Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN017 - Zomersneeuw

Een legende (boek), 1918

pl09.jpg

Hoofdtekst

Zomersneeuw

Hoog was de linde van Canne, die tegen den berg stond, dichtbij het
klein kapelleke. De zeven schepenen spraken er recht, en ze waren
beschut als in een zaal. Noch zonnelicht, noch regen lieten de dichte
bladeren door: Iedereen, die van slechte daden werd beticht, stond
onder de hooge linde, voor de zeven schepenen, terwijl het volk in
wijden kring was geschaard.

Er was een vrouw in Canne, die jong al weduwe was geworden, en met
haar kind alleen op de wereld was overgebleven. Sindsdien werkte zij
meer dan zij vermocht.

Wat het zijn kon, dat er eenigen in het dorp haar haatten? Wellicht
was zij te gelukkig geweest. Of was het uit oude dagen, dat een wrok,
om een gebaar, een woord of een daad, of om het geheim van haar
innerlijk wezen, bestond?

Onverzoenlijk was haar vijand, en loerend op het gunstige
oogenblik. Hij werkte haar, waar hij kon, tegen. Als zij werk had
gevonden, had zij het onmiddellijk daarna weder verloren. Daarom was
het, dat zij ten langen leste, den strijd tegen den onbekende moede,
besloot, om haar brood in Maastricht te verdienen. Iederen morgen
ging ze in de vroegte uit haar huis en liet haar jongen alleen.

"Wees zoet vandaag en speel niet bij den Jeker," zeide ze iederen dag,
wanneer zij vertrok.

Eens kwam zij van de stad in het dorp terug, toen ze bij haar woning
een groote menigte menschen zag. IJlings trad ze naderbij. Men
week. Tot haar ontzetting bemerkte ze, dat men haar binnen den
kring liet.

Haar knaapje lag lang uitgestrekt, dood. Zijn hoofdje was blauw
opgezet, en de angst leefde nog om den dooden mond, waaruit flauw 't
water siepelde. Vóór haar vreeselijken schrik, die alle reden in haar
verdrong, was zij er zich van bewust, dat er striemen van een knellende
hand in 't nekje waren, en waar een nagel had getroffen, was bloed.

"Moord," zoo fluisterde men.

De moeder was naast haar jongen neergevallen, het gezicht ter aarde. Ze weende niet, want haar verdriet was te groot. Ze wist niet, wat er
om haar geschiedde. Ze was niets dan smart, en haar bewustzijn viel
daarin terneer als een steen in bodemloos water.

De schout had zich door de massa gedrongen, en hij stond voor de
roerlooze groep, moeder en kind.

"Wat is hier geschied?" zoo vroeg hij.

Er was een stem uit de menigte:

"De knaap is vermoord, en die de daad heeft bedreven, ligt er niet
ver vandaan."

't Volk morde:

"De moeder heeft haar eigen kind gedood. Daarom kan ze niet weenen."

Men begreep niet, dat het leed geen klank heeft. De schout beval zijn
dienaren, de vrouw mede te nemen, en haar in 't gevang te werpen.

Nadat zij uit haar angstigen droom ontwaakt was, en sidderende overeind rees, zag ze met angst, dat men haar alleen had gelaten. Ze sloeg de handen aan het voorhoofd, en trachtte zich te bezinnen. Eensklaps stiet ze een snerpenden gil uit.

"Jean--mijn kind."

Ze zonk op haar knieën en betastte den vloer.

"Hebben ze jou van me weggenomen?"

Haar handen, zoekende, glijdende over den bodem, raakten de vochtige
steenen van den wand. Ze richtte zich iets op--het was alles steen--dat
zij vond--klamme, zweetende kilheid. Zij probeerde in de enge ruimte
iets te vinden, waaruit zij begrijpen kon, welke plaats men haar had
aangewezen. Haar woning was het niet. Bij het tasten stiet haar been
tegen een hard voorwerp, en in dezen klankloozen, kleurloozen nacht,
begrepen eindelijk haar blinde vingers, dat het een brits was.

"'t Kot!" riep ze in angst. "O! waar heb ik dat aan verdiend? Mijn
kind dood ... en ik in 't gevang!"

Ze strekte zich op den vloer uit, maar ze gevoelde de hardheid van
den bodem niet. Dof gonsden haar hersenen. Ze sliep niet en waakte
niet. Waren haar droomen gedachten of haar gedachten droomen? Was
het eerste zonnelicht, dat bevende drong langs de traliën, en een
bilzenkruid-kleurigen nevel spreidde in de sombere cel, een vloek of
een zegen?

De schout en zijn dienaren traden binnen. Ze grepen haar ruw bij
den schouder.

"Mede naar de linde van Canne. De schepenen wachten," zoo bevalen zij.

