Hoofdtekst
De Roode Hemdrok
De vrouw van den predikant in Pietersbierum lag ziek te bed, en ze kon
niet slapen. Ze woelde heen en weer, en ze bad om slaap, die haar kon
doen vergeten. Wat wilde ze anders dan vergeten, buiten deze wereld
van pijn en zorg zijn, al ware het slechts enkele uren? Haar oogen
waren wijd-geopend, en ziet! daar spalkte de nacht uiteen.
Midden in de kamer stond een doodkist.
Ze stond op, om te weten, wie gestorven was en ze naderde de kist. Wie
lag erin? Zijzelve.
"Moet ik sterven?" dacht ze, en ze wekte haar man.
"Kijk de kist in de kamer," zei ze. De man richtte zich iets op,
en staarde den nacht in, welke voor hem niets was dan het duisterste
duister.
"Wat moet ik zien?" vroeg hij verwonderd. Ze antwoordde, in 't midden
der kamer staande:
"Deze baar, waarin ik als lijk lig." Hij werd kwaad, en zei korzelig:
"Je verbeeldt je mooie dingen! Schaam je, en ga slapen."
Langzaam liep ze naar haar bed terug, doch ze wendde zich, zoodra ze
weer lag, met het gezicht naar de kist, welke bleef staan. Ze dacht:
"Dus moet ik sterven."
En ze sliep niet. Korten tijd daarna kwam een man binnen. Hij was
gekleed in een rooden hemdrok. Hij bleef even zwijgend staan, en
schreed toen rustig naar den schoorsteenmantel. Hij boog zich iets
voorover, en ze bemerkte, dat hij iets van den schoorsteenmantel nam,
een paar dingen van ijzer. Ze richtte zich iets op, om beter te kunnen
zien. Wat waren het? Een paar schroeven. De man in den rooden hemdrok
trad statig op de kist toe, en maakte het deksel vast. Iemand--ze
onderscheidde niet wie--legde op de dichte baar een witten doek. De
dragers kwamen binnen en de kist werd weggedragen.
Toen werd alles stil en duister en gewoon. Wakende wachtte ze den dag
af, welke zonder geheimen was. Haar man haalde zijn schouders op, toen
ze hem had verteld, hoe de man met zijn rooden hemdrok had gehandeld,
en hij zei:
"Zulk een man is er in Pietersbierum niet. Hoe zou hij dus ooit de
doodkist kunnen dichtnagelen. Zet zulke beelden uitje hoofd." De
vrouw echter antwoordde:
"Het was waar, zooals ik jou zie."
Eenigen tijd later werd haar een zoon geboren, en men droeg hem naar
de kerk in een roode kapruft. Hij werd gedoopt, en nadat men aan het
doopmaal zich had verzadigd, zeide de predikant lachend, want hij
geloofde niet in de werkelijkheid van een droom: "Was dit niet de man
in den rooden hemdrok, die je lijkkist heeft dichtgeslagen? Kom! dat
zal 't wel geweest zijn?" Ze staarde hem met groote oogen aan, en
zweeg. Hij spotte nog even ten haren koste, maar ze legde de handen
in haar schoot.
Hij meende, dat ze wel in stilte de dwaasheid van haar geloof beleed,
en hij kwam niet meer op haar woorden terug. Het duurde echter lang,
of men hoorde, dat er in het dorp een nieuwe timmerman was komen wonen.
Deze was gekleed in een rooden hemdrok.
Men zag hem ook niet anders dan in den rooden hemdrok.
In zijn werkplaats en op straat droeg hij den rooden hemdrok.
Ze kwam hem tegen, en legde de hand voor haar oogen, gelijk vele
menschen doen, die binnen hun geest een herinnering aanschouwen. En
ze zeide:
"Dat is de man."
Echter praatte ze er niet meer over. Een jaar later stierf ze.
De predikant wilde niet, dat haar droom tot waarheid werd, en hij
beval:
"Breng de kist in een andere kamer."
Men wilde hieraan voldoen, en twee dragers namen de kist. De gang
echter was nauw, en men stiet de baar bij het draaien tegen den
muur. Een der dragers zei:
"De kist kunnen we nergens anders krijgen. De kist moet hier blijven
staan."
