Hoofdtekst
Het Popje der Heks
Niet uit alle haneneieren kruipt een basiliscus: ook worden er heksen
uit-gebroed, die het vee betooveren, schepen beletten uit te varen,
en kinderen kwellen. Een goede honderd jaar geleden heeft er in
Bolsward ook zulk een heks gewoond.
Op het Hoog leefde een gelukkig echtpaar met vele, gezonde
kinderen. Alleen het jongste was altijd ziek, en de buren zeiden,
dat het wel betsjoend kon zijn. Doch wie was de tsjoenster?
Er woonde in de Witheerensteeg een vriendin der vrouw, die veel van
kinderen hield. Ze kwam dikwijls op het Hoog, om een praatje te maken,
en dan nam ze het kind, op haar schoot, en ze kuste het met veel
liefde. Ze wiegde het in haar armen en zei: "Do earm skiep. Do earm skiep." Als ze zich naar 't kind overboog, was er moederliefde in haar
blik. Als dokter kwam, schudde ze medelijdend en mistroostig 't hoofd,
alsof ze zeggen wilde: "Kun je voor het arme schaap niets doen?"
Wat probeerde men al niet? Duizend middelen, die in dikke boeken
staan! Een dokter kan niet helpen, als 't kind betsjoend is. Om die
ziekte tegen te gaan, heeft men sterkere hulp noodig. De eenige,
die raden kan, is de duivelbanner. Deze weet alles en kan de heks
verjagen, haar zelfs doen sterven. En wat kan een dokter doen tegen
een tsjoenster? Hij gelooft er zelfs niet aan! "Weet je, wat ik doe?" zei eindelijk de man. "Ik ga den duivelbanner opzoeken."
Dat was een wijs besluit. Had hij dit maar eerder gedaan, instee de
raad van een dokter op te volgen. Hij ging den volgenden dag op weg,
en had wat water van zijn kind meegenomen. Hij liep uren en uren, vóór
hij bij den duivelbanner kwam, die onmiddellijk begreep, dat er iets
niet in den haak moest zijn. Er was een tsjoenster in het spel. Hij
zei het den vader zonder omwegen. Wat te doen? De duivelbanner zei:
"Dat is al heel eenvoudig, man. We zullen haar wel klein krijgen,
maar 't kind moeten we ook genezen, is nietwaar?"
"Ja," antwoordde de man.
"Kijk eens, deze kruiden helpen." De bezweerder gaf hem een klein
zakje, zeggend: "Dat is nummer één. Daarmee moet je de wieg van het kind uitrooken." De wieg was ook al behekst. Of 't goed was, dat men den duivelbanner om raad had gevraagd! Schuchter vroeg de man:
"En nummer twee?""Nummer twee is dit drankje. Dat moet 't kind gebruiken, 's morgensop de nuchtere maag, 's middags vóór 't gaat eten en 's avonds voor 'tgaat slapen. Maar voor ik 't vergeet, wanneer de wieg wordt uitgerookt, mag er niets openstaan. En dan is er nog nummer drie."
"En dat is, nummer drie?"
"Houd de geneesmiddelen in je zak, en loop, zonder je op te houden,
recht naar huis. Op de reuk van kruiden komen de heksen af, en raad
eens waarom? Ze willen ons werk tegenhouden, die leelijke tjoensters,
wanneer het goede is gekocht. Als nu een vrouw op je afkomt, weet je,
dat het de heks is. Ga recht door. 't Kan niet missen."
Het was een lange weg, maar de vader nam geen rust, al lokte hem
menige herberg. Recht moest hij gaan. Straks moest hij de tsjoenster
ontmoeten. Maar wonder! hij kwam geen enkele vrouw tegen, noch aan de Sneekerpoort, noch in de Witheerensteeg en eerst op het Hoog schreed iemand hem voorbij. Het was een vrouw. Ze liep vlak langs hem heen, en stiet hem in de zij. Er rinkelde iets. 't Fleschje in zijn zak
werd gebroken, en hij gevoelde, dat het drankje wegvloeide. Wat was
dat jammer! Hij vertelde het zijn vrouw dadelijk, toen hij thuiskwam. Zij schuddehaar hoofd en riep uit:
"Ja, mijn vriendin was ook al zoo gehaast. Ze moest naar de
Witheerensteeg." "O! is 't die?" vroeg de man, geheel en al ontsteld.
"Wat meen je?" "Men moet er 't beste van hopen," zuchtte hij. Ze greep hem bijden arm. "Wat bedoel je toch?" Hij vertelde haar, wat de duivelbanner had gezegd, en zij werd angstig. Ze stamelde:
"Je zou zeggen ... je zou zeggen ...."
"O! wat zou 't me spijten, als zij de heks was-"
"Denk je dat?"
"'t Moet wel zoo zijn. Wie zou 't anders wezen? Er is me maar één
vrouw tegengekomen. En dat ze zoo gauw liep! 't Kan niet anders ...."
"En wat moeten we nu met 't kind doen?"
" 't Drankje is weg, maar de kruiden heb ik nog. We kunnen de wieg
eerst uitrooken."Het was tot midden in den nacht, dat zij ermede wachtten. Alle deuren, alle vensters werden gesloten, ja, het sleutelgat werd met was bestreken. Hoe klein de heks zichzelf ook maakte, naar binnen kon ze niet. Geen doorkomen aan.
Het hielp wel, dat men zoo goed het bevel van den duivelbanner
na-kwam. Ja, de duivelbanners zijn de eenigsten, die kunnen helpen.
Men draaide de wieg om en legde de kruiden in 't komfoor. Toen de
vlam erop, en heel zachtjes begonnen de kruiden te smeulen. Welk een
stank, welk een stank! De man en zijn vrouw kregen het er benauwd van,
vooral, nadat de rook en smook hoe langer hoe dikker en dichter de
kamer doorwolkt hadden. Brrr! En alles dicht .... Het kind kreunde,
en buiten werd er aan het slot gemorreld.
"Niet opendoen!" hijgde de man. "De heks."
Daarmee was het nog lang niet uit. Ineens begonnen buiten katten te
blazen en te krijschen en te jammeren ... een ware heksensabbath.
De man en zijn vrouw waren het erover eens: de duivelbanner had
gelijk. Er waren booze machten in het spel. Het duurde eenigen tijd,
vóór de rook was weggetrokken; gelukkig maar, dat men den schoorsteen niet verstopt had. Zoodra de lucht weer zuiver werd, hielden de katten met schreeuwen op, en ook het kind kreunde niet meer.
