Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN019 - De gevangen wolk

Een sage (), 1918

Hoofdtekst

De Gevangen Wolk

Niet rijdend op een zwart ros verscheen de Dood in de streek van den
Enscheder Esch, maar sluipend als een klein wolkje, dat in een huis
bleef, tot allen waren gestorven, de ouden en de jongen. Genadeloozer
dan een krijgsman was deze damp, zoo smal en ijl.


"'n Blauw dämpken vleug der van duur tot duur,
En woar dat blauwe dämpken kwam,
Doar störf an den heerd de heldre vlam,
Doar störf de boer, de vrouw, het keend
Et hoes verwöj duur weer en weend."


Het koren stond in den zomer op het veld. Waar was de hand, die het
maaien kon? Het vee wachtte droomend op de weide bij de beek, gelijk
alle dagen. Het sappige gras was gegeten, en het werd melktijd. De
koeien snoven in de lucht, één bromde zacht, één loeide. Waar bleven
de vroolijke meiden? Met langzame passen volgden de beesten elkander,
telkens stilstaand, telkens snuivend, klaar blij te groeten, als de
melksters naderden. De koeien waren het zoo gewoon geweest, en ze
wisten zeker, dat de meiden moesten komen. Maar niemand kwam, op
dezen dag. De arme dieren brulden van smart; ze riepen vele malen
om barmhartigheid, maar meedoogenloos schoof de schemer over de
weiden, en het duister stond aan den horizon al gereed, een hooge,
zwarte ridder, wiens lange schaduw over de aarde kroop, den schemer
achterna. Geen licht bleef voor den nacht gespaard.

Stil! daar kwamen de wolven naar het Aamsveen geslopen, wolf na
wolf. Hadden ze het kleine witte wolkje gezien, dat langs vele hoeven
ging, en dat de menschen doodde?

Dit was een tijd voor de wolven, nu de menschen leden. De nacht omsloot
hun gedaanten, en dus naderden ze het land, om er heer en meester te
worden voor langen tijd.

In den zomer en in den herfst bleven ze nog een eind verwijderd van
de huizen, waar hun machtigste vijanden woonden, die hen uit de verte
konden treffen met tandenscherpe, zonne-blinkende wapenen. Maar iets
in hun bloed zeide hun, dat ze geduld moesten oefenen, en geduld kenden
ze. Ze lieten zich verjagen, doch iederen dag drongen ze enkele Meters
verder op dan ze vier en twintig uur geleden hadden gedurfd.

Wat de mensch was voor den wolf, was 't kleine wolkje voor den mensch,
een vijand, die den dood in zijn aderen droeg.

De winter kwam, grimmig van koude. Waarom hadden de menschen geen
hout gesprokkeld, om den haard te doen vlammen? Goed is het te zitten
dichtbij de warmte-streefende vlam, als buiten de stormen rossen en
rijden in joelende jacht. De hitte dringt tot diep in 't gebeente,
en er is rossig, vertroostend licht over vloer en zolder. Zwijgen
en spreken bij den brandenden haard heeft elk zijn bijzonder geluk:
wie zwijgt, leert dan vele geheimen des levens, en wie spreekt,
gevoelt een blij vertrouwen in de goedheid zijner vrienden.

Het verhaal zegt, dat er in dien winter nog slechts drie haarden
brandden in alle de hoeven der streek. Toen naderden de wolven, niet
meer stap voor stap. Ze drongen binnen in de dorpen der menschen,
en in de stallen en huizen zochten ze hun woning.


"Et was in de tied van de zwatte dood,
Op den Enscheder Esch was bittere nood,
Op dree hofsteên alleen an den heerd glom vuur."


En zij, die nog aan den brandenden haard zaten, waren bang voor het
witte wolkje, dat zoovelen reeds had vernietigd. Ze durfden niet uit
te gaan, want als ze de deur openden, kon het witte wolkje wel eens
binnen glijden. Ze luisterden naar 't gehuil der wolven, en alleen
de Lappe was onvervaard. De Lappe ging langs de wegen, als was er
niets te koop en hij speurde naar 't witte wolkje, want hij wilde
het vangen. Zoo het gevangen was, zou weder het geluk kunnen keeren
in den Enscheder Esch en de heerschappij der wolven ware uit.