Ze droegen ze naar 't midden van het vertrek. Daar bleef ze, gelijk
de vrouw ze had gezien.
Haar lijk lag in de kist. Het deksel was er nog niet op geschroefd. De
predikant riep:
"Leg de schroeven niet op den schoorsteenmantel. Leg de schroeven op
de vensterbank."
"De man met den rooden hemrok trad binnen. Hij bleef op den drempel
staan.
"Ik zal de kist dicht-schroeven," zei hij.
Hij ging naar den schoorsteenmantel. Ja, men had de schroeven op
de vensterbank gelegd, doch een paar waren er blijven liggen. Deze
nam hij.
Hij liep op kist toe. Met de schroeven, welke hij op den
schoorsteenmantel had gevonden, deed hij het deksel op de
kist. Iedereen zag het. De predikant riep:
"Er mag geen witte doek op de kist." Allen knikten met 't
hoofd. Niemand zou een witte doek op de kist spreiden.
Juist wilde men vertrekken toen nog een vrouw binnentrad. Ze keek
naar de kist.
"Dat is niet in orde," dacht ze. "Zoo zullen we dominé's vrouw niet
uitleiden."
Ze nam haar witte zakdoek en spreidde deze vroom over de kist.
Allen bogen het hoofd, angstig en berustend tegelijkertijd om het
wonder, dat 's menschen leven is.
De vrouw van den predikant in Pietersbierum lag ziek te bed, en ze kon
niet slapen. Ze woelde heen en weer, en ze bad om slaap, die haar kon
doen vergeten. Wat wilde ze anders dan vergeten, buiten deze wereld
van pijn en zorg zijn, al ware het slechts enkele uren? Haar oogen
waren wijd-geopend, en ziet! daar spalkte de nacht uiteen.
Midden in de kamer stond een doodkist.
Ze stond op, om te weten, wie gestorven was en ze naderde de kist. Wie
lag erin? Zijzelve.
"Moet ik sterven?" dacht ze, en ze wekte haar man.
"Kijk de kist in de kamer," zei ze. De man richtte zich iets op,
en staarde den nacht in, welke voor hem niets was dan het duisterste
duister.
"Wat moet ik zien?" vroeg hij verwonderd. Ze antwoordde, in 't midden
der kamer staande:
"Deze baar, waarin ik als lijk lig." Hij werd kwaad, en zei korzelig:
"Je verbeeldt je mooie dingen! Schaam je, en ga slapen."
Langzaam liep ze naar haar bed terug, doch ze wendde zich, zoodra ze
weer lag, met het gezicht naar de kist, welke bleef staan. Ze dacht:
"Dus moet ik sterven."
En ze sliep niet. Korten tijd daarna kwam een man binnen. Hij was
gekleed in een rooden hemdrok. Hij bleef even zwijgend staan, en
schreed toen rustig naar den schoorsteenmantel. Hij boog zich iets
voorover, en ze bemerkte, dat hij iets van den schoorsteenmantel nam,
een paar dingen van ijzer. Ze richtte zich iets op, om beter te kunnen
zien. Wat waren het? Een paar schroeven. De man in den rooden hemdrok
trad statig op de kist toe, en maakte het deksel vast. Iemand--ze
onderscheidde niet wie--legde op de dichte baar een witten doek. De
dragers kwamen binnen en de kist werd weggedragen.
Toen werd alles stil en duister en gewoon. Wakende wachtte ze den dag
af, welke zonder geheimen was. Haar man haalde zijn schouders op, toen
ze hem had verteld, hoe de man met zijn rooden hemdrok had gehandeld,
en hij zei:
"Zulk een man is er in Pietersbierum niet. Hoe zou hij dus ooit de
doodkist kunnen dichtnagelen. Zet zulke beelden uitje hoofd." De
vrouw echter antwoordde:
"Het was waar, zooals ik jou zie."