Heksenwerk moest het heeten en anders niet. Iedereen in Bolsward was
het erover eens, en daarom bejegende men den man der tjoenster van alle kanten stug, waar hij den volgenden dag ook kwam. Des avonds trad hij de gelagkamer van de "Valk" binnen en al zijn vrienden zwegen. Als
hij tot een hunner sprak, wendde deze 't hoofd af. Misschien had
een kind op straat hem al nageroepen, misschien had hij het van een
der lieftallige lieden gehoord, die gaarne het leed van een ander
op de tong proeven. Hij wist, wat er gezegd werd in de stad, en hij
besloot zijn vrienden om raad te vragen. Het was een moeilijk geval,
want een heks is slim. De waard kwam er ook bij staan, en luisterde
toe. Met praatte her en der, roosterde de zaak aan het spit, maar
men kon ze niet zoo gauw gebraden krijgen. Wat moest er gedaan worden?
Een der vrienden was een sluwe vogel. Eindelijk had deze de goede
raad gevonden.
"Je moet een klein gat in den zolder boren," zei hij, "zoodat je haar
bespieden kunt."
Iedereen vond het vreemd, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Het
eenvoudigste is altijd het beste op de wereld. De man wachtte, tot de vrouw was uitgegaan, en toen deed hij, wat zijn vriend hem had geraden, onderwijl denkend: "Wanneer ze nu meent, dat ik uit ben, zal ik zacht naar boven sluipen, en ik zal van hieruit kunnen zien, wat ze doet, die leelijke heks."
Een paar avonden later, deed hij, of hij 't huis ging verlaten.
"Waar ga je naar toe?" vroeg zij. Hij antwoordde onverschillig:
"Naar 'de Valk.' Ik moet kijken, of 't bier me vanavond smaakt."
Zoo namen ze afscheid van elkaar. Zij meende natuurlijk, dat hij
weg was, doch hij had de deur natuurlijk niet gesloten. Neen, hij
sloop terug, en liep de zoldertrap op. Met zijn oog ging hij op het
gat liggen, dat hij een paar dagen geleden had geboord. Een deel der
kamer kwam binnen zijn spiedende blik, en hij bemerkte, dat ze opstond,
om zich heen keek, en de deuren sloot. De man boven peinsde:
"Haha! ze wil niet gezien worden! Ze heeft wat in den zin."
Ze ging naar de kast. "Wat moet ze daar doen?" dacht hij.
Ze opende de kast heel omzichtig. Hij kon net precies onderscheiden,
wat ze wegnam. Een heel klein popje, dat in luiers was gewikkeld!
Ze nam het popje op haar schoot en begon het te prikken. Met groote,
scherpe spelden prikte ze het. Ze bleef het steken, op 't hoofdje,
op den rug, op de beentjes, en 't kind daarginder op het Hoog werd
nu vreeselijk daardoor bezeerd. Luid begon het te krijten en het was
niet tot bedaren te brengen, zoolang de tsjoenster pijnigde. De man
op zolder wist dit.
Het werd eindelijk de gewone tijd, dat hij uit de herberg kwam. Nu
zag de spion boven, dat ze 't popje weer in de kast borg. Hij ging
kousvoeteling de trap af, en sloop de deur uit. Hij liep even om, en
kwam een oogenblikje later doodgemoedereerd terug. Ze had de stoete
op tafel staan met geurige boter. "Zoo--" glimlachte ze, "ben je al terug?" Hij antwoordde niet. " 't Is vroeg vanavond, of verbeeld ik 't me?"
Hij antwoordde niet.
Ze begreep, dat hij iets vermoedde van haar wreed spel: Zwijgend
stonden ze tegenover elkaar. Ten laatste beval hij:
"Geef me den sleutel van de kast." Ze deed heel verwonderd.
"Wat wil je daarmee. Je heb daar toch niets te zoeken?"
"Geef me den sleutel." Ze trachtte te schertsen.
"Daar is niets in ...."
"Zoo! is daar niets in? Daar is toch wel wat in?"
"Neen," zei ze, en diep beet ze met haar tanden in haar lip.
"Och--een kast zonder iets erin. Wat doe je dan met een kast, waar
niets in is?"
"Er is wel wat in."
"Wat is er dan in?"
"Mijn kleeren zijn erin!"
"Laat ze me zien--of is er nog meer in?"
"Ja, een popje, dat ik op straat heb gevonden."
"Zoo--een popje! Waarom heb je er me niets van gezegd? Hier de
sleutel!"Ze moest hem gehoorzamen, en hij opende de kast. Naar de kleeren keekhij niet. Hij nam het popje in zijn hand, en draaide het om en om."Overal zijn speldeprikken," zei hij. Ze smeekte:
"Geef 't mij terug. Geef 't mij terug." "Dat is niet noodig. Je bent geen kind meer." "Ik wou 't weggeven." "Niet noodig! Ga jij maar naar bed."
"Geef 't mij maar terug." "Naar bed! Ik blijf een kwartiertje op."
"Nee--nee--terug ... het popje ... terug het popje." Hij tergde haar.
"Je houdt zooveel van kleine kinderen? Je bent altijd lief tegen
kleine kinderen? Ga naar bed." Ze schreide. Wat kon ze anders doen? Ze ging schreiend naar bed. Hij pookte het vuur op en de vlammen laaiden. Hij gooide 't popje er midden tusschen.
"Zoo!" riep hij uit. Hij hoorde, hoe de vrouw in haar bed steunde. Toen begon ze van pijn te schreeuwen. De man bleef natuurlijk heel rustig.
Hij zei: "Ik verbrand het popje maar."
Hij keek naar de vlammen, die 't popje omdansten en grepen in hun
begeerenden, verterenden gloed.
Eerst, nadat het tot asch was geworden, wendde hij zich naar het
bed. Daar lag de vrouw, met vreeselijke brandwonden, en ze stierf op
hetzelfde oogenblik.
Niet uit alle haneneieren kruipt een basiliscus: ook worden er heksen
uit-gebroed, die het vee betooveren, schepen beletten uit te varen,
en kinderen kwellen. Een goede honderd jaar geleden heeft er in
Bolsward ook zulk een heks gewoond.
Op het Hoog leefde een gelukkig echtpaar met vele, gezonde
kinderen. Alleen het jongste was altijd ziek, en de buren zeiden,
dat het wel betsjoend kon zijn. Doch wie was de tsjoenster?
Er woonde in de Witheerensteeg een vriendin der vrouw, die veel van
kinderen hield. Ze kwam dikwijls op het Hoog, om een praatje te maken,
en dan nam ze het kind, op haar schoot, en ze kuste het met veel
liefde. Ze wiegde het in haar armen en zei: "Do earm skiep. Do earm skiep." Als ze zich naar 't kind overboog, was er moederliefde in haar
blik. Als dokter kwam, schudde ze medelijdend en mistroostig 't hoofd,
alsof ze zeggen wilde: "Kun je voor het arme schaap niets doen?"