Doch het witte wolkje was vlugger dan de Lappe. Het was niet zoo
gemakkelijk te grijpen, al loerde de boer erop, gelijk een koddebeier
op een strooper. De Lappe wist echter, dat zijn dag zou komen, en
dat hij het witte wolkje zou bemachtigen.

Wat moest de lente voor bruiloftsfeest houden, na zulk een winter?


"Met al wat leven har, was et edaon."


Welk een tijd! Het gras op de velden woekerde verder, het groeide op
het erf der hoeven, tot voor de deuren, die uit haar hengsels hingen,
en het mos bedekte dicht vloer en dak. Waren dit ooit menschenwoningen
geweest? Uit de stal eener boerderij sprong een wolf, en, o schrik! in
de bedstede van Hölterhof jankten de wolvenwelpen. De wolvin stond
aan de deur, ze was de wachteres der rijke hoeve.

De Lappe mocht niet slapen in deze vreeselijke dagen. Luister:


Een menschenkind kwam er na jaar en dag,
Nieuwsgierig, hoe de Hof er zoo lag
Zoo stil en verlaten 't huis en de stal,
Hij gaat eens naar binnen. Hij staat eral,
Daar! Schrik slaat hem om 't hart, ontroerd;
In de bedstee iets zachtkens roert.
Leeft hier nog iets, al is 't niet veel?
Daar springt hem voorbij en loopt naar de deel,
De wolvin, de wolvin in wilde draf
In de bedstee wierp ze de welpen af.


In dezen hoogen nood zal de Lappe wel niet veel geslapen hebben,
minder dan anders, en dat wil wat zeggen, want zij die op de Lappe
wonen, gebruiken in gewone tijden hun oogen terdege, des daags en des
nachts. [1] De Lappe moest op het witte wolkje letten, en wie weet,
of het niet angstig was, om den Lappe te ontmoeten: die zat al genoeg
vol streken, en duizend zwarte Dooden had hij kunnen bewaren, zonder
dat ze ooit konden ontsnappen.

"Hoe krijg ik hem?" dacht de Lappe.

"Hoe kom ik bij hem, zonder dat hij 't merkt?" dacht 't kleine,
witte wolkje. Want, let wel, het wilde niet in gevangenschap komen,
ja, het wilde nog lang in vrijheid sluipen, heel behoedzaam, om te
dooden. Daarvoor was het witte wolkje geschapen.

Eens ging het te middernacht uit, en men kon het niet onderscheiden van
den nevel, die over het veld was. Het wachtte geduldig in het starre
maanlicht, en het vloeide nu eens laag, dan weer hoog langzaam op zijn
eene doel af: 't huis van den Lappe. Het was eerst in den morgen,
dat het stil in een greppel wachtte. De morgenschemering dekte het
even, maar toen dacht 't kleine witte wolkje:

"Nog is het licht schuw en schemerend overal. Dit is 't uur voor mij."

Doch de Lappe had het wel gezien, zooals iedereen wel begrijpt. Al te
middernacht was hij naar buiten getreden, en in de duisternis had hij
het witte wolkje wel bespeurd en al de gangen van het witte wolkje
had hij gevolgd, peinzend:

"Dat komt op den Lappe af, voor den wis en drie en
waarachtig! Regelrecht op mij, maar 't zal je misloopen, mijn jong.

En nadat in den morgen 't wolkje zich had verheven, om zijn hoeve
binnen te gluipen, bleek het, dat niet alleen de Lappe, maar ook 't
vee 't dreigend gevaar had gezien of gevoeld. Want de stomme dieren
loeiden en blaatten en knorden en snoven, omdat ze wel wisten, wat
het witte wolkje te bedieden had. De Lappe echter stond roerloos,
of hem de heele zaak niet aanging, zijn tijd beidend.

Nu was het witte wolkje al dicht bij de hoeve, en let thans eens
op. In de benedendeur der boerderijen in deze streek is een rechte
paal, welke de "stipel" wordt genaamd. 't Witte wolkje wist wel, dat
't voorzichtig moest zijn, en 't kroop gauw in een gat van den stipel.

Met enkele sprongen was de Lappe er al bij. Hij nam een pin, en
met een forschen houw sloeg hij deze in het gat van den stipel. Het
witte wolkje was gevangen, het kon niet meer naar buiten komen, en
het zou me niet verwonderen, wanneer 't er nog zat. De Lappe immers
was in alle ambachten thuis, en waar die een pin in den stipel slaat,
daar is 't raak ook.