Eenigen tijd later werd haar een zoon geboren, en men droeg hem naar
de kerk in een roode kapruft. Hij werd gedoopt, en nadat men aan het
doopmaal zich had verzadigd, zeide de predikant lachend, want hij
geloofde niet in de werkelijkheid van een droom: "Was dit niet de man
in den rooden hemdrok, die je lijkkist heeft dichtgeslagen? Kom! dat
zal 't wel geweest zijn?" Ze staarde hem met groote oogen aan, en
zweeg. Hij spotte nog even ten haren koste, maar ze legde de handen
in haar schoot.
Hij meende, dat ze wel in stilte de dwaasheid van haar geloof beleed,
en hij kwam niet meer op haar woorden terug. Het duurde echter lang,
of men hoorde, dat er in het dorp een nieuwe timmerman was komen wonen.
Deze was gekleed in een rooden hemdrok.
Men zag hem ook niet anders dan in den rooden hemdrok.
In zijn werkplaats en op straat droeg hij den rooden hemdrok.
Ze kwam hem tegen, en legde de hand voor haar oogen, gelijk vele
menschen doen, die binnen hun geest een herinnering aanschouwen. En
ze zeide:
"Dat is de man."
Echter praatte ze er niet meer over. Een jaar later stierf ze.
De predikant wilde niet, dat haar droom tot waarheid werd, en hij
beval:
"Breng de kist in een andere kamer."
Men wilde hieraan voldoen, en twee dragers namen de kist. De gang
echter was nauw, en men stiet de baar bij het draaien tegen den
muur. Een der dragers zei:
"De kist kunnen we nergens anders krijgen. De kist moet hier blijven
staan."
Ze droegen ze naar 't midden van het vertrek. Daar bleef ze, gelijk
de vrouw ze had gezien.
Haar lijk lag in de kist. Het deksel was er nog niet op geschroefd. De
predikant riep:
"Leg de schroeven niet op den schoorsteenmantel. Leg de schroeven op
de vensterbank."
"De man met den rooden hemrok trad binnen. Hij bleef op den drempel
staan.
"Ik zal de kist dicht-schroeven," zei hij.
Hij ging naar den schoorsteenmantel. Ja, men had de schroeven op
de vensterbank gelegd, doch een paar waren er blijven liggen. Deze
nam hij.
Hij liep op kist toe. Met de schroeven, welke hij op den
schoorsteenmantel had gevonden, deed hij het deksel op de
kist. Iedereen zag het. De predikant riep:
"Er mag geen witte doek op de kist." Allen knikten met 't
hoofd. Niemand zou een witte doek op de kist spreiden.
Juist wilde men vertrekken toen nog een vrouw binnentrad. Ze keek
naar de kist.
"Dat is niet in orde," dacht ze. "Zoo zullen we dominé's vrouw niet
uitleiden."
Ze nam haar witte zakdoek en spreidde deze vroom over de kist.
Allen bogen het hoofd, angstig en berustend tegelijkertijd om het
wonder, dat 's menschen leven is.
Onderwerp
SINSAG 0489   
Beschrijving
Een vrouw droomt over haar eigen dood: ze ziet zichzelf in een kist liggen die vervolgens door een man in een rode hemdrok wordt dichtgeschroefd. Daarna legt iemand anders een witte doek op haar kist. Iedereen, zelfs haar man, doet haar droom af als onzin. Een jaar nadat een timmerman met een rode hemdrok in het dorp komt wonen sterft de vrouw. Kist kan niet in andere kamer, toch schroeven van vensterbank gebruikt, toch witte doek over kist
Bron
Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
p. 64
p. 64
Commentaar
1918
DE ROODE HEMDROK (blz. 64-67). Talloos zijn in het Noorden des lands,
de provinciën Drenthe, Friesland en Groningen deze "voorloop"-sagen,
minder in aantal de "naloop." (Wanneer iemand iets ziet, dat nog
gebeuren zal, bijvoorbeeld een brand of een begrafenis, wordt 't
"voorloop" genaamd; komt de een of andere persoon naspoken, zooals
b.v. in de "Plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom" of "Mooi-Ann" dan heet 't
"naloop.") Het meest zijn zij op den "voorloop" aangewezen, die met den
helm geboren zijn. 't Beste is, wanneer een kind hiermede geboren is,
den helm tot asch te verbranden, anders behoudt dit zijn leven lang
de gave, steeds ongeluk vooruit te zien, gelijk Cassandra. Sommige
schippers echter probeeren zich van een ongeschonden helm meester
te maken, waarvoor zij een groote som gelds over hebben, daar deze
hun een gelukkige vaart verzekert. Aldus is het geen wonder, dat
volgens 't volksgeloof vele ouders ertoe overgaan den helm van de
hand te doen, waardoor menigeen tot zijn eeuwig ongeluk de gave der
"voorloop" krijgt.