Wat probeerde men al niet? Duizend middelen, die in dikke boeken
staan! Een dokter kan niet helpen, als 't kind betsjoend is. Om die
ziekte tegen te gaan, heeft men sterkere hulp noodig. De eenige,
die raden kan, is de duivelbanner. Deze weet alles en kan de heks
verjagen, haar zelfs doen sterven. En wat kan een dokter doen tegen
een tsjoenster? Hij gelooft er zelfs niet aan! "Weet je, wat ik doe?" zei eindelijk de man. "Ik ga den duivelbanner opzoeken."
Dat was een wijs besluit. Had hij dit maar eerder gedaan, instee de
raad van een dokter op te volgen. Hij ging den volgenden dag op weg,
en had wat water van zijn kind meegenomen. Hij liep uren en uren, vóór
hij bij den duivelbanner kwam, die onmiddellijk begreep, dat er iets
niet in den haak moest zijn. Er was een tsjoenster in het spel. Hij
zei het den vader zonder omwegen. Wat te doen? De duivelbanner zei:
"Dat is al heel eenvoudig, man. We zullen haar wel klein krijgen,
maar 't kind moeten we ook genezen, is nietwaar?"
"Ja," antwoordde de man.
"Kijk eens, deze kruiden helpen." De bezweerder gaf hem een klein
zakje, zeggend: "Dat is nummer één. Daarmee moet je de wieg van het kind uitrooken." De wieg was ook al behekst. Of 't goed was, dat men den duivelbanner om raad had gevraagd! Schuchter vroeg de man:
"En nummer twee?""Nummer twee is dit drankje. Dat moet 't kind gebruiken, 's morgensop de nuchtere maag, 's middags vóór 't gaat eten en 's avonds voor 'tgaat slapen. Maar voor ik 't vergeet, wanneer de wieg wordt uitgerookt, mag er niets openstaan. En dan is er nog nummer drie."
"En dat is, nummer drie?"
"Houd de geneesmiddelen in je zak, en loop, zonder je op te houden,
recht naar huis. Op de reuk van kruiden komen de heksen af, en raad
eens waarom? Ze willen ons werk tegenhouden, die leelijke tjoensters,
wanneer het goede is gekocht. Als nu een vrouw op je afkomt, weet je,
dat het de heks is. Ga recht door. 't Kan niet missen."
Het was een lange weg, maar de vader nam geen rust, al lokte hem
menige herberg. Recht moest hij gaan. Straks moest hij de tsjoenster
ontmoeten. Maar wonder! hij kwam geen enkele vrouw tegen, noch aan de Sneekerpoort, noch in de Witheerensteeg en eerst op het Hoog schreed iemand hem voorbij. Het was een vrouw. Ze liep vlak langs hem heen, en stiet hem in de zij. Er rinkelde iets. 't Fleschje in zijn zak
werd gebroken, en hij gevoelde, dat het drankje wegvloeide. Wat was
dat jammer! Hij vertelde het zijn vrouw dadelijk, toen hij thuiskwam. Zij schuddehaar hoofd en riep uit:
"Ja, mijn vriendin was ook al zoo gehaast. Ze moest naar de
Witheerensteeg." "O! is 't die?" vroeg de man, geheel en al ontsteld.
"Wat meen je?" "Men moet er 't beste van hopen," zuchtte hij. Ze greep hem bijden arm. "Wat bedoel je toch?" Hij vertelde haar, wat de duivelbanner had gezegd, en zij werd angstig. Ze stamelde:
"Je zou zeggen ... je zou zeggen ...."
"O! wat zou 't me spijten, als zij de heks was-"
"Denk je dat?"
"'t Moet wel zoo zijn. Wie zou 't anders wezen? Er is me maar één
vrouw tegengekomen. En dat ze zoo gauw liep! 't Kan niet anders ...."
"En wat moeten we nu met 't kind doen?"
" 't Drankje is weg, maar de kruiden heb ik nog. We kunnen de wieg
eerst uitrooken."Het was tot midden in den nacht, dat zij ermede wachtten. Alle deuren, alle vensters werden gesloten, ja, het sleutelgat werd met was bestreken. Hoe klein de heks zichzelf ook maakte, naar binnen kon ze niet. Geen doorkomen aan.
Het hielp wel, dat men zoo goed het bevel van den duivelbanner
na-kwam. Ja, de duivelbanners zijn de eenigsten, die kunnen helpen.
Men draaide de wieg om en legde de kruiden in 't komfoor. Toen de
vlam erop, en heel zachtjes begonnen de kruiden te smeulen. Welk een
stank, welk een stank! De man en zijn vrouw kregen het er benauwd van,
vooral, nadat de rook en smook hoe langer hoe dikker en dichter de
kamer doorwolkt hadden. Brrr! En alles dicht .... Het kind kreunde,
en buiten werd er aan het slot gemorreld.
"Niet opendoen!" hijgde de man. "De heks."
Daarmee was het nog lang niet uit. Ineens begonnen buiten katten te
blazen en te krijschen en te jammeren ... een ware heksensabbath.
De man en zijn vrouw waren het erover eens: de duivelbanner had
gelijk. Er waren booze machten in het spel. Het duurde eenigen tijd,
vóór de rook was weggetrokken; gelukkig maar, dat men den schoorsteen niet verstopt had. Zoodra de lucht weer zuiver werd, hielden de katten met schreeuwen op, en ook het kind kreunde niet meer.
Heksenwerk moest het heeten en anders niet. Iedereen in Bolsward was
het erover eens, en daarom bejegende men den man der tjoenster van alle kanten stug, waar hij den volgenden dag ook kwam. Des avonds trad hij de gelagkamer van de "Valk" binnen en al zijn vrienden zwegen. Als
hij tot een hunner sprak, wendde deze 't hoofd af. Misschien had
een kind op straat hem al nageroepen, misschien had hij het van een
der lieftallige lieden gehoord, die gaarne het leed van een ander
op de tong proeven. Hij wist, wat er gezegd werd in de stad, en hij
besloot zijn vrienden om raad te vragen. Het was een moeilijk geval,
want een heks is slim. De waard kwam er ook bij staan, en luisterde
toe. Met praatte her en der, roosterde de zaak aan het spit, maar
men kon ze niet zoo gauw gebraden krijgen. Wat moest er gedaan worden?
Een der vrienden was een sluwe vogel. Eindelijk had deze de goede
raad gevonden.