Dus zijn de wolven uit deze streek weder geweken, gelijk ze zijn
gekomen. Uit Schouwink vluchtten ze het vrije veld in, een geheel
nest van wolven, uit Groot Huntveld, uit het Lutje Holzik, uit den
wijd-vermaarden Hölterhof, waarvan niets is overgebleven dan een droom
en een sage. De menschen keerden weder, en menige krachtige handdruk
had de slimme Lappe in dezen tijd te verduren.

Zoo ge nu gaat naar het Aamsveen, zal men u nog de plek wijzen, waar
de Hölterhof heeft gestaan, en een kuil in den grond, dien men nog
altijd de "wolfkuil" noemt, ter herinnering aan de dagen, dat door
een klein, wit wolkje de menschen werden verslagen en de wolven gelokt.


"Maar zie, in den stipel, daar was een gat
In den stipel, die in de benedendeur zat,
Daar kroop 't wolkje zachtjes in,
De Lappe zag 't en met een houten pin
Sloeg hij 't wolkje in het kleine gat,
Tot de Zwarte Dood gevangen zat."

Onderwerp

SINSAG 0281 - Das blaue Wölkchen    SINSAG 0281 - Das blaue Wölkchen   

Beschrijving

De Dood kwam sluipend als een klein wolkje naar de Enscheder Esch en doodde velen. In de winter brandde in nog slechts drie hoeven vuur. In deze slechte tijden kwamen de wolven naar de dorpen. Waar de zwarte dood nog niet was geweest, moorden en roofden de wolven. In die tijd was iedereen bang voor het witte wolkje, behalve de Lappe. Hij zag het als zijn taak het wolkje te vangen. Ook het wolkje raakte bekend met deze zoektocht, en richtte al zijn aandacht vervolgens op de Lappe. Het wolkje probeerde al de volgende dag de hoeve van Lappe binnen te dringen. Echter Lappe had het wolkje wel zien naderen. Toen het wolkje vlak bij de hoeve was verstopte het zich in een gat van de stipel (rechte paal in de deur van boerderijen in deze streek). Op dat moment sloeg Lappe een pin in het gat van de stipel en ving hiermee het wolkje. Vanaf dat moment vluchtten de wolven weer, en keerden de mensen terug.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p.106

Commentaar

1918
DE GEVANGEN WOLK (blz. 106-111). Toen ik deze sage voor 't eerst
hoorde, en ze naast Mirjam legde, werd het mij eenigszins zonderling
te moede. Was het wel dezelfde Zwarte Dood, welke in Ruurloo een
zoo lugubere, in den Enscheder Esch een zoo liefelijke, onschuldige
overlevering deed ontstaan? In den Enscheder Esch van Joden en
bronnenvergiftiging geen sprake--van de boetegangers, die zichzelf en
anderen geeselden, kan zelfs niet gerept worden. Een "Nederlandscher"
sage dan deze zal moeielijk te vinden zijn, en in dezen zin neemt ze
naast "Kabouterwraak" zeker een eervolle plaats in.

De auteur van 't gedicht wordt door den heer J. J. van Deinse,
den Twentschen volkskundige, niet vermeld, en dit is jammer. Het
doet mij onderwijl genoegen, dat ik hiertoe thans in staat ben:
de auteurs van dit gedicht zijn mejuffrouw C. Elderink en de heer
J. J. van Deinse. 't Zal meerderen belang inboezemen.

Ik haal er in de "Aanteekeningen" nog een deel van aan.


"Eeuwen al zint der vuurbij egoan,
Seent doar den Hölterhof hef estaon,
Meer van vader op zön, van moond tot moond
Geet doar bi'j de boeren de mare roond
Hoe doar vervöl in puun en stof,
De stèrke geslacht en den Hölterhof .... "
Opmerkingen overgenomen uit:Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Das blaue Wölkchen

Naam Overig in Tekst

Zwarte Dood    Zwarte Dood   

Enscheder Esch    Enscheder Esch   

Lappe    Lappe   

Schouwink    Schouwink   

Hutje Holzik    Hutje Holzik   

Hölterhof    Hölterhof   

Aamsveen    Aamsveen   

Naam Locatie in Tekst

Enschede    Enschede   

Groot Huntveld    Groot Huntveld   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20