Nu is de sage der "Roode Hemdrok," welke mij in Leeuwarden werd verteld
(zooals dit meer voorkomt, trof ik ze later gedrukt aan, en wel bij
Waling Dijkstra: een teleurstelling in zekere mate) hierom des te
treffender, omdat de vrouw haar eigen doodkist ziet.
Teenstra deelt mede als voorbeelden van voorloop:
"Hier zag men in eene kamer eene doodkist onder de vensterbanken, van
vele menschen in rouwgewaad omgeven, waaronder schreiende en zuchtende
nabestaanden; daar zag men een lijkstaatsie langs den weg passeeren;
ginds een begrafenisfeest aan eene wel voorziene tafel; daar zag men
eenen hevigen brand; daar soldaten, hooge watersnood, die zag een
schip vergaan; daar vertoonde zich een spookgestalte, in lijkgewaad,
op het kerkhof, op welke plaats spoedig iemand moest worden begraven."
En verder:
"De voorverschijningen van brand zijn in Noord-Nederland zeer
algemeen."
Nu heb ik inderdaad zoowel de "koude voorloop" (dood) als de "warme
voorloop" (brand) algemeen in de Noordelijke provinciën aangetroffen
(hierover nader); echter niet de voorloop van watersnood en oorlog,
zelfs niet in 1914. Het kan daarom wel zijn, dat deze "voorloop" heeft
bestaan, en ik verzoek hen, die mij hierover iets kunnen mededeelen,
mij dit te berichten.
Hoe vindt nu zulk een voorloop plaats?
Ge ziet op een eenzamen weg een man staan, die uren lang op
dezelfde plek blijft. Zoo ge u terzijde van hem stelt, zal hij niets
zeggen. Eerst ten leste, als hij op 't punt is, om te vertrekken,
kunt ge hem vragen, welken voorloop hij heeft gehad.
"Ik heb dat huis in brand gezien" of:
"Daar kwam een lijkkoets uit met een zwart (of bruin) en wit
paard" (Waling Dijkstra; in Midwolde en Borger vond ik dezelfde
overlevering). [26]
Een enkel maal grijpt u de man, die den voorloop heeft, bij den arm,
hevig verschrikt roepend:
"Uit den weg--uit den weg--daar komt een begrafenisstoet aan."
En dan duurt 't niet lang, of iemand wordt uit 't huis, waar dit
geschiedt, naar zijn laatste rustplaats gedragen.
In Drenthe is 't op sommige plaatsen eenigszins anders. Daar heeft men
de "koude" en de "warme" voorloop. Zij, die over de gave beschikken,
_zien steeds een woning in brand staan_, als ze 't gezicht hebben (dus
begrafeniskoetsen enz. ontdekken ze niet). Als ze nu de hand leggen op
een muur van 't brandende huis, zal deze koud of warm aanvoelen. Is
de muur koud, dan zal er in de woning iemand sterven. Is ze warm,
dan komt er brand.
Teenstra, die met de Noord-Nederlandsche mystiek vrij-goed op de hoogte
was (hoewel hij er te veel om heeft gelachen, wat waarschijnlijk de
bevolking niet zeer vertrouwelijk ten zijnen opzichte heeft gestemd)
noemt ook nog sagen van het "voorgevoel," welke ik niet in dezen
bundel heb opgenomen. Bijvoorbeeld:
"Iemand wil niet met een bepaald schip vertrekken, daar hij gevoelt,
dat het zal vergaan. Inderdaad gebeurt dit."
Teenstra kent ook nog de "gelijktijdige verschijning" en meldt hiervan
't volgende:
"Zoo gebeurde het ook eens, terwijl ik mij als passagier aan boord
van Z. M. Fregat van Oorlog, de Eurydice, bevond, zijnde in 1827, op
mijne terugreis van Batavia, dat onze kommandant, J. F. C. Wardenburg,
terwijl wij ons beoosten Kaap de Goede Hoop, in de Indische Zee
bevonden, mij des nachts kwam porren (wekken), zeggende niet te
kunnen slapen; op verzoek van den waardigen kolonel opgestaan zijnde,
deed hij mij, onder een sigaartje, verslag (te lang om hier mede
te deelen) wat hij gezien en gehoord had, en of ik nu al beweerde,
dat hij eenen benauwenden droom gehad had, hij beweerde bij kris
en kras, dat hij goed wakker en zeer duidelijk gezien en gehoord,
"dat zijne moeder, wonende in het Oldenburgsche, te Elsfleet aan den
Wezer, op haar doodsbed lag, en zich, stervende aan zijnen jongeren
broeder had beklaagd, dat zij voor haar verscheiden, ook nog niet
haren zoon Johan, indien deze nog leefde (zijnde de kolonel zelf)
had mogen zien, dat enz." In den herfst van dit zelfde jaar kwam de
kommissionair Hendericus Venhuizen, mij te Baflo, waar ik toen woonde,
zeggen, dat er een Heer bij Bulsing, in de doelen, te Groningen,
logeerde, die mij gaarne wenschte te spreken, of ik morgen niet in de
stad zoude kunnen komen; hieraan voldoende, ontmoette ik den kolonel
Wardenburg, die mij, terwijl wij aan het dessert zaten, verhaalde,
dat op denzelfden nacht van het voormelde verschijnsel of voorgevoel,
zijne moeder te Elsfleet overleden was, en aan zijnen broeder bij
herhaling gezegd had, dat zij hem (den kolonel) voor haar sterven
nog zoo gaarne eens weder gezien had, met alle de verdere daarbij
plaats gehad hebbende omstandigheden, zooals hij die aan boord,
in het zuidelijk halfrond gehoord en gezien had."
Met den "voorloop" in verband staat het verschijnsel, dat algemeen
bekend is. Terwijl men b.v. over den weg gaat, denkt men aan iemand,
wiens aanwezigheid men nooit zou kunnen vermoeden; onmiddellijk daarna
ontmoet men de persoon, over wie men zoo juist heeft gepeinsd. Ook
zien sommige menschen lichtjes op plaatsen, waar later huizen worden
gebouwd of een kanaal zal worden gegraven (Borger), of hooren een dof,
ondergrondsch gedreun op de plek, waar later een spoorweg zal worden
aangelegd (Drenthe, Limburg!!!) Verschillende mijner lezers kunnen
waarschijnlijk in hun omgeving de door mij medegedeelde feiten met
andere vermeerderen.
Wat de "voorloop-sagen" betreft, hier doet zich steeds iets zeer
eigenaardigs bij voor. Het geval is in de volksverbeelding of liever
in den volksgeest [27] zóó gesteld, dat er aan de uitkomst der
voorspelling groote moeielijkheden zijn verbonden. Men bemerkt het
in de overlevering van den "rooden hemdrok." In Pietersbierum woont
de vrouw van een dominé, die ziet, dat een man in rooden hemdrok haar
doodskist dichtspijkert. Er woont echter niemand in het dorp, die op
zoo in 't oog vallende wijze gekleed is, en daarom gelooft men haar
niet. Als zich een timmerman, die altijd in een rooden hemdrok over de
straat gaat, in het dorp heeft gevestigd, begint er angst te ontstaan,
dat de voorspelling uit zal komen, en als de vrouw gestorven is,
neemt de predikant zijn maatregelen, dat de kist naar een andere kamer
zal worden vervoerd, dat er geen schroeven op den schoorsteenmantel
liggen, dat niemand een witte doek op de doodkist zal spreiden. En
toch geschiedt het alles, zooals de vrouw gedroomd heeft.