"Je moet een klein gat in den zolder boren," zei hij, "zoodat je haar
bespieden kunt."
Iedereen vond het vreemd, dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Het
eenvoudigste is altijd het beste op de wereld. De man wachtte, tot de vrouw was uitgegaan, en toen deed hij, wat zijn vriend hem had geraden, onderwijl denkend: "Wanneer ze nu meent, dat ik uit ben, zal ik zacht naar boven sluipen, en ik zal van hieruit kunnen zien, wat ze doet, die leelijke heks."
Een paar avonden later, deed hij, of hij 't huis ging verlaten.
"Waar ga je naar toe?" vroeg zij. Hij antwoordde onverschillig:
"Naar 'de Valk.' Ik moet kijken, of 't bier me vanavond smaakt."
Zoo namen ze afscheid van elkaar. Zij meende natuurlijk, dat hij
weg was, doch hij had de deur natuurlijk niet gesloten. Neen, hij
sloop terug, en liep de zoldertrap op. Met zijn oog ging hij op het
gat liggen, dat hij een paar dagen geleden had geboord. Een deel der
kamer kwam binnen zijn spiedende blik, en hij bemerkte, dat ze opstond,
om zich heen keek, en de deuren sloot. De man boven peinsde:
"Haha! ze wil niet gezien worden! Ze heeft wat in den zin."
Ze ging naar de kast. "Wat moet ze daar doen?" dacht hij.
Ze opende de kast heel omzichtig. Hij kon net precies onderscheiden,
wat ze wegnam. Een heel klein popje, dat in luiers was gewikkeld!
Ze nam het popje op haar schoot en begon het te prikken. Met groote,
scherpe spelden prikte ze het. Ze bleef het steken, op 't hoofdje,
op den rug, op de beentjes, en 't kind daarginder op het Hoog werd
nu vreeselijk daardoor bezeerd. Luid begon het te krijten en het was
niet tot bedaren te brengen, zoolang de tsjoenster pijnigde. De man
op zolder wist dit.
Het werd eindelijk de gewone tijd, dat hij uit de herberg kwam. Nu
zag de spion boven, dat ze 't popje weer in de kast borg. Hij ging
kousvoeteling de trap af, en sloop de deur uit. Hij liep even om, en
kwam een oogenblikje later doodgemoedereerd terug. Ze had de stoete
op tafel staan met geurige boter. "Zoo--" glimlachte ze, "ben je al terug?" Hij antwoordde niet. " 't Is vroeg vanavond, of verbeeld ik 't me?"
Hij antwoordde niet.
Ze begreep, dat hij iets vermoedde van haar wreed spel: Zwijgend
stonden ze tegenover elkaar. Ten laatste beval hij:
"Geef me den sleutel van de kast." Ze deed heel verwonderd.
"Wat wil je daarmee. Je heb daar toch niets te zoeken?"
"Geef me den sleutel." Ze trachtte te schertsen.
"Daar is niets in ...."
"Zoo! is daar niets in? Daar is toch wel wat in?"
"Neen," zei ze, en diep beet ze met haar tanden in haar lip.
"Och--een kast zonder iets erin. Wat doe je dan met een kast, waar
niets in is?"
"Er is wel wat in."
"Wat is er dan in?"
"Mijn kleeren zijn erin!"
"Laat ze me zien--of is er nog meer in?"
"Ja, een popje, dat ik op straat heb gevonden."
"Zoo--een popje! Waarom heb je er me niets van gezegd? Hier de
sleutel!"Ze moest hem gehoorzamen, en hij opende de kast. Naar de kleeren keekhij niet. Hij nam het popje in zijn hand, en draaide het om en om."Overal zijn speldeprikken," zei hij. Ze smeekte:
"Geef 't mij terug. Geef 't mij terug." "Dat is niet noodig. Je bent geen kind meer." "Ik wou 't weggeven." "Niet noodig! Ga jij maar naar bed."
"Geef 't mij maar terug." "Naar bed! Ik blijf een kwartiertje op."
"Nee--nee--terug ... het popje ... terug het popje." Hij tergde haar.
"Je houdt zooveel van kleine kinderen? Je bent altijd lief tegen
kleine kinderen? Ga naar bed." Ze schreide. Wat kon ze anders doen? Ze ging schreiend naar bed. Hij pookte het vuur op en de vlammen laaiden. Hij gooide 't popje er midden tusschen.
"Zoo!" riep hij uit. Hij hoorde, hoe de vrouw in haar bed steunde. Toen begon ze van pijn te schreeuwen. De man bleef natuurlijk heel rustig.
Hij zei: "Ik verbrand het popje maar."
Hij keek naar de vlammen, die 't popje omdansten en grepen in hun
begeerenden, verterenden gloed.
Eerst, nadat het tot asch was geworden, wendde hij zich naar het
bed. Daar lag de vrouw, met vreeselijke brandwonden, en ze stierf op
hetzelfde oogenblik.
Onderwerp
CJ115025   
Beschrijving
Niet uit alle haneneieren kruipt een basiliscus: ook worden er heksen uitgebroed. Ze betoveren dieren, zetten schepen vast en maken kinderen ziek. Als een kind behekst is, moet er een duivelbanner aan te pas komen. Man van de heks betrapt zijn vrouw, als ze een popje met spelden prikt. Wie het popje verbrandt, pijnigt de heks tot ze er dood bij neervalt.
Bron
Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918, p. 57
Commentaar
1918
HET POPJE DER HEKS (blz. 57-64). Een zeer merkwaardige sage! Al
speelt ze honderd jaar geleden, toch heb ik ze (evenals Waling
Dijkstra) gepubliceerd. 't Heksengeloof is er nog niet heelemaal uit
en zeker niet 't geloof aan allerlei duivelsche machten. Zóó lees ik
bijvoorbeeld in het "Nieuwsblad van Emmen" van Juni 1915 't verhaal
ontleend aan de A. Ct.: "Het geloof aan heksen en spoken, aan witte
'wiev,' 'glunigen kèrels' en dito honden of hoe die trawanten van den
vorst der duisternis meer mogen heeten, het geloof daaraan mag zoo goed
als verdwenen zijn, [13] de vrees voor Zijn Helsche Majesteit zit er
hier en daar toch nog in. Dat bleek ons dezer dagen op een afgelegen
gehucht op het Ellertsveld. Een paar avonden achtereen hoorde daar een
echtpaar telkens tegen het middernachtelijk uur een geheimzinnig geklop
en dof gehamer op de deel. Dat was natuurlijk het werk van den Booze
of te wel van den 'boksvoot,' die daarmee natuurlijk niet veel goeds
in den zin had en naar alle zekerheid het een of ander groot ongeluk
over het huis zou brengen. Om dat dreigend onheil af te wenden werd den
volgenden dag tegen het vallen van den avond dicht bij den paardenstal,
vanwaar men het angstaanjagend geluid meende te hooren, de Bijbel
neergelegd, geopend bij het 4e hoofdstuk van Mattheus, alwaar wij
lezen, hoe Jezus in de woestijn door den duivel werd verzocht. En na
dien is het weer rustig op de deel als voorheen. De gehoonde verleider
heeft stellig den aftocht geblazen. Mattheus 4 werd hem te machtig.
