Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN018 - Mirjam, sage uit den achterhoek

Een sage (boek), 1918

pl10.jpg

Hoofdtekst

Mirjam, sage uit den Achterhoek

Het was in den jare veertien honderd negen en dertig, dat er Groote
Sterfte over de menschheid kwam, en de taak van den Dood niet wilde
eindigen. Zwart waren Zijn knokels. Op een zwart paard reed Hij,
zwart waren de toomen, zwart het zadel, zwart 't ijzer van de zeis,
waarmede Hij sloeg. Men noemde Hem den Zwarten Dood.

Waar was Hij niet geweest?

Uit het Oosten was Hij gekomen, over de Hongaarsche landen tot Weenen,
waar Hij langen tijd had vertoefd. Verder was Hij gegaan, als een
onverwinbaar held. Weeklachten waren er aan alle kanten. Hij reed
stapvoets langs de wereld, maaiende, alwaar het leven had gezaaid. Lees de oude kronieken over Hem. Bij honderdtallen verzamelden zich de
menschen, mannen en vrouwen, om Hem te vermurwen: gezamenlijk vereenden ze zich ten gebed, ze geeselden zich en elkander. Doch de Zwarte Dood zag en hoorde niet naar hen, want Hij was gekomen, om te verderven, en het Noodlot bestuurde Zijn onstuitbaren tocht.

Ook in het dorpje Ruurloo was Hij binnengereden, en sinds dien week Hij
niet meer. Eenige dagen voor zijn komst hadden pelgrims uit het Heilige
Land bij de bron overnacht, ze waren bij het eerste zonnelicht weder
verdwenen. De meisjes uit 't gehucht waren den uchtend naar de bron
getrokken, en hadden de kruiken vol met water geschept, gelijk 't hare
gewoonte was. En daarna werd ieder, die van het water had gedronken,
ziek: de Zwarte Dood boog zich over het krommend lijf, onbewogen
sloeg Hij toe. De pijn bleef in houding en gelaat van den geslagene.

Niet alleen, dat hij, die water dronk uit deze bron, werd gedood,
doch alle bronnen, behalve die van het kasteel, waren door den vloek
getroffen. Toen zeide men, dat de Joden het water hadden vergiftigd. En de Joden vluchtten uit Ruurloo, met achterlating van have en goed,
ze liepen tot waar de Zwarte Dood nog niet genaderd was. Alleen de
oude Abraham en zijn schoone dochter Mirjam bleven in het dorp. Want
Abraham was te oud, om te gaan en Mirjam was te schoon, om niet door
den ridder van Ruurloo te worden beschermd.

De Zwarte Dood reed op Zijn zwart paard. Bijna geen huis, op eenigen
afstand van het slot, of Hij was er de gast, die roofde en moordde.

Toen kwamen zij, die gespaard waren tezamen, en ze riepen dat
men Abraham en Mirjam zou dooden. Want de joden hadden de bronnen
vergiftigd, en vergelding vroegen ze om het vreeselijk misdrijf,
waaraan zich de beiden hadden schuldig gemaakt.

De jonge ridder in het zwaar-beschut kasteel lachte achter zijn
muren. Des avonds, als Mirjam bij hem kwam, stelde zijn lach haar
gerust. Den dag daarna echter, wanneer de dorpelingen haar dreigend
voorbijgingen, vloeken en scheldwoorden verborgen in hun ziel, was 't
haar, of geen macht ter wereld haar zou kunnen redden. En ze smeekte
den ridder van Ruurloo haar en haar vader onderdak te geven achter
de poorten van het slot. Want van haar vader wilde ze niet scheiden.

"Mirjam!" lachte de jonge ridder lichtzinnig, "kom met je vader,
den ouden Jood, bij me wonen. Zijn gezicht alleen is wel in staat,
om de bron te vergiftigen, maar zoolang jij bij me bent, vrees ik
dit gevaar niet."

De Zwarte Dood reed langs 't zonnig riviertje de Berkel, en de Groote
Sterfte hield aan. Hij kwam in 't stedeke Borkuloo, Zijn paard zag men
in Lochem en Zutphen, en het spoor van den hoef langs de wegen van den
IJsel. T'elken avond was hij weder in Ruurloo, en men ontdekte Hem,
den stillen, eenzamen ruiter, bij de brug van het kasteel, zijn handen
tot vuisten ballend, om de grens, die Hem werd gesteld. De ridder
lachte, sloot Mirjam in zijn armen en kuste haar den rooden mond.

Toen geviel het, dat de moeder des ridders hem berispte om de
Jodendeerne, die hij in zijn slot woonplaats verstrekt had. Ze zeide
hem, dat hij moest huwen met een eerbaar en adellijk meisje; ze zeide
hem, dat hij Abraham en Mirjam moest dooden.

Daar Mirjam hare woorden had gehoord, dreigde zij hem, toen ze weder
tezamen waren:

"Ridder van Ruurloo! ik weet het lot der vrouwen, zooals ik er een ben,
gelijk ik het lot der bloesemen weet. Daarom zal ik me niet wreken,
als gij mij verstoot. Doch bij den eeuwigen God! als ge mijn ouden
vader met uwe hand aanvat, zijn uwe dagen geteld."

