elkander tegemoet. Nog weifelde de zonnegloed
boven de vage schemering, die de dag troebelde door den nacht. Het
geheim van het duister was steeds nog in het Haagsche Voorhout, de
zware boomen wilden den nacht behouden, doch daar in een onbewaakt
oogenblik was 't het eerste zonnestraaltje, dat over 't mos schoot,
en vol-uit volgde een bundel van rooden glans. Blijde begonnen ineens
alle vogelen te zingen. Voor de huizen der 's Gravenhaagsche burgers
kakelden de kippen, knorden de zwijnen. Smeden en timmerlieden
hervatten 't ambacht .... En langzamerhand begonnen ook de mieren
in het Voorhout haar dagelijksche taak. Haar drommen stieten tegen
't lichaam van den snurkenden schoenlapper. Ze beten.
Wee! zijn ontwaken.
Hij richtte zich op, keek om zich heen, wreef zich in de oogen, en
greep toen naar zijn beenen en lendenen, waar de verontruste mieren
haar ergernis toonden. Hij sprong op, bekeek zijn ellendige plunje,
en krabde zich 't hoofd. Hij zeide niets. Hij zette alleen maar zijn
mond wijd open, en bleef onbeweeglijk staan.
Toen zuchtte hij, en langzaam ging hij naar zijn huis.
Niet de schoone Isabella van Portugal, maar zijn vrouw met de wratten
wachtte hem. Hare handen waren niet zacht. Ze voerden den bezemsteel, en ze hanteerden dien danig tegen den armen schelm, die niets van zijn vroolijkheid had behouden. Hij zette zich aan zijn werk. Zijn
muren waren met oude schoenen behangen. Zijn vloer was van aarde,
en er waren geen kleeden op. Ook was er geen zachte muziek in zijn
woning--en terwijl de schelle stem zijner vrouw hem honende trilde
in zijn verdoofde ooren, mompelde hij:
"'t Was alles maar een droom. Ik had 't wel kunnen denken--'t was
maar een droom."
Beschrijving
Bron
Commentaar
DE SLAPER IN HET VOORHOUT (blz. 22-32). Verschillende deelen
ontleende ik, meer of minder woordelijk, aan de hier reeds vermelde
"Nederlandsche Legenden." Op verscheiden punten koos ik echter een
"waarschijnlijker" lezing, en vooral heb ik het geval minder braaf
gesteld, en Willem van Nieuwen's moeder, die den dronkaard vermaant,
uit het spel gelaten. Ook vervult in dit boek Isabella van Portugal
de rol van de vrouw des vroolijken Willems; in de "Nederlandsche
Legenden" wordt hiervoor een kamenier uitgekozen, bij Shakespeare in
"The Taming of the Shrew" een mannelijke page, wat het geval nog
humoristischer maakt.
Sirrah, go you to Bartholomew my page
And sec him dress'd in all suits like a lady:
That done, conduct him to the drunkard's chamber,
And call him madam, do him obeisance,
Tell him from me (as he will win my love)
He bear himself with honourable action,
Such as he hath observ'd in noble ladies
Unto their lords, by them accomplished:
Such duty to the drunkard let him do,
With soft, low tongue and lowly courtesy;
And say,--What is 't your honour will command,
Wherein your lady, and your humble wife,
May show her duty, and make known her love?
And then--with kind embracements, tempting kisses,
And with declining head into his bosom
Bid him shed tears, as being overjoy'd
To see her noble lord restor'd to health,
Who, for this seven years bath esteem'd him
No better than a poor and loathsome beggar:
And is the boy have not a woman's gift,
To rain a shower of commanded tears,
An onion will do well for such a shift;
Which in a napkin being close convey'd,
Shall in despite enforce a watery eye.
Sec this dispatch'd with all the haste thou canst
Anon I'll give thee more instructions ....
Het ontwaken wordt door Shakespeare als volgt geschetst
SLY. For God's sake, a pot of small ale.
1 Sew. Will' t please your lordship drink a cup of sack?
2 Sew. Will' t please your honour taste of these conserves?
3 Sew. What raiment will your honour wear to-day?
Sly. I am Christophero Sly; call not me--honor lordship; I never
drank sack in my life; and if you give me any conserves, give me
conserves of beef: Ne'er ask me what raiment I'll wear: for I have
no more doublets than backs, no more stockings than legs, nor no more
shoes than feet; nay, sometimes, more feet than shoes, or such shoes
as my toes look through the overleather" enz.
Talrijke verhalen en stukken dragen de geestige intrige als
basis. Noemen we de Duizend en één Nacht weder in de eerste
plaats, de historie van Harun en den herder AbuHassan. Soortgelijke
geschiedenissen worden trouwens niet alleen in Den Haag voorgesteld,
doch ook in Brugge en Dyon. Nu eens is 't Philips de Goede, dan
weer Karel IV, die den dronkelap vindt. Bij Shakespeare is 't een
willekeurige "lord," en de vindplaats is "before an alehouse on
a heath."
Zoowel in Shakespeare's voorspel en de door mij medegedeelde lezing
vinden wij een schuld van den armen schobbejak aan een waardin of
waard voorgesteld. Bij Shakespeare:
SLY. No, not a denier: Go by, Jeronimy ...." etc.
HOSTESS. You will not pay for the glasses you have burst?
Ook Segismundo in Calderon's La Vida Es Sueno doorleeft een droom,
als hij bij het ontwaken zich in een vorstelijk bed bevindt. Hier
klinkt hem, gelijk in mijn bewerking, muziek tegemoet
SEG.:
Válgame el cielo, qué veo!
Válgame el cielo! qué miro!
Con poco espanto lo admiro,
Con mucha duda lo creo.
Yo en palacios suntuosos? enz.
(Hemel, wat zie ik, wat ontdek ik, ik zie 't met weinig schrik,
doch ik geloof het met veel twijfel, ik in rijk-versierde kameren,
ik tusschen zijde en brocaat, ik, omringd door dienaren enz.--).
Vele tooneelstukken en novellen zijn op het mooie sprookje gebouwd.
Opmerkingen overgenomen uit: Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Naam Overig in Tekst
Filips de Goede   
Bourgondië   
Isabella van Portugal   
Korte Poten   
Willem van Nieuwen   
Jacob de Roussay   
Hue de lannoy   
Jan de Berghes   
Vroolijke (Vrolijke) Willem   
Naam Locatie in Tekst
Vlaanderen   
Holland   
Zeeland   
Friesland   
Den Haag   
Voorhout   