Nochtans blijft het geopende bijbelboek als _duivelbanner_ [14] daar
nog eenige dagen liggen, want zoo verklaarde ons het vrouwtje in
allen ernst: 'hij wil nog wel eens terugkomen. Dat er eenig verband
kan bestaan tusschen het eindigen van het vreeswekkend geklop en
den verkoop van 't paard op de Norgermarkt j.l. Dinsdag, dat kwam
natuurlijk niet op in de hoofden van 't ongenoemd echtpaar.'"
Tot zoover het Nieuwsblad van Emmen, dat ook in Borger veel wordt
gelezen. Ik weet, dat daar een oude vrouw woont, die wel wonderlijker
verhalen kent dan deze, en die hier weinig om zal lachen.
De heksenvervolging in ons land heeft nooit de vormen aangenomen,
welke zij bijvoorbeeld in Frankrijk (Vauderie), Italië en Duitschland
heeft gekend. De heksenwaag in Oudewater heeft menig verdachte van
den dood gered. Voor hen, die er belang in stellen, geef ik hier een
paar aardige vonnissen en bescheiden.
Utrecht 1417: "Want Isyo, die vroedemoeder, onredelijk saken, alse
toverie ende andere onstantelijke dinghen bedreven ende gedaen heeft,
daarom verbiet men haar de stat 50 jaer lanc naeste comende ende een
mile van der stat te wesen op hoer lijf."
Putten op de Veluwe 1423: "des paepen maagd van Putten, die beruchtiget
was, dat sy heren Aelbert den papen betovert wolde hebben en hoer
kunsten dairtoe besichde, dat gebeterd met 20 rijnsche gulden."
Vonnis van het Hof van Holland 1467: "tegen een oud wijf, die 23
jaren lang na gestolene en verlorene goederen gelesen had, hetwelk
wijchelarij was en tegen het cristelijk geloof, tot pronken op het
schavot en ban."
En hier hebt ge een juweel, van den Zutphenschen burgemeester
Henric here thoe Gehmen uit 't jaar 1491, een schrijven gericht
tot burgemeester en raad van Keulen .... Ja, hier is 't wel tempora
mutantur.
"Eirbare vroeme inde vursichtige, gemynde, lieve vriende. Hyr in deur
lande van Sutphen is eyn tyt van jaren herwertz zere groet ongnade,
verdriet inde schaide geschiet van onweder [15] inde enheben niet waell
rait dair to krijgen moigen, sulkes gestraffet inde uytgerait mochte
werden. Inde altehantz heb ick drossait drie wijffe eyn tyt lanck in
gefencknuss sittende gehat inde noch sitten binnen der stat van Lochem,
die mijn onderdrossait vaste mennigerley heeft laten versuecken mitten
scarprichter, inde doch niet ther lyluge gebrengen en kan, woewaill
die selve wijve dat ganse gemeyn gerucht heben, inde die nabueren baven
inde beneden hen des niet en verlaiten, sy en konnen weder maicken ind
oich seggen sy van veele stonden, dair sy die selven wijve, die eyn
onder syn korn, die ander in seynem stall by syn haive, inde voert der
gelycken, dair sy tovery in vermoeden, befonden heben [16]. Inde ass
men die wijve ter pijnen stelt mit trecken, averhaelen ind barnen an
die hacken [17] ind voert anders, dat geyn harde manspersonen sonder
te lij gen lijden en solden, ind als dat gedain is, so synt sy oer
leeden so mechtig als voer der pijnen. Inde nementlic hefft die eyn
vrou baven in eyn pan mit heyter torffkaelen die eyn reyse voir ind
die ander nae mitten bloeten voeten gain stain [18], inde sacht dat
men dat voir oir onscholt nemen wolde, inde dat en schaiden oir mit
allem niet, dat men sien konde. Men hadde se laeten bescheeren all
omme heer van hair inde deede oir drijncken van den wijwaeter, des
sonnendaiges gewijth was, ind oich aver oir bloete lijff eyn misgewait
an, dair die hoemyss des sonnendages in gedain wass inde sat sy van
der eerden, eer men sy ter pijnen stelde. [19] Inde dit wass van baven
gekomen uit anderer amptlueden versueck, inde hedden gemeynt dat men
dairmede den duvel syn macht benomen ind sye ter lijginge gebracht
solde heben, dan 't en baiten all te maell niet. Inde went wij dan
verstain, dat allduslicker toverijen gelijcken bijnnen off umbtrynt
uwer lieffden stat inde voirt meer baven geschiet is, dair men die
toevenarss inde toeverschen aver ten rechten gestalt inde gebrant
hefft, so were onse zere fruntlicke bede inde begerte, dat uwe erbarn
lyefften onssdair van onderrichtinge bij desen brenger s'brieff so
voell uwen lyeffden wijtlick inde mogelick is, doin scrijven willen,
woe inde in wat manieren men sij ter pijnen stellen sall, ons dair
na in den besten te richten, ind soe dat men sulke ongelove, tovery
inde oveldait verhaiten inde uytraiden mochte. Dair uwe liefften sich
ter eeren gaidz in de waelfairt gueder luede guetwillich in bewijsen
willen, als wij getruwen inde t' anderen tijden gerne, dar wij konnen,
verschulden enz."
Geadresseerd aan: Den eirbaren vroemen inde voirsichtigen
borgemeistern, scepen inde raide der stait Colne, unsen gemijnden
lieven frunden. [20]
Terwijl in ons land het volksgeloof taai het begrip "heks" heeft
vastgehouden--zoodat het nog niet als uitgestorven is te beschouwen
(Drente, Friesland), kan men er hen, die de massa leiden, geen verwijt
van maken, _in 't algemeen_, dat ze op ruwe wijze tegen de ongelukkigen
te keer zijn gegaan. Niet, dat Bekker's "Betooverde Wereld," welke
op krachtdadige wijze het bijgeloof bestreed, geen tegenkanting
ondervond--doch in niet vele landen vindt men lichtelijk zoo weinig
vervolging van overheidswege. Er zijn er, die dit aan den invloed van
het Protestantisme toeschrijven, maar dit schijnt mij minder juist toe,
om redenen, die mij te ver buiten mijn beknopte "Aanteekeningen" zouden
voeren, doch die het verband zouden aantoonen, welke de Katholieke
Kerk in de Middeleeuwen legde tusschen ketterij en toovenarij. In
't kort zij gezegd, dat de verhouding van het Katholicisme tegenover
de hekserij in de middeleeuwen anders was dan van het Protestantisme
tegenover de hekserij in de 17e en 18e eeuw, zoodat deze beide niet
met elkander zijn te vergelijken. Bovendien heeft men nog het treurig
proces tegen de heks van Glarus (Zwitserland) in 1781, [21] waardoor
men tot de overtuiging komt, dat ook een Protestansche overheid niet
vrij van bloedschuld is.
In Engeland was 't o.a. Reinald Scot, die tegen de heksenvervolgingen
schreef, en zijn werk werd tot "ghemein oorbaar" in 't Nederlandsch
vertaald door Thomas Basson. [22] Deze voegde hier ook bij o.a.
"T' Gevoelen van de Heeren Professooren der Universiteyt tot Leyden,
nopende de proeve der Toveressen in 't waeter."
De hooggeleerde heeren deden, d.w.z. zoover zij behoorden tot de
faculteiten der Medicijnen en Philosophie, ten verzoeke van het Hof
van Holland uitspraak in een twijfelachtige zaak ....
Aanwezig waren:
Doktor Johannes Heurnius, Rector Academiae en Professor Medicinae.
Doktor Gerardus Bontius, Professor Medicinae.
Doktor Petrus Pauw, Professor Medicinae.
Antonius Trutius, Professor Philosophae.
Petrus Molenaeus, Professor Philosophae.
Wat was deze twijfelachtige zaak, die de Professoren den negenden
dach january des jaers 1594 tezamen bracht?
Of de toovenaressen, [23] waersegsters etc. door haar swerte kunst
ofte schandelijcke oeffeninghe sulck een bijsonder kracht hebben, dat
wanneer zij crucelinckx aen handen ende in het waeter geworpen zijnde,
de selvighe niet ondergaen ende sincken, maer op het waeter drijven:
Dan off hier onder eenighe natuerlijcke oorsaeck verborghen is."
Het strekt de Nederlandsche wetenschap tot eere, dat de heeren
professoren der Leidsche Universiteit alreeds in 't jaar 1594 zulk een
nuchtere uitspraak hebben gegeven, en zich zoo objectief tegenover
't vraagstuk hebben gesteld. Ik voor mij zie in de "nuchterheid"
der autoriteiten en publicisten van oudsher, een nuchterheid, welke
zelfs in den brief des Zutphenschen burgemeesters tot uitdrukking
komt, eigenlijk de reden, waarom hier van buitensporigheden geen
sprake kan zijn. Hebben wij al in de 16e eeuw deze nuchterheid te
constateeren, in de 17e wordt de strijd voortgezet en in 't midden
der 19e eeuw voert M. D. Teenstra in zijn "Volksverhalen en Legenden"
de nuchterheid tot het uiterste, door met alle mystiek te spotten en
al het bovenzinnelijke te betwijfelen. _Zijne_ nuchterheid echter,
die bijvoorbeeld tot onnoemelijk na deel van de Kunst in ons land
heeft gestrekt, is de arme, ongelukkige vrouwen [24] ten goede
gekomen. Een nadeel echter der nuchterheid is, gelijk ik op mijn
tochten heb ondervonden, dat allerlei betweters langzamerhand de
volkspoëzie hebben vermoord. Deze Hollandsche geest heeft altijd
eenigszins vijandig tegenover kunst en kunstenaar gestaan.
Er moet ten opzichte der sage "Het Popje der Heks" nog iets anders
worden opgemerkt. Men zal op bladzijde 59 onderaan, lezen:
"Ineens begonnen buiten katten te blazen en te krijschen en te
jammeren ...."
Dat deze katten in het verhaal voorkomen, is geen wonder. In een
belangrijk percentage der heksensagen speelt de kat een groote rol. Ook
hier is de plaats niet, om de _geschiedenis_ der folklore na te gaan,
teneinde aan te toonen, welke plaats de verandering van mensch in
dier van oudsher in 't volksgeloof heeft ingenomen. [25] Dit hadden
we trouwens reeds eerder bij den weerwolf (manwolf) kunnen doen. Bij
vele heksensagen overheerschte het geloof, dat de heks zich in een kat
verandert; wordt dan de kat bijvoorbeeld door een steen aan den kop
gewond, dan vertoont den volgenden dag het hoofd der heks kwetsuren:
ja, hieraan ziet men dikwijls, dat de vrouw een heks is. Zij kan zich
ook in levenlooze voorwerpen tooveren: een of ander schip wil niet
vertrekken, de knecht wordt woedend, en slaat met den bijl in het hout
... den volgenden dag blijkt het weder, dat een vrouw verwondingen
heeft opgeloopen, welke niet op natuurlijke wijze zijn te verklaren.
In "Het Popje der Heks" leest ge, dat _op een afstand_ een kind wordt
betooverd, en wel geschiedt dit, doordat de tsjoenster in een popje
prikt. Dit staat weder met een eeuwenoud geloof in verband. Kon men
iemand niet rechtstreeks vermoorden, dan pleegde men toovenarij met een
afbeeldsel zijns vijands. Hier vindt men een eigenaardige onlogica,
welke niet dikwijls in dergelijke volksverhalen (die meermalen naïef
zijn, doch volgens strenge logische begrippen worden opgebouwd)
aan te treffen zijn: het popje dient aan den eenen kant, om het kind
(dus een vreemde) te pijnigen, maar als het verbrand wordt, sterft
het kind niet ... doch de heks.
Summa summarum: er zit in deze sage méér dan men oorspronkelijk
zou vermoeden.