Hij lachte, en antwoordde niet.

Vijf dagen hadden hun taak volbracht, en de zesde was gekomen. Over
Mirjam's woorden had de ridder niet nagedacht; de andere woorden,
die zijn moeder had gesproken, drongen ze gemakkelijk weg. In zijn
geweten was noch een goede, noch een kwade stem, gelijk alle stemmen
zwijgen binnen het geweten van den lichtzinnige. Hij dacht niet na
over de toekomst. Zooals het lot kwam, geschiedde het voor hem.

Hij zag Machteld, en zijn moeder vroeg hem, of hij niet wist, dat zij
de rijkste en schoonste was van Brabants jonkvrouwen. En ziet! haar
rijkdom bekoorde hem. Te mogen rossen en brassen, iederen dag weder,
uit de eeuwige schat. Hij stelde het zich al voor, zonder gedachte,
met zinnelijken blik, hoe hij de fraaist-gekleede ridder zijn zou
ver in den contrije, en hoe hij Mirjam zou blijven bekoren.

Zijn moeder echter waakte meer over zijn zieleheil dan hij-zelf. Hier
was 't de klank van haar stem, daar was het een gebaar--hier was het
een zwijgen, daar was het een woord, zooals vrouwen het slechts weten
te zeggen.

Stug wachtte Machteld een dag den jongen, lichtzinnigen minnaar.

"Waarom leven de Jood en de Jodin op het kasteel?" waren haar booze
woorden. "Vang ze en doe ze levend verbranden. Ik zal uw vrouw niet
worden, als ge aan dit bevel niet gehoorzaamt."

Hij bezag haar even, en haalde zijn schouders op.

"Het zal gebeuren," zeide hij onverschillig.

Maar toen zijn mannen kwamen, om de beiden te grijpen, vonden ze
er slechts één: den ouden Abraham. Ze sleepten hem over den hof,
en wierpen hem in het kot. Dienzelfden avond bracht men hem reeds
ter dood.

En de Zwarte Dood had Ruurloo verlaten. Niet meer werd Hij bij het
kasteel gezien, tot den nacht voor de bruiloft. Hoog zat Hij op
Zijn roerloos ros, en zwarter waren Hij en Zijn dier dan de nacht om
hen. Hij balde Zijn handen niet tot vuisten. Zijn sikkel hing over
Zijn schouder.

Toen de wachter den hoorn stiet, deed Hij zijn paard langzaam
wenden. Men kon zeggen, dat Hij een droom geweest was, want er waren
nu geen sporen op den weg, en in den luisterrijken morgen ontdekte
men niets meer van Hem.

Onbekommerd waren de bruid en de bruidegom. Waarom zouden ze
vreezen? Jong en rijk en schoon waren ze beiden. 't Leven was een
gloed voor hen, en terwijl ze in de zaal stonden, scheen het, of ze
gewarmd werden door het zonnelicht. Ze glimlachten van gedachteloos
geluk. Zou de dag van morgen niet even wonderlijk zijn als deze dag?

Een dienaar naderde den jongen, blonden ridder, en fluisterde.

Buiten wachtte een heidin, die kon waarzeggen.

Waarom zou ze niet binnen treden, en hun het geluk voorspellen? Was
de groote wereld niet van hen? Als ze de waarheid zeide, zou ze goud
verdienen. Ook de moeder glimlachte, de gasten glimlachten.

Duister trad een gesluierde vrouw binnen het zonnelicht van hun
aller verwachting.

"Wie eerst?" vroeg ze heesch.

"De bruid," riep de bruidegom.

Ze naderde, en zag haar hand. Zonder ze aan te raken.

"Maagd en vrouw. Gehuwd en weduwe. Het klooster en het graf," zeide
ze zachtjes.

"Ge liegt," schreeuwde de bruidegom.

Het zonnelicht was uit de zaal geweken. Alles was in valen schemer
verborgen. Onbewegelijk stonden de gasten, wachtend op meer.

De heidinne richtte zich recht uit haar gebogenheid. Terug den sluier.

"Mirjam."

"Mirjam," echode haar stem. Ze naderde den ridder, en zag hem aan. Ze
sloeg haar armen om hem heen, zóó sterk, dat zijn krachtige arm
weerloos werd. En allen om hem heen stonden stil, wachtten.

"Mijn vader is dood," klaagde ze.

"Haal haar van me af," wilde hij roepen. Doch reeds was haar mond
den zijnen genaderd. Ze kuste hem wild.

De schemer week uit de zaal. Het was duisternis. De Zwarte Dood
stond aan de deur, en Zijn schaduw strekte zich uit over de dingen
en levens. Toen hoorde men Mirjam's stem, in jubeling:

"Ik heb mijn vader gewroken. Ridder van Ruurloo! mijn kussen waren
vergiftig. Ik ben aangetast door den Zwarten Dood--en ook gij--zult
sterven--als ik--"

Ze zonk voor hem neer, zijn knieën omklemmend. Met haar laatste leven
hield ze hem vast--Even nog snikte ze ....

