Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN025 - De Weerter Rogstekers

Een sage (boek), 1918

Hoofdtekst

De Weerter Rogstekers

In de dagen van Olim, toen Weert Weert nog niet was, woonden er
tòch in het stedeke van Jan van der Croon reeds moedige mannen, die
gaarne wilden laten zien, wat zij t' avonture vermochten. Zij lieten
de spierballen hunner armen dikwijls opzwellen, en zij schudden de
wapenen, als gingen zij den vijand tegemoet: ojammer echter! de vijand
bleef uit, en de Weertenaren dienden hun dapperheid tot later gebruik
in te pekelen.

Op een dag reed er door het stadje een vischkoopman, die de goede
burgers eindelijk tot de befaamde helden zou maken, over wie nog in
gansch Limburg en Noord-Brabant met stillen eerbied wordt gesproken.

De vischkoopman dan had een rog op zijn wagen, die, zonder dat hij
't merkte, van zijn kar op de straat glipte en in 't mulle zand der
straat bleef liggen. Hij ging door, en de Weertenaren bleven met
't monster alleen. Ze wisten niet, wat het was, en met schuifelende
schreden kwamen ze, de hoofden vooruit, dichterbij. Hoog sprong het
in de lucht, en met geweld sloeg het, daar zijn krachten hem begaven,
door de zwaartekracht weder naar beneden. Een wilde, wanordelijke
vlucht der aanvallers volgde, en de rog had zich dus ten eersten male
goed tegen de helden verdedigd.

Een der Weertenaren ging op het dak zitten, en keek vandaar naar
het gruwelijk ondier. Een ander klom in een boom, en begon het met
steenen te bombardeeren. Men zou het duivelsch gebroed, dat in 't
rustig stadje uit de lucht was komen vallen, wel klein krijgen!

Gillende vrouwen hielden onderwijl haar mannen bij de
jas. Kinderen schreiden om de algemeene angst, en iedereen was
klaar, om nog verder weg te loopen, als de rog weder een van zijn
slangelijfkunstenaars-grappen zou uithalen.

Gelukkig overlegde een burger, dat men in Weert nog een schout
had. Doch waar was de schout? Als er niets gebeurde, zag men hem met
strenge passen en met vreeswekkende rimpels in zijn voorhoofd over
de straat gaan. Dan keek hij naar ieder onschuldig varken, dat in den
grond wroette, als ware het dier een vermaarde roover, die onschadelijk
gemaakt moest worden, en zoo nu en dan bleef hij plechtig staan,
of hij de goede burgerij verzekeren wilde: "Zoolang ik schout ben,
zal er in Weert niets buiten de welvoegelijkheid geschieden."

Aan den anderen kant ... áls er werkelijk eens wat voorviel! Dan
waren nóch de schout nóch zijn rakkers ergens te vinden. