Hoofdtekst
Duif en Doffer
Reynout van Valkenburg ... u heeft uw vrouw meer liefgehad dan
haar kind.
Hij was uitgereden, de trotsche held.
"Vaarwel! vaarwel! Nog geen jaar en ik keer weder. Mijn plaats is,
waar mijn mannen en vrienden zijn. Als ik terug kom van den langen
weg, luister dan naar het lied van den zanger, want mijn naam zal
hij zingen ...: Reynout van Valkenburg. Vaarwel! En als het kind is
geboren, neem het in uwe armen, en wieg het bij dat lied. Vaarwel
ook, edele moeder! Geboren ben ik, om te strijden, want groot is
mijn geslacht. Streel mijn armen onverwinbaar zijn ze van kracht, en
wee den vijand. Om het edele goed en bloed en recht strijd ik--wees
daarom niet versaagd. Vaarwel!"
Hij reed heen, en de vrouwen zagen hem verdwijnen als een stofwolk
op den weg, opwarrelende en verwarrelende in den wind. Hij ging,
waar de strijd hem wachtte. Hij streed, waar het gevaar 't grootst was.
"Reynout van Valkenburg!" klonk zijn stem, en de vijanden vloden. Zóó
rukten hij en zijn vrienden van slag tot slag, steeds dieper dringend
in het vreemde land. Het geschiedde, wat hij had gezegd: vele zangers
zongen van zijn roem, hun liederen klonken over de landen, en tot in
Reynout's slot drongen zij door. Reynout's vrouw hoorde ze in hare
krankheid en ze fluisterde tot haar kind:
"O groot geluk, dat gij geboren zijt in deze dagen, nu zijn roem over
de wereld schalt. Wanneer hij wederkeert, zal ik wellicht genezen
zijn van al mijne smart, en ik zal voor hem zingen."
Zijn moeder zag uit het venster. Gesteund door zijn schildknapen,
kwam de edele ridder gewond uit den strijd terug. Eerst wilde zij haar
blijdschap jubelen--want zij was zoo gelukkig, dat zij hem zag. Hoe
hij ook wederkwam, hij was haar zoon.
Toen werd zij angstig. Waarom gingen zij drieën zoo langzaam? Zij
liep hen tegemoet.
"Reynout! Reynout! mijn zoon! Uw vrouw gewan een kindeke."
Hij zag haar niet aan, terwijl hij sprak. Moede zonk zijn hoofd ineen.
"Leg mij in het blanke bed, opdat ik ruste. Ik ben ziek."
"Reynold! Reynold! zone mijn,
Din vrouw gewan een kindekijn,"
"So leget mi in die coetse blank,
Opdat ic ruste. Ic ben crank."
"Reynout! gij zult niet sterven. Gij moogt niet sterven."
Men droeg hem naar het bed. Men strekte zijn leden uit.
"Reynout! uw vrouw wacht op u. Zij wil u haar kind toonen."
"Laat mij sterven, moeder ...."
"Reynout! groot is uw roem. O! mijn arm moederhart. O! uw vrouw, die
naar u verlangt! O! uw kind, dat geen vader zou hebben. Sterf niet."
"De lansepunt drong mij in den rug--niet in mijn borst ben ik
gewond. Een verrader was het, die mij doodde."
"Spreek niet van den dood."
"Ach moeder! 't Is alles God's wil. Doe de klokken luiden, wanneer
ik gestorven ben .... Luid de klokken. Zeg mijn vrouw vaarwel--zeg
mijn kind vaarwel."
Hij stierf, de edele ridder van Valkenburg.
De klokken luiden met doffen, dooden klank. Zij hielden niet op. Ze
droegen de smart over het verre land. Al het leed dezer wereld was
er in den klank dezer klokken.
"Waarom zijn de klokken heden zoo treurig, moeder?"
"Mijn dochter! 't is een ommegang met vaan en kruis en psalmenzang."
"Dan wil ik slapen, en droomen van mijn held."
Zij glimlachte in haar slaap. Ze zag haren ridder op zijn ros,
en achter hem drommen van lansknechten en edelen, luide roepend
zijnen naam.
"Reynout van Valkenburg!"
Waar de hoeven van zijn paard den bodem raakten, ontloken bloemen,
die jonge knapen plukten, ze tot kransen windende. Iedere ridder
ontving zijn krans, doch twee droeg Reynout. Dit was het vreemde,
dat hij geen zwaard vasthield, maar bloemen.
Ze aanschouwde het gelaat van den paladijn. Het glimlachte als in
den slaap. De droom was in zijn oogen, en zijn mond was gesloten. Hij
luisterde niet naar het juichen der makkers.
Zij ging naast zijn paard. Zij streelde de bloemen en de handen, die
de bloemen droegen. Toen zag ze naar hem op, hij echter wendde zijn
oogen niet af van de verte. Zij hoorde haarzelve spreken, luider dan
alle jubeling rondom hem.
"Een kindeke is ons geboren, Reynout."
Hij hoorde het niet. Hij staarde in de verte, en de glimlach veranderde
niet om zijn gesloten mond.
Diep in haar droom was het bewustzijn, dat de liefde het grootste
wonder des levens is, en het grootste goed der menschen. Zij gevoelde,
dat zij in haren slaap glimlachte met denzelfden glimlach, dien haar
ridder had.
Ook voor haar verstomde het geluid der jubeling, en ze hoorde nu
slechts den eentonigen stap van het paard.
Eensklaps begon het paard te draven. Zijn hoeven ketsten tegen den
grond, dat het klonk als klop na klop.
Schrikkend ontwaakte ze.
Zou hij aan de poort geklopt hebben? Waarom versliep ze haar tijd? Zoo
zij hem door haar ziekte dan niet tegemoet kon treden, haar stem had
hem toch kunnen verwelkomen. Nu wachtte hij buiten, en haar stem had
gefaald. Hoe zou ze hem kunnen overtuigen, dat zij hem liefhad?
Waarom eindigde het geklop niet? Waarom trad hij niet binnen?
Was het wel beuken van een hand, tegen de poort? Was het niet veel meer
't aanhoudend slaan van plank bij plank, tot een doodkist.
Zij richtte zich op en angstig vroeg ze haar moeder:
Mer segh mi, 't geruchte op den ganck
Is dat niet kloppen planck bi planck?
De moeder hield haar smart voor haarzelve. Ze wilde niet zeggen,
dat Reynout dood was. Zij zou 't later vertellen.
Zij glimlachte.
"Mijn dochter! 't is de oude zolderpui, die hersteld wordt."
"'t Is als 't maken van een doodkist," huiverde de jonge vrouw,
en ze drong het kind dichter tegen zich aan.
"'t Zal niet lang meer duren, en de ridder keert huiswaarts."
Ze zeide het met zekerheid, en haar dochter geloofde haar. Ze wilde
weder rusten, en ze sloot haar oogen. Weder deinden haar gedachten
weg--Het kloppen had opgehouden. 't Was even stil.
Waarom opende de gravin haar oogen, en zag ze haar moeder verschrikt
aan? Er was nog geen geluid, en toch was er een naderende dreiging--een
schemerende angst.
"Moeder--moeder," klaagde de jonge vrouw.
"Wat wilt gij, mijn dochter?"
En ineens zongen de priesters, die Reynout's lijk wegdroegen. Welk
een wonder is de liefde, die het gevaar vooruit-gevoelt. Al eer de
lijkzang had geklonken, was het geluid in haar ziel geweest, en wat
nu refreinde, was slechts een echo.
"Moeder, moeder, moeder mijn! Wie zingt er zoo droeve?"
"Mijn dochter, het zijn de pelgrims van Sint-Jago."
"Moeder! laat zij heengaan. Het is als de lijkzang van priesteren
voor eenen doode. Ik meende, dat het voor Reynout was."
"Neen, mijn dochter, wees gerust. Het zijn pelgrims, gij kunt mij
gelooven."
"Dan zal ik weder slapen--"
Zij sliep en droomde.
Haar held klopte het paard op den nek, en fluisterde het toe. Het
dier minderde zijn vaart, het reed stapvoets. 't Geheele leger van
ridderen, knapen en knechten reed stapvoets. 't Leek, of de rit
van al de honderden helden geluidloos was, en ze zag zichzelven
geluidloos gaan naast Reynout's ros. Terwijl zij glimlachend om
haar geluk voortschreed--telkens zag ze op naar 't gelaat van haar
ridder--schoot er plotseling een angst door haren vrede, en ze bemerkte
ook, dat Reynout's voorhoofd gerimpeld was. 't Zou om dezelfde reden
moeten zijn: ze was slechts in schamel kleed gehuld, en dit vergaf
hij haar niet.
Zij hoorde hem zeggen--zijn stem was toornig:
"Waarom kwaamt ge me zóó armoedig tegemoet? Waarom hebt gij u voor
mijn intocht niet getooid? Zelfs met de meest-eenvoudige bloemen des
velds waart gij toch welkom geweest."
"Hoort dan!" zoo antwoordde zij treurig, "een kindeke is ons geboren,
en langen tijd heb ik krank gelegen. In de verte hoorde ik u komen,
en ik ben opgestaan, zoo ziek en schamel als ik was. Wees daarom
niet vertoornd."
De rimpelen in zijn voorhoofd bleven. Zijn oogen waren van haar
afgewend. Haar hart klopte fel, daar zijn stem boos was.
"Ga heen, en hul u in ander gewaad. Keer dan bij me weder."
Ze besloot, om haar bruidskleed te halen. Terwijl zij zich verbeeldde,
dat zij haastig naar het slot liep, schrok ze weder wakker. Haar
moeder zat aan haar legerstede, en de werkelijkheid keerde terug.
"Moeder! als Reynout komt, wil ik me kleeden in mijn bruidsgewaad,
in rood en in blauw, opdat hij mij vroolijk begroete."
Toen sloeg haar moeder de handen aan 't hart en luide weende ze.
"Draag geen rood en draag geen blauw, maar zwart alleen, mijn lieve
kind."
"Min kind, ic 't niet meer bergen kan,
Dood en gesonken is din man"
Niet luiden de doodsklokken zóó dof, niet zingen de priesteren, die
het lijk wegdragen zóó droeve, en alleen uit de stem reeds wist de
jonge vrouw, wat er gebeurd was.
Ze vond, om haar smart te klagen, niets dan deze woorden:
"O! grond, rijt op, 'k wil in din schoot
Bi Reynold wesen in der doot."
De steenen, die geen tranen hebben, en geen medelijden met menschenwee,
hoorden haar bede, en ze fluisterden met elkander.
"Dit is een leed, dat wij niet kennen," spraken ze, "en als wij kunnen
helpen, laten wij het doen!"
De rots, waarop het kasteel was gebouwd, vernam de nooit-gehoorde
stem der steenen en ontwakend uit het eeuwige zwijgen, vroeg zij hen:
"Wat is er geschied, dat gij spreekt?"
"Wee--wee," antwoordden de steenen, "bij uw hart ligt Reynout van
Valkenburg, voor eeuwig verzonken, en in het slot weent zijn gemalin,
om bij hem te wezen in den dood. Open u, doe het kasteel vergaan,
dat op u rust, en neem haar op, dat zij zich met Reynout vereenige."
Toen gevoelde de rots het goddelijk medelijden, en vol liefde opende
zij zich, en deed het slot tot puin vallen. De jonge vrouw zonk in de
klove tusschen den harden steen, en ze viel neder naast Reynout's lijk.
Uit de rots groeide een hooge eikeboom, machtig van stam, zwaar van
tak, een breede schaduw vleiend over den weg.
Om den top vlogen twee vogelen, duif en doffer. Hun gemeenschappelijke
vlucht zocht den hoogen hemel.
Ze waren de zielen gelijk van Reynout en zijn vrouw, die nu tezamen
zijn in den eeuwigen dood, dat is in het eeuwige leven.
Reynout van Valkenburg ... u heeft uw vrouw meer liefgehad dan
haar kind.
Hij was uitgereden, de trotsche held.
"Vaarwel! vaarwel! Nog geen jaar en ik keer weder. Mijn plaats is,
waar mijn mannen en vrienden zijn. Als ik terug kom van den langen
weg, luister dan naar het lied van den zanger, want mijn naam zal
hij zingen ...: Reynout van Valkenburg. Vaarwel! En als het kind is
geboren, neem het in uwe armen, en wieg het bij dat lied. Vaarwel
ook, edele moeder! Geboren ben ik, om te strijden, want groot is
mijn geslacht. Streel mijn armen onverwinbaar zijn ze van kracht, en
wee den vijand. Om het edele goed en bloed en recht strijd ik--wees
daarom niet versaagd. Vaarwel!"
Hij reed heen, en de vrouwen zagen hem verdwijnen als een stofwolk
op den weg, opwarrelende en verwarrelende in den wind. Hij ging,
waar de strijd hem wachtte. Hij streed, waar het gevaar 't grootst was.
"Reynout van Valkenburg!" klonk zijn stem, en de vijanden vloden. Zóó
rukten hij en zijn vrienden van slag tot slag, steeds dieper dringend
in het vreemde land. Het geschiedde, wat hij had gezegd: vele zangers
zongen van zijn roem, hun liederen klonken over de landen, en tot in
Reynout's slot drongen zij door. Reynout's vrouw hoorde ze in hare
krankheid en ze fluisterde tot haar kind:
"O groot geluk, dat gij geboren zijt in deze dagen, nu zijn roem over
de wereld schalt. Wanneer hij wederkeert, zal ik wellicht genezen
zijn van al mijne smart, en ik zal voor hem zingen."
Zijn moeder zag uit het venster. Gesteund door zijn schildknapen,
kwam de edele ridder gewond uit den strijd terug. Eerst wilde zij haar
blijdschap jubelen--want zij was zoo gelukkig, dat zij hem zag. Hoe
hij ook wederkwam, hij was haar zoon.
Toen werd zij angstig. Waarom gingen zij drieën zoo langzaam? Zij
liep hen tegemoet.
"Reynout! Reynout! mijn zoon! Uw vrouw gewan een kindeke."
Hij zag haar niet aan, terwijl hij sprak. Moede zonk zijn hoofd ineen.
"Leg mij in het blanke bed, opdat ik ruste. Ik ben ziek."
"Reynold! Reynold! zone mijn,
Din vrouw gewan een kindekijn,"
"So leget mi in die coetse blank,
Opdat ic ruste. Ic ben crank."
"Reynout! gij zult niet sterven. Gij moogt niet sterven."
Men droeg hem naar het bed. Men strekte zijn leden uit.
"Reynout! uw vrouw wacht op u. Zij wil u haar kind toonen."
"Laat mij sterven, moeder ...."
"Reynout! groot is uw roem. O! mijn arm moederhart. O! uw vrouw, die
naar u verlangt! O! uw kind, dat geen vader zou hebben. Sterf niet."
"De lansepunt drong mij in den rug--niet in mijn borst ben ik
gewond. Een verrader was het, die mij doodde."
"Spreek niet van den dood."
"Ach moeder! 't Is alles God's wil. Doe de klokken luiden, wanneer
ik gestorven ben .... Luid de klokken. Zeg mijn vrouw vaarwel--zeg
mijn kind vaarwel."
Hij stierf, de edele ridder van Valkenburg.
De klokken luiden met doffen, dooden klank. Zij hielden niet op. Ze
droegen de smart over het verre land. Al het leed dezer wereld was
er in den klank dezer klokken.
"Waarom zijn de klokken heden zoo treurig, moeder?"
"Mijn dochter! 't is een ommegang met vaan en kruis en psalmenzang."
"Dan wil ik slapen, en droomen van mijn held."
Zij glimlachte in haar slaap. Ze zag haren ridder op zijn ros,
en achter hem drommen van lansknechten en edelen, luide roepend
zijnen naam.
"Reynout van Valkenburg!"
Waar de hoeven van zijn paard den bodem raakten, ontloken bloemen,
die jonge knapen plukten, ze tot kransen windende. Iedere ridder
ontving zijn krans, doch twee droeg Reynout. Dit was het vreemde,
dat hij geen zwaard vasthield, maar bloemen.
Ze aanschouwde het gelaat van den paladijn. Het glimlachte als in
den slaap. De droom was in zijn oogen, en zijn mond was gesloten. Hij
luisterde niet naar het juichen der makkers.
Zij ging naast zijn paard. Zij streelde de bloemen en de handen, die
de bloemen droegen. Toen zag ze naar hem op, hij echter wendde zijn
oogen niet af van de verte. Zij hoorde haarzelve spreken, luider dan
alle jubeling rondom hem.
"Een kindeke is ons geboren, Reynout."
Hij hoorde het niet. Hij staarde in de verte, en de glimlach veranderde
niet om zijn gesloten mond.
Diep in haar droom was het bewustzijn, dat de liefde het grootste
wonder des levens is, en het grootste goed der menschen. Zij gevoelde,
dat zij in haren slaap glimlachte met denzelfden glimlach, dien haar
ridder had.
Ook voor haar verstomde het geluid der jubeling, en ze hoorde nu
slechts den eentonigen stap van het paard.
Eensklaps begon het paard te draven. Zijn hoeven ketsten tegen den
grond, dat het klonk als klop na klop.
Schrikkend ontwaakte ze.
Zou hij aan de poort geklopt hebben? Waarom versliep ze haar tijd? Zoo
zij hem door haar ziekte dan niet tegemoet kon treden, haar stem had
hem toch kunnen verwelkomen. Nu wachtte hij buiten, en haar stem had
gefaald. Hoe zou ze hem kunnen overtuigen, dat zij hem liefhad?
Waarom eindigde het geklop niet? Waarom trad hij niet binnen?
Was het wel beuken van een hand, tegen de poort? Was het niet veel meer
't aanhoudend slaan van plank bij plank, tot een doodkist.
Zij richtte zich op en angstig vroeg ze haar moeder:
Mer segh mi, 't geruchte op den ganck
Is dat niet kloppen planck bi planck?
De moeder hield haar smart voor haarzelve. Ze wilde niet zeggen,
dat Reynout dood was. Zij zou 't later vertellen.
Zij glimlachte.
"Mijn dochter! 't is de oude zolderpui, die hersteld wordt."
"'t Is als 't maken van een doodkist," huiverde de jonge vrouw,
en ze drong het kind dichter tegen zich aan.
"'t Zal niet lang meer duren, en de ridder keert huiswaarts."
Ze zeide het met zekerheid, en haar dochter geloofde haar. Ze wilde
weder rusten, en ze sloot haar oogen. Weder deinden haar gedachten
weg--Het kloppen had opgehouden. 't Was even stil.
Waarom opende de gravin haar oogen, en zag ze haar moeder verschrikt
aan? Er was nog geen geluid, en toch was er een naderende dreiging--een
schemerende angst.
"Moeder--moeder," klaagde de jonge vrouw.
"Wat wilt gij, mijn dochter?"
En ineens zongen de priesters, die Reynout's lijk wegdroegen. Welk
een wonder is de liefde, die het gevaar vooruit-gevoelt. Al eer de
lijkzang had geklonken, was het geluid in haar ziel geweest, en wat
nu refreinde, was slechts een echo.
"Moeder, moeder, moeder mijn! Wie zingt er zoo droeve?"
"Mijn dochter, het zijn de pelgrims van Sint-Jago."
"Moeder! laat zij heengaan. Het is als de lijkzang van priesteren
voor eenen doode. Ik meende, dat het voor Reynout was."
"Neen, mijn dochter, wees gerust. Het zijn pelgrims, gij kunt mij
gelooven."
"Dan zal ik weder slapen--"
Zij sliep en droomde.
Haar held klopte het paard op den nek, en fluisterde het toe. Het
dier minderde zijn vaart, het reed stapvoets. 't Geheele leger van
ridderen, knapen en knechten reed stapvoets. 't Leek, of de rit
van al de honderden helden geluidloos was, en ze zag zichzelven
geluidloos gaan naast Reynout's ros. Terwijl zij glimlachend om
haar geluk voortschreed--telkens zag ze op naar 't gelaat van haar
ridder--schoot er plotseling een angst door haren vrede, en ze bemerkte
ook, dat Reynout's voorhoofd gerimpeld was. 't Zou om dezelfde reden
moeten zijn: ze was slechts in schamel kleed gehuld, en dit vergaf
hij haar niet.
Zij hoorde hem zeggen--zijn stem was toornig:
"Waarom kwaamt ge me zóó armoedig tegemoet? Waarom hebt gij u voor
mijn intocht niet getooid? Zelfs met de meest-eenvoudige bloemen des
velds waart gij toch welkom geweest."
"Hoort dan!" zoo antwoordde zij treurig, "een kindeke is ons geboren,
en langen tijd heb ik krank gelegen. In de verte hoorde ik u komen,
en ik ben opgestaan, zoo ziek en schamel als ik was. Wees daarom
niet vertoornd."
De rimpelen in zijn voorhoofd bleven. Zijn oogen waren van haar
afgewend. Haar hart klopte fel, daar zijn stem boos was.
"Ga heen, en hul u in ander gewaad. Keer dan bij me weder."
Ze besloot, om haar bruidskleed te halen. Terwijl zij zich verbeeldde,
dat zij haastig naar het slot liep, schrok ze weder wakker. Haar
moeder zat aan haar legerstede, en de werkelijkheid keerde terug.