Opmerkingen overgenomen uit:Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
speelt ze honderd jaar geleden, toch heb ik ze (evenals Waling
Dijkstra) gepubliceerd. 't Heksengeloof is er nog niet heelemaal uit
en zeker niet 't geloof aan allerlei duivelsche machten. Zóó lees ik
bijvoorbeeld in het "Nieuwsblad van Emmen" van Juni 1915 't verhaal
ontleend aan de A. Ct.: "Het geloof aan heksen en spoken, aan witte
'wiev,' 'glunigen kèrels' en dito honden of hoe die trawanten van den
vorst der duisternis meer mogen heeten, het geloof daaraan mag zoo goed
als verdwenen zijn, [13] de vrees voor Zijn Helsche Majesteit zit er
hier en daar toch nog in. Dat bleek ons dezer dagen op een afgelegen
gehucht op het Ellertsveld. Een paar avonden achtereen hoorde daar een
echtpaar telkens tegen het middernachtelijk uur een geheimzinnig geklop
en dof gehamer op de deel. Dat was natuurlijk het werk van den Booze
of te wel van den 'boksvoot,' die daarmee natuurlijk niet veel goeds
in den zin had en naar alle zekerheid het een of ander groot ongeluk
over het huis zou brengen. Om dat dreigend onheil af te wenden werd den
volgenden dag tegen het vallen van den avond dicht bij den paardenstal,
vanwaar men het angstaanjagend geluid meende te hooren, de Bijbel
neergelegd, geopend bij het 4e hoofdstuk van Mattheus, alwaar wij
lezen, hoe Jezus in de woestijn door den duivel werd verzocht. En na
dien is het weer rustig op de deel als voorheen. De gehoonde verleider
heeft stellig den aftocht geblazen. Mattheus 4 werd hem te machtig.
Nochtans blijft het geopende bijbelboek als _duivelbanner_ [14] daar
nog eenige dagen liggen, want zoo verklaarde ons het vrouwtje in
allen ernst: 'hij wil nog wel eens terugkomen. Dat er eenig verband
kan bestaan tusschen het eindigen van het vreeswekkend geklop en
den verkoop van 't paard op de Norgermarkt j.l. Dinsdag, dat kwam
natuurlijk niet op in de hoofden van 't ongenoemd echtpaar.'"
Tot zoover het Nieuwsblad van Emmen, dat ook in Borger veel wordt
gelezen. Ik weet, dat daar een oude vrouw woont, die wel wonderlijker
verhalen kent dan deze, en die hier weinig om zal lachen.
De heksenvervolging in ons land heeft nooit de vormen aangenomen,
welke zij bijvoorbeeld in Frankrijk (Vauderie), Italië en Duitschland
heeft gekend. De heksenwaag in Oudewater heeft menig verdachte van
den dood gered. Voor hen, die er belang in stellen, geef ik hier een
paar aardige vonnissen en bescheiden.
Utrecht 1417: "Want Isyo, die vroedemoeder, onredelijk saken, alse
toverie ende andere onstantelijke dinghen bedreven ende gedaen heeft,
daarom verbiet men haar de stat 50 jaer lanc naeste comende ende een
mile van der stat te wesen op hoer lijf."
Putten op de Veluwe 1423: "des paepen maagd van Putten, die beruchtiget
was, dat sy heren Aelbert den papen betovert wolde hebben en hoer
kunsten dairtoe besichde, dat gebeterd met 20 rijnsche gulden."
Vonnis van het Hof van Holland 1467: "tegen een oud wijf, die 23
jaren lang na gestolene en verlorene goederen gelesen had, hetwelk
wijchelarij was en tegen het cristelijk geloof, tot pronken op het
schavot en ban."
En hier hebt ge een juweel, van den Zutphenschen burgemeester
Henric here thoe Gehmen uit 't jaar 1491, een schrijven gericht
tot burgemeester en raad van Keulen .... Ja, hier is 't wel tempora
mutantur.
"Eirbare vroeme inde vursichtige, gemynde, lieve vriende. Hyr in deur
lande van Sutphen is eyn tyt van jaren herwertz zere groet ongnade,
verdriet inde schaide geschiet van onweder [15] inde enheben niet waell
rait dair to krijgen moigen, sulkes gestraffet inde uytgerait mochte
werden. Inde altehantz heb ick drossait drie wijffe eyn tyt lanck in
gefencknuss sittende gehat inde noch sitten binnen der stat van Lochem,
die mijn onderdrossait vaste mennigerley heeft laten versuecken mitten
scarprichter, inde doch niet ther lyluge gebrengen en kan, woewaill
die selve wijve dat ganse gemeyn gerucht heben, inde die nabueren baven
inde beneden hen des niet en verlaiten, sy en konnen weder maicken ind
oich seggen sy van veele stonden, dair sy die selven wijve, die eyn
onder syn korn, die ander in seynem stall by syn haive, inde voert der
gelycken, dair sy tovery in vermoeden, befonden heben [16]. Inde ass
men die wijve ter pijnen stelt mit trecken, averhaelen ind barnen an
die hacken [17] ind voert anders, dat geyn harde manspersonen sonder
te lij gen lijden en solden, ind als dat gedain is, so synt sy oer
leeden so mechtig als voer der pijnen. Inde nementlic hefft die eyn
vrou baven in eyn pan mit heyter torffkaelen die eyn reyse voir ind
die ander nae mitten bloeten voeten gain stain [18], inde sacht dat
men dat voir oir onscholt nemen wolde, inde dat en schaiden oir mit
allem niet, dat men sien konde. Men hadde se laeten bescheeren all
omme heer van hair inde deede oir drijncken van den wijwaeter, des
sonnendaiges gewijth was, ind oich aver oir bloete lijff eyn misgewait
an, dair die hoemyss des sonnendages in gedain wass inde sat sy van
der eerden, eer men sy ter pijnen stelde. [19] Inde dit wass van baven
gekomen uit anderer amptlueden versueck, inde hedden gemeynt dat men
dairmede den duvel syn macht benomen ind sye ter lijginge gebracht
solde heben, dan 't en baiten all te maell niet. Inde went wij dan
verstain, dat allduslicker toverijen gelijcken bijnnen off umbtrynt
uwer lieffden stat inde voirt meer baven geschiet is, dair men die
toevenarss inde toeverschen aver ten rechten gestalt inde gebrant
hefft, so were onse zere fruntlicke bede inde begerte, dat uwe erbarn
lyefften onssdair van onderrichtinge bij desen brenger s'brieff so
voell uwen lyeffden wijtlick inde mogelick is, doin scrijven willen,
woe inde in wat manieren men sij ter pijnen stellen sall, ons dair
na in den besten te richten, ind soe dat men sulke ongelove, tovery
inde oveldait verhaiten inde uytraiden mochte. Dair uwe liefften sich
ter eeren gaidz in de waelfairt gueder luede guetwillich in bewijsen
willen, als wij getruwen inde t' anderen tijden gerne, dar wij konnen,
verschulden enz."