Met moeite stond ze op. Strompelend ging ze naast haar geleiders. Toen
ze in de verte den lindeboom zag, boog ze haar hoofd. Nu eerst kwam
zij tot bewustzijn en wist, van welke misdaad zij werd beschuldigd.

Met stompen dreef men haar voor haar rechters, en ze weende.


Eens zaten daar de schepen, alle zeven,
't Is lang geleden, dat ik 't geschreven vond
Om recht te spreken over dood en leven,
Terwijl rondom vol vrees het volk stond.


"De schande," weende ze.


"En niemand sprak voor haar, ze lag in tranen,
Die arme ziel, verlaten en veracht.
Maar toch ... ze hoort haar innerlijk vermanen
Een stem, die heimelijk vertrouwen bracht.


Ze wist het ... God was met haar.

Het was een zomerdag, waarin de lucht gloeiend-blauw is, en de sterke
kleuren scherp tegen elkander botsten (nergens in elkaar vervagende,
gelijk in het vroege voorjaar of in den herfst) blauw en groen en
rood, in hun diepste, felste nuanceering. Als een oneindige golving
van paarsgeel, hier hoog, daar laag, lag het koren tegen de heuvelen,
en zoo vol was de lucht van leeuwerikken-jubel en vinkenslag als
slechts in den zomer.

De schout stond op, en zeide het verzwarende getuigenis. Voor het
eerst hoorde ze den naam van haar geheimen vijand. Ze hief de handen
in vertwijfeling. Hij was de voornaamste man van het dorp, en wie
zou haar, een arme weduwe, gelooven?

Hij trad zelve naar voren, en herhaalde zijn verklaring. Hij had dan
ook gezien--zoo zeide hij--hoe zij in den vroegen morgen met haar
knaapje was gaan wandelen. Hij volgde hen beiden, want hij wist, dat
zij gebrek leed, en bij een zoo slechte vrouw kon het plan bestaan,
zich van haar kind te ontdoen. Bij den Jeker had de weduwe omgezien,
en hij moest zich haastig achter een boom verbergen. Vervolgens had hij
het snoode misdrijf aanschouwd, dat de vrouw het jongetje vastgreep,
zijn keel omknelde, hem worgde en hem in de beek wierp.

Met ontzetting hoorde men deze aanklacht, en stil wachtten zij,
de aanklager, de schout, de schepenen, het volk, op het antwoord
der arme vrouw. Zij moest zeker bekennen, nu de voorname man haar
misdrijf had gezien. Het was duidelijk--zij had den moord gepleegd;
het waren de indrukken van haar vingers, welke om den hals lagen
van den dooden knaap. Men droeg het lijkje op een baar naderbij. Ze
zou alles bekennen--ze deinsde terug met een schrik, dien alleen
moordenaars kennen. Niemand was haar welgezind. Zij zweeg--dat was
't grootste bewijs harer schuld. Dat ze op haar knieën zonk, dat
ze haar handen legde op 't verstarde gelaat, was haar berouw. Ieder
gevoelde echter, dat de dood den dood riep, en dat slechts één straf
voor haar kon bestaan.

De oudste der schepenen wendde zijn gelaat naar haar toe.

"Wat hebt gij te zeggen?" zoo vroeg hij.

Nog antwoordde ze niet.

Dringender werd zijn verhoor.

"Wat hebt gij te zeggen! Of kunt gij niets antwoorden, daar gij
schuldig zijt."

Zij richtte zich iets uit haar gebogen houding en antwoordde dof:

"Ik ben onschuldig."

Er was een klank in haar gepijnigde stem--de echo van haar
eerlijk geweten--die even, even een teerder gevoel wekte bij de
luisterenden. Toen echter de klank verklonken was, snerpte de stem
van den schout door de stilte.

"Wilt gij dan zeggen, dat uw aanklager liegt? Wat zou hij voor redenen
hebben? Hij een rijk man--gij een arme vrouw?"

"Ik ben onschuldig."

Toornig riep de schout:

"Gij hebt mannen voor u, geen kinderen."

De oudste der schepenen vroeg:

"Hebt ge anders niets te zeggen, dan dat ge onschuldig zijt?"

Zij zag hem glimlachende aan, want een stem had haar zacht
toegefluisterd:

"Wees vertroost, moeder. Zoowaar de ziel van uw kind in den hemel is,
zoo waar zal uw onschuld blijken."

Daar niemand wist, wat haar glimlach beteekende, meende men, dat zij
spotte. De oudste der schepenen noodigde den schout met een gebaar
uit tot spreken. De aanklager ging achteruit en voegde zich bij het
luisterende volk.

De schout sprak:

Schuldig was deze vrouw, des te schuldiger, daar zij haar misdrijf
ontkende. Reeds van vroeger waren er kwade geruchten over haar,
en thans, nu zij bij het lijk van haar kind stond, bleek het, hoe
gegrond ze waren. Er kon slechts één meening zijn, dat zij haar kind
had vermoord, en in den Jeker had geworpen.