"Moeder! als Reynout komt, wil ik me kleeden in mijn bruidsgewaad,
in rood en in blauw, opdat hij mij vroolijk begroete."
Toen sloeg haar moeder de handen aan 't hart en luide weende ze.
"Draag geen rood en draag geen blauw, maar zwart alleen, mijn lieve
kind."
"Min kind, ic 't niet meer bergen kan,
Dood en gesonken is din man"
Niet luiden de doodsklokken zóó dof, niet zingen de priesteren, die
het lijk wegdragen zóó droeve, en alleen uit de stem reeds wist de
jonge vrouw, wat er gebeurd was.
Ze vond, om haar smart te klagen, niets dan deze woorden:
"O! grond, rijt op, 'k wil in din schoot
Bi Reynold wesen in der doot."
De steenen, die geen tranen hebben, en geen medelijden met menschenwee,
hoorden haar bede, en ze fluisterden met elkander.
"Dit is een leed, dat wij niet kennen," spraken ze, "en als wij kunnen
helpen, laten wij het doen!"
De rots, waarop het kasteel was gebouwd, vernam de nooit-gehoorde
stem der steenen en ontwakend uit het eeuwige zwijgen, vroeg zij hen:
"Wat is er geschied, dat gij spreekt?"
"Wee--wee," antwoordden de steenen, "bij uw hart ligt Reynout van
Valkenburg, voor eeuwig verzonken, en in het slot weent zijn gemalin,
om bij hem te wezen in den dood. Open u, doe het kasteel vergaan,
dat op u rust, en neem haar op, dat zij zich met Reynout vereenige."
Toen gevoelde de rots het goddelijk medelijden, en vol liefde opende
zij zich, en deed het slot tot puin vallen. De jonge vrouw zonk in de
klove tusschen den harden steen, en ze viel neder naast Reynout's lijk.
Uit de rots groeide een hooge eikeboom, machtig van stam, zwaar van
tak, een breede schaduw vleiend over den weg.
Om den top vlogen twee vogelen, duif en doffer. Hun gemeenschappelijke
vlucht zocht den hoogen hemel.
Ze waren de zielen gelijk van Reynout en zijn vrouw, die nu tezamen
zijn in den eeuwigen dood, dat is in het eeuwige leven.
Beschrijving
Ridder Reynout van Valkenburg trekt ten strijde, en laat zijn zwangere vrouw en zijn moeder achter. Hij voorspelt dat zijn roem door veel zangers zal worden gezongen. Hun kind wordt geboren. Ridder komt gewond terug en sterft vlak na aankomst in het bijzijn van zijn moeder. Zijn moeder verzwijgt de dood van Reynout voor zijn vrouw omdat zij sinds de geboorte van haar kind ziek op bed ligt. Drie maal wordt de dochter wakker: door het luiden van de klokken, het maken van de doodskist, en de lijkzang op zijn begrafenis. Haar schoonmoeder zegt dat er niets aan de hand is. De vierde maal dat de vrouw wakker wordt kan Reynout's moeder de waarheid niet meer verhullen, en vertelt ze over Reynouts dood. De vrouwe heeft zo'n verdriet om de dood van haar man, dat de stenen haar smeekbede om zich bij haar man te voegen, vervullen. De rots van het kasteel splijt open en de vrouw zinkt in de kloof waar ook haar man lag. Uit dezelfde rots groeide een eikenboom. Uit de top vlogen twee vogels, duif en doffer en die vlogen samen naar de hemel.
Bron
Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p.116
Commentaar
1918
Voor een afbeelding, zie beeld.
DUIF EN DOFFER (blz. 116-122). Zie ook Limburg XX, 3e
aflevering. Beroemde overlevering, d.w.z. zij behoort beroemd te
zijn. Ik hoop hiertoe een weinig bij te kunnen dragen.
Opmerkingen overgenomen uit: Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
DUIF EN DOFFER (blz. 116-122). Zie ook Limburg XX, 3e
aflevering. Beroemde overlevering, d.w.z. zij behoort beroemd te
zijn. Ik hoop hiertoe een weinig bij te kunnen dragen.
Opmerkingen overgenomen uit: Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Naam Overig in Tekst
Reynout van Valkenburg   
God   
Sint-Jago   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