Toen was het stil.

En allen vloden ze van den ridder van Ruurloo, niemand riep hem
een vaarwel toe, noch de gasten, noch zijn moeder, noch zijn jonge,
schoone bruid.

In eenzaamheid is hij gestorven.

Onderwerp

SINSAG 0489 - Das zweite Gesicht    SINSAG 0489 - Das zweite Gesicht   

Beschrijving

De Zwarte Dood brengt dood en verderf, ook in het dorpje Ruurloo. Daar vergiftigt hij alle waterbronnen, behalve die van het kasteel. In plaats van de Dood krijgen de Joden de schuld. Alle Joden ontvluchten het dorp, behalve de oude Abraham en zijn schone dochter Mirjam. Zij worden opgenomen in het kasteel van een jonge ridder. Op een dag verplicht zijn moeder de ridder Mirjam en haar vader te doden. Mirjam hoort dit en zegt dat als haar vader gedood wordt zijn dagen zijn geteld. Ook zijn aanstaande bruid, de rijke schone vrouwe Machteld, draagt hem op Mirjam en haar vader te doden. De ridder zegt dit toe, maar Mirjam blijkt spoorloos en alleen de oude man wordt gedood. Op de dag van de bruiloft laten ze een waarzegster toe op het kasteel. De waarzegster voorspelt dat de vrouwe weduwe zal worden, daarna toont ze haar gelaat. De waarzegster blijkt Miram te zijn, die haar ridder nog eenmaal kust: de kus des doods.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p.101

Commentaar

1918
Voor een afbeelding, zie beeld.

MIRJAM, SAGE UIT DEN ACHTERHOEK (blz. 101-106). Wie zal zeggen, of deze
sage, van welke ik een achttal jaren geleden nog maar enkele resten
aantrof, niet meer een historisch feit is dan wel een overlevering,
en of de geschiedenis zich in den tijd van den Zwarten Dood niet
ergens in den Achterhoek werkelijk heeft afgespeeld?

Wanneer ik in 1912 had geweten, dat de heer H. J. Westerling in "De
Gids" een artikel wilde publiceeren over de vroegste geschiedenis der
Joden in Nederland ("Een Bijdrage tot de vroegste geschiedenis der
Joden in Nederland," De Gids 1912, IV blz. 512), hadde ik voorzeker
zijn artikel kunnen completeeren. Onder de plaatsen, welke de heer
Westerling als verblijfplaats in het beruchte jaar 1349 voor de Joden
op kan geven, behoort Ruurloo niet. Wel werden toen de Zwolsche
Joden "ad majorem Dei gloriam" (of hier heerschte de amor Dei)
doodgeslagen. Geheel uit liefde tot God, vertaalt de heer Westerling,
die verder uit een Joodsch gebedenboek, in de 14e eeuw geschreven,
aanhaalt de volgende plaatsen, waar in 1349 tijdens den Zwarten Dood
gemoord werd:

Nijmegen, Arnhem, Zutfen, Deventer, Zwolle, Utrecht, Keppel en
Broek aan den Ouden IJsel. Men merkt het, dat het meest plaatsen
zijn in het Oosten van ons land gelegen, waarvan verschillende in den
Achterhoek. Dat de Jodenmoord in Keppel bijvoorbeeld later naar Ruurloo
door 't verhaal werd verplaatst, zou ons niet behoeven te verwonderen,
en dat hier dan legendarische bijzonderheden aan werden verbonden,
is bijna natuurlijk. Dat de Joden de bronnen hadden vergiftigd, om den
Zwarten Dood te doen binnenrijden, was een algemeen-verbreide meening,
waarom duizenden Hebreeërs zijn vermoord.

De heer Westerling o.a. schrijft ook hierover en vermeldt:

Arn. van Bevergerne daarentegen zegt uitdrukkelijk, dat de Joden dood
geslagen werden, omdat men hun de schuld gaf van de verschrikkelijke
pestziekte de Zwarte Dood, die reeds een paar jaren Europa teisterde
en toen deze streken bereikte."

"Do was over alle de werlt ein al te groeten sterfte, also dat de
eyne den anderen kume begraven kunde, ofte dat d' ene daer by den
anderen niet blijven kunde in syn lesten omme de overvloedicheyt der
siekede. Ende hieromme werden aller wegen de Joden gedodet, want men
gaff eher de schult der siekede."
Opmerkingen overgenomen uit:Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918
Das zweite Gesicht

Naam Overig in Tekst

Mirjam    Mirjam   

Ruurloo    Ruurloo   

Joden    Joden   

Abraham    Abraham   

Borkuloo    Borkuloo   

Machteld    Machteld   

Zwarte Dood    Zwarte Dood   

Naam Locatie in Tekst

Hongarije    Hongarije   

Wenen    Wenen   

Berkel    Berkel   

Lochem    Lochem   

Zutphen    Zutphen   

IJssel    IJssel   

Brabant    Brabant   

Achterhoek    Achterhoek   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20