Zou zij het uit armoede hebben gedaan?

Wie was er in Canne, die een noodlijdende hulp zou weigeren? Iedere
deur zou voor haar geopend zijn, als ze voor haar en haar kind
werk vroeg.

Twijfelde er iemand aan haar schuld?

Wat zou een mensch ter wereld eraan kunnen hebben, om een weduwe
valsch te betichten? Er kon noch bij de schepenen noch bij het volk
vermoeden zijn, dat een ander dan zij den moord had gepleegd.



Zoo min men in den zomer door de sneeuw kan waden
En 't nacht kan wezen in den dageschijn ...,
Zoo min moogt gij gebruik en wet versmaden
En mag deez' vrouw thans vrijgesproken zijn.


Als 't sneeuwde in dezen heerlijken zonne-zomerdag--als de nacht
onmiddellijk mocht volgen op dit verblindend licht--zou hij in de
onschuld der vrouw gelooven.

Hij had uitgesproken.

Ineens drongen de wolken tezamen aan den blauwen hemel, en
verduisterden alle licht.

't Was nacht in den dag. 't Was winter in den zomer.

De vogelen hielden op met zingen. Er was noch de geur van bloemen,
noch van koren. Niemand zag zijn buurman. De hemel was duisternis,
zoo dicht en dik, als hing er het zwaar gewicht van den nacht aan.

Doch eensklaps hervatte het licht zijn luister.

Het donker sloeg terug, zonder een valen sluier als in den morgen
achter te laten. Gelijk een bliksemflits snijdt door den duister,
doch dan dieper en breeder en hooger van ruimte, en langer van tijd,
zóó hieuw ineens de glans van den dag den nacht uiteen. De vogelen
zongen weder. De bloemen geurden weder. In gloeiend paarsgeel golfde
het graan tegen de heuvelen.

Alleen de linde was veranderd. Op haar takken, op haar bladeren was
sneeuw, en de groene stam was wit van sneeuw. Op den grond echter onder haar gloeide de zomer ... insecten kropen af en aan, een rups gleed, wondereen kever warmde zich in het zonnelicht. Grooter mirakel dan dit
alles geschiedde nog. De sneeuw smolt niet. Temidden der uitbundige,
woeste weelde van louter zomerkleuren was de linde wit, en de takken
bogen onder hun zwaren last.


En ieder schrikte over wat gebeurde,
Maar wacht! daar zag men nog een wonder meer,
Toen kort daarop de zon weer alles kleurde
Toen was de boom in sneeuw, gelijk bij winterweer.


Ontroerd las de oudste der schepenen het vrijsprekend vonnis. Doch
men zocht den aanklager en vond hem niet.

Moge hij zijn loon hebben ontvangen!

Beschrijving

Een vrouw treft sinds ze weduwe is veel ongeluk. Op een dag besluit ze om te gaan werken in Maastricht. Als ze thuis komt blijkt haar zoon te zijn vermoord. Ze heeft hierom zoveel verdriet dat ze geen traan kan plengen. Om deze reden wordt ze zelf beschuldigd van de moord op haar kind en moet ze zich verantwoorden bij de zeven schepenen onder de linde van Canne. Vrouw hoort een stem die haar vertroost, God is met haar. De schout acht haar schuldig, tenzij het zou gaan sneeuwen op deze mooie zomerdag. En het werd winter in de zomer, op de takken van de linde lag sneeuw. De oudste der schepenen leest daarop het vrijsprekend vonnis.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p.95

Commentaar

1918
Voor een afbeelding, zie beeld.
ZOMERSNEEUW (blz. 95-101). Steffens zegt in zijn Geschiedenis der
aloude heerlijkheid ter Horst (vgl. "Limburg" XX, 3e afl.): "In Horst
geschiedde de rechtspleging onder eene eeuwenoude linde op den voorhof
van den burcht."

Het gedicht, dat in dit boek is aangehaald, en dat door den volksgeest
is gedicht, vinden we gedeeltelijk in 't dialect van Canne opgenomen
in dezelfde aflevering van Limburg. 't Begint aldus:

"Kint geer in Canne deen auwe lin, dee tegen
De berg, kort aon 't klein kapelke steit,
Zen blajerkroen, die is zoe dîk, dat rege
Noch zonneschijn, noch wint terdoor en geit."

Mooi klinkt vooral--en als ge in de buurt van Canne komt, moet ge
het door een inwoner eens laten zeggen!:

"Zoe min es 't noe in zomerhits kaan snieë
En 't nach kaan zijn in volle dageschijn,
Zoe min mag geer gebruuk en wet versmieë
En zal dees vrouw zich vrijgesproke zien."
Opmerkingen overgenomen uit: Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.

Naam Overig in Tekst

God    God   

Jean    Jean   

Naam Locatie in Tekst

Canne    Canne   

Maastricht    Maastricht   

Jeker    Jeker   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20