Neem een andere "voorloop-sage," die van Opende (deze is tot dusver
nog niet behandeld):
"Een man wordt 's nachts wakker, en staat op, daar hij niet kan
slapen. Hij begeeft zich naar de deur zijner woning, en staart in 't
donker. Plots ziet hij een lijkkoets over den weg, die heel langzaam
zijns weegs gaat. De man denkt bij zichzelf:
"Dat kan nooit werkelijkheid worden. Nimmer toch wordt er 's nachts
iemand begraven."
Eenige weken later breekt er in Opende een besmettelijke ziekte uit,
die daar en in den omtrek zóóvelen doet sterven, dat men ook's nachts
moet begraven. Op dezelfde plek, waar de man de lijkkoets heeft gezien,
gaat de treurige stoet voorbij."
"Een ander, in Midwolde en in Borger, staat des avonds voor zich uit
te turen, en bemerkt, dat er iemand begraven zal worden, getrokken
door een wit en zwart (bruin) paard. Geen mensch gelooft het. Wie
zal nu ook iemand ter laatste rustplaatse doen leiden ... door een
schimmel gevoerd?
Inderdaad sterft de man, die door den ziener is aangewezen, en men
spant twee zwarte paarden voor den wagen. Het _zal_ niet uitkomen,
wat de profeet gezegd heeft. Maar wat geschiedt er? Een der zwarte
paarden breekt zijn poot, en men moet zich wel met een ander paard
behelpen, dat een schimmel is."
Aldus is er in de voorloop-sagen een huiveringwekkende noodwendigheid
te bespeuren, het zuiverste fatalisme, dat ik ken. Wel is een Macht
achter alle feiten, doch deze is naamloos en genadeloos.
Opmerkingen overgenomen uit: Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
de provinciën Drenthe, Friesland en Groningen deze "voorloop"-sagen,
minder in aantal de "naloop." (Wanneer iemand iets ziet, dat nog
gebeuren zal, bijvoorbeeld een brand of een begrafenis, wordt 't
"voorloop" genaamd; komt de een of andere persoon naspoken, zooals
b.v. in de "Plaatsmajoor van Bergen-op-Zoom" of "Mooi-Ann" dan heet 't
"naloop.") Het meest zijn zij op den "voorloop" aangewezen, die met den
helm geboren zijn. 't Beste is, wanneer een kind hiermede geboren is,
den helm tot asch te verbranden, anders behoudt dit zijn leven lang
de gave, steeds ongeluk vooruit te zien, gelijk Cassandra. Sommige
schippers echter probeeren zich van een ongeschonden helm meester
te maken, waarvoor zij een groote som gelds over hebben, daar deze
hun een gelukkige vaart verzekert. Aldus is het geen wonder, dat
volgens 't volksgeloof vele ouders ertoe overgaan den helm van de
hand te doen, waardoor menigeen tot zijn eeuwig ongeluk de gave der
"voorloop" krijgt.
Nu is de sage der "Roode Hemdrok," welke mij in Leeuwarden werd verteld
(zooals dit meer voorkomt, trof ik ze later gedrukt aan, en wel bij
Waling Dijkstra: een teleurstelling in zekere mate) hierom des te
treffender, omdat de vrouw haar eigen doodkist ziet.
Teenstra deelt mede als voorbeelden van voorloop:
"Hier zag men in eene kamer eene doodkist onder de vensterbanken, van
vele menschen in rouwgewaad omgeven, waaronder schreiende en zuchtende
nabestaanden; daar zag men een lijkstaatsie langs den weg passeeren;
ginds een begrafenisfeest aan eene wel voorziene tafel; daar zag men
eenen hevigen brand; daar soldaten, hooge watersnood, die zag een
schip vergaan; daar vertoonde zich een spookgestalte, in lijkgewaad,
op het kerkhof, op welke plaats spoedig iemand moest worden begraven."
En verder:
"De voorverschijningen van brand zijn in Noord-Nederland zeer
algemeen."