Geadresseerd aan: Den eirbaren vroemen inde voirsichtigen
borgemeistern, scepen inde raide der stait Colne, unsen gemijnden
lieven frunden. [20]
Terwijl in ons land het volksgeloof taai het begrip "heks" heeft
vastgehouden--zoodat het nog niet als uitgestorven is te beschouwen
(Drente, Friesland), kan men er hen, die de massa leiden, geen verwijt
van maken, _in 't algemeen_, dat ze op ruwe wijze tegen de ongelukkigen
te keer zijn gegaan. Niet, dat Bekker's "Betooverde Wereld," welke
op krachtdadige wijze het bijgeloof bestreed, geen tegenkanting
ondervond--doch in niet vele landen vindt men lichtelijk zoo weinig
vervolging van overheidswege. Er zijn er, die dit aan den invloed van
het Protestantisme toeschrijven, maar dit schijnt mij minder juist toe,
om redenen, die mij te ver buiten mijn beknopte "Aanteekeningen" zouden
voeren, doch die het verband zouden aantoonen, welke de Katholieke
Kerk in de Middeleeuwen legde tusschen ketterij en toovenarij. In
't kort zij gezegd, dat de verhouding van het Katholicisme tegenover
de hekserij in de middeleeuwen anders was dan van het Protestantisme
tegenover de hekserij in de 17e en 18e eeuw, zoodat deze beide niet
met elkander zijn te vergelijken. Bovendien heeft men nog het treurig
proces tegen de heks van Glarus (Zwitserland) in 1781, [21] waardoor
men tot de overtuiging komt, dat ook een Protestansche overheid niet
vrij van bloedschuld is.
In Engeland was 't o.a. Reinald Scot, die tegen de heksenvervolgingen
schreef, en zijn werk werd tot "ghemein oorbaar" in 't Nederlandsch
vertaald door Thomas Basson. [22] Deze voegde hier ook bij o.a.
"T' Gevoelen van de Heeren Professooren der Universiteyt tot Leyden,
nopende de proeve der Toveressen in 't waeter."
De hooggeleerde heeren deden, d.w.z. zoover zij behoorden tot de
faculteiten der Medicijnen en Philosophie, ten verzoeke van het Hof
van Holland uitspraak in een twijfelachtige zaak ....
Aanwezig waren:
Doktor Johannes Heurnius, Rector Academiae en Professor Medicinae.
Doktor Gerardus Bontius, Professor Medicinae.
Doktor Petrus Pauw, Professor Medicinae.
Antonius Trutius, Professor Philosophae.
Petrus Molenaeus, Professor Philosophae.
Wat was deze twijfelachtige zaak, die de Professoren den negenden
dach january des jaers 1594 tezamen bracht?
Of de toovenaressen, [23] waersegsters etc. door haar swerte kunst
ofte schandelijcke oeffeninghe sulck een bijsonder kracht hebben, dat
wanneer zij crucelinckx aen handen ende in het waeter geworpen zijnde,
de selvighe niet ondergaen ende sincken, maer op het waeter drijven:
Dan off hier onder eenighe natuerlijcke oorsaeck verborghen is."
Het strekt de Nederlandsche wetenschap tot eere, dat de heeren
professoren der Leidsche Universiteit alreeds in 't jaar 1594 zulk een
nuchtere uitspraak hebben gegeven, en zich zoo objectief tegenover
't vraagstuk hebben gesteld. Ik voor mij zie in de "nuchterheid"
der autoriteiten en publicisten van oudsher, een nuchterheid, welke
zelfs in den brief des Zutphenschen burgemeesters tot uitdrukking
komt, eigenlijk de reden, waarom hier van buitensporigheden geen
sprake kan zijn. Hebben wij al in de 16e eeuw deze nuchterheid te
constateeren, in de 17e wordt de strijd voortgezet en in 't midden
der 19e eeuw voert M. D. Teenstra in zijn "Volksverhalen en Legenden"
de nuchterheid tot het uiterste, door met alle mystiek te spotten en
al het bovenzinnelijke te betwijfelen. _Zijne_ nuchterheid echter,
die bijvoorbeeld tot onnoemelijk na deel van de Kunst in ons land
heeft gestrekt, is de arme, ongelukkige vrouwen [24] ten goede
gekomen. Een nadeel echter der nuchterheid is, gelijk ik op mijn
tochten heb ondervonden, dat allerlei betweters langzamerhand de
volkspoëzie hebben vermoord. Deze Hollandsche geest heeft altijd
eenigszins vijandig tegenover kunst en kunstenaar gestaan.
Er moet ten opzichte der sage "Het Popje der Heks" nog iets anders
worden opgemerkt. Men zal op bladzijde 59 onderaan, lezen:
"Ineens begonnen buiten katten te blazen en te krijschen en te
jammeren ...."
Dat deze katten in het verhaal voorkomen, is geen wonder. In een
belangrijk percentage der heksensagen speelt de kat een groote rol. Ook
hier is de plaats niet, om de _geschiedenis_ der folklore na te gaan,
teneinde aan te toonen, welke plaats de verandering van mensch in
dier van oudsher in 't volksgeloof heeft ingenomen. [25] Dit hadden
we trouwens reeds eerder bij den weerwolf (manwolf) kunnen doen. Bij
vele heksensagen overheerschte het geloof, dat de heks zich in een kat
verandert; wordt dan de kat bijvoorbeeld door een steen aan den kop
gewond, dan vertoont den volgenden dag het hoofd der heks kwetsuren:
ja, hieraan ziet men dikwijls, dat de vrouw een heks is. Zij kan zich
ook in levenlooze voorwerpen tooveren: een of ander schip wil niet
vertrekken, de knecht wordt woedend, en slaat met den bijl in het hout
... den volgenden dag blijkt het weder, dat een vrouw verwondingen
heeft opgeloopen, welke niet op natuurlijke wijze zijn te verklaren.
In "Het Popje der Heks" leest ge, dat _op een afstand_ een kind wordt
betooverd, en wel geschiedt dit, doordat de tsjoenster in een popje
prikt. Dit staat weder met een eeuwenoud geloof in verband. Kon men
iemand niet rechtstreeks vermoorden, dan pleegde men toovenarij met een
afbeeldsel zijns vijands. Hier vindt men een eigenaardige onlogica,
welke niet dikwijls in dergelijke volksverhalen (die meermalen naïef
zijn, doch volgens strenge logische begrippen worden opgebouwd)
aan te treffen zijn: het popje dient aan den eenen kant, om het kind
(dus een vreemde) te pijnigen, maar als het verbrand wordt, sterft
het kind niet ... doch de heks.
Summa summarum: er zit in deze sage méér dan men oorspronkelijk
zou vermoeden.
Opmerkingen overgenomen uit:Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Peinhexe quält einen Menschen mit einer Puppe, in welche sie Nadeln steckt.
Naam Overig in Tekst
Sneekerpoort   
Basilisk   
het Hoog   
de Valk   
Naam Locatie in Tekst
Witheerensteeg   
Bolsward   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