Nu heb ik inderdaad zoowel de "koude voorloop" (dood) als de "warme
voorloop" (brand) algemeen in de Noordelijke provinciën aangetroffen
(hierover nader); echter niet de voorloop van watersnood en oorlog,
zelfs niet in 1914. Het kan daarom wel zijn, dat deze "voorloop" heeft
bestaan, en ik verzoek hen, die mij hierover iets kunnen mededeelen,
mij dit te berichten.
Hoe vindt nu zulk een voorloop plaats?
Ge ziet op een eenzamen weg een man staan, die uren lang op
dezelfde plek blijft. Zoo ge u terzijde van hem stelt, zal hij niets
zeggen. Eerst ten leste, als hij op 't punt is, om te vertrekken,
kunt ge hem vragen, welken voorloop hij heeft gehad.
"Ik heb dat huis in brand gezien" of:
"Daar kwam een lijkkoets uit met een zwart (of bruin) en wit
paard" (Waling Dijkstra; in Midwolde en Borger vond ik dezelfde
overlevering). [26]
Een enkel maal grijpt u de man, die den voorloop heeft, bij den arm,
hevig verschrikt roepend:
"Uit den weg--uit den weg--daar komt een begrafenisstoet aan."
En dan duurt 't niet lang, of iemand wordt uit 't huis, waar dit
geschiedt, naar zijn laatste rustplaats gedragen.
In Drenthe is 't op sommige plaatsen eenigszins anders. Daar heeft men
de "koude" en de "warme" voorloop. Zij, die over de gave beschikken,
_zien steeds een woning in brand staan_, als ze 't gezicht hebben (dus
begrafeniskoetsen enz. ontdekken ze niet). Als ze nu de hand leggen op
een muur van 't brandende huis, zal deze koud of warm aanvoelen. Is
de muur koud, dan zal er in de woning iemand sterven. Is ze warm,
dan komt er brand.
Teenstra, die met de Noord-Nederlandsche mystiek vrij-goed op de hoogte
was (hoewel hij er te veel om heeft gelachen, wat waarschijnlijk de
bevolking niet zeer vertrouwelijk ten zijnen opzichte heeft gestemd)
noemt ook nog sagen van het "voorgevoel," welke ik niet in dezen
bundel heb opgenomen. Bijvoorbeeld:
"Iemand wil niet met een bepaald schip vertrekken, daar hij gevoelt,
dat het zal vergaan. Inderdaad gebeurt dit."
Teenstra kent ook nog de "gelijktijdige verschijning" en meldt hiervan
't volgende:
"Zoo gebeurde het ook eens, terwijl ik mij als passagier aan boord
van Z. M. Fregat van Oorlog, de Eurydice, bevond, zijnde in 1827, op
mijne terugreis van Batavia, dat onze kommandant, J. F. C. Wardenburg,
terwijl wij ons beoosten Kaap de Goede Hoop, in de Indische Zee
bevonden, mij des nachts kwam porren (wekken), zeggende niet te
kunnen slapen; op verzoek van den waardigen kolonel opgestaan zijnde,
deed hij mij, onder een sigaartje, verslag (te lang om hier mede
te deelen) wat hij gezien en gehoord had, en of ik nu al beweerde,
dat hij eenen benauwenden droom gehad had, hij beweerde bij kris
en kras, dat hij goed wakker en zeer duidelijk gezien en gehoord,
"dat zijne moeder, wonende in het Oldenburgsche, te Elsfleet aan den
Wezer, op haar doodsbed lag, en zich, stervende aan zijnen jongeren
broeder had beklaagd, dat zij voor haar verscheiden, ook nog niet
haren zoon Johan, indien deze nog leefde (zijnde de kolonel zelf)
had mogen zien, dat enz." In den herfst van dit zelfde jaar kwam de
kommissionair Hendericus Venhuizen, mij te Baflo, waar ik toen woonde,
zeggen, dat er een Heer bij Bulsing, in de doelen, te Groningen,
logeerde, die mij gaarne wenschte te spreken, of ik morgen niet in de
stad zoude kunnen komen; hieraan voldoende, ontmoette ik den kolonel
Wardenburg, die mij, terwijl wij aan het dessert zaten, verhaalde,
dat op denzelfden nacht van het voormelde verschijnsel of voorgevoel,
zijne moeder te Elsfleet overleden was, en aan zijnen broeder bij
herhaling gezegd had, dat zij hem (den kolonel) voor haar sterven
nog zoo gaarne eens weder gezien had, met alle de verdere daarbij
plaats gehad hebbende omstandigheden, zooals hij die aan boord,
in het zuidelijk halfrond gehoord en gezien had."
Met den "voorloop" in verband staat het verschijnsel, dat algemeen
bekend is. Terwijl men b.v. over den weg gaat, denkt men aan iemand,
wiens aanwezigheid men nooit zou kunnen vermoeden; onmiddellijk daarna
ontmoet men de persoon, over wie men zoo juist heeft gepeinsd. Ook
zien sommige menschen lichtjes op plaatsen, waar later huizen worden
gebouwd of een kanaal zal worden gegraven (Borger), of hooren een dof,
ondergrondsch gedreun op de plek, waar later een spoorweg zal worden
aangelegd (Drenthe, Limburg!!!) Verschillende mijner lezers kunnen
waarschijnlijk in hun omgeving de door mij medegedeelde feiten met
andere vermeerderen.
Wat de "voorloop-sagen" betreft, hier doet zich steeds iets zeer
eigenaardigs bij voor. Het geval is in de volksverbeelding of liever
in den volksgeest [27] zóó gesteld, dat er aan de uitkomst der
voorspelling groote moeielijkheden zijn verbonden. Men bemerkt het
in de overlevering van den "rooden hemdrok." In Pietersbierum woont
de vrouw van een dominé, die ziet, dat een man in rooden hemdrok haar
doodskist dichtspijkert. Er woont echter niemand in het dorp, die op
zoo in 't oog vallende wijze gekleed is, en daarom gelooft men haar
niet. Als zich een timmerman, die altijd in een rooden hemdrok over de
straat gaat, in het dorp heeft gevestigd, begint er angst te ontstaan,
dat de voorspelling uit zal komen, en als de vrouw gestorven is,
neemt de predikant zijn maatregelen, dat de kist naar een andere kamer
zal worden vervoerd, dat er geen schroeven op den schoorsteenmantel
liggen, dat niemand een witte doek op de doodkist zal spreiden. En
toch geschiedt het alles, zooals de vrouw gedroomd heeft.
Neem een andere "voorloop-sage," die van Opende (deze is tot dusver
nog niet behandeld):
"Een man wordt 's nachts wakker, en staat op, daar hij niet kan
slapen. Hij begeeft zich naar de deur zijner woning, en staart in 't
donker. Plots ziet hij een lijkkoets over den weg, die heel langzaam
zijns weegs gaat. De man denkt bij zichzelf:
"Dat kan nooit werkelijkheid worden. Nimmer toch wordt er 's nachts
iemand begraven."
Eenige weken later breekt er in Opende een besmettelijke ziekte uit,
die daar en in den omtrek zóóvelen doet sterven, dat men ook's nachts
moet begraven. Op dezelfde plek, waar de man de lijkkoets heeft gezien,
gaat de treurige stoet voorbij."
"Een ander, in Midwolde en in Borger, staat des avonds voor zich uit
te turen, en bemerkt, dat er iemand begraven zal worden, getrokken
door een wit en zwart (bruin) paard. Geen mensch gelooft het. Wie
zal nu ook iemand ter laatste rustplaatse doen leiden ... door een
schimmel gevoerd?
Inderdaad sterft de man, die door den ziener is aangewezen, en men
spant twee zwarte paarden voor den wagen. Het _zal_ niet uitkomen,
wat de profeet gezegd heeft. Maar wat geschiedt er? Een der zwarte
paarden breekt zijn poot, en men moet zich wel met een ander paard
behelpen, dat een schimmel is."
Aldus is er in de voorloop-sagen een huiveringwekkende noodwendigheid
te bespeuren, het zuiverste fatalisme, dat ik ken. Wel is een Macht
achter alle feiten, doch deze is naamloos en genadeloos.
Opmerkingen overgenomen uit: Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Das zweite Gesicht
Naam Locatie in Tekst
Pietersbierum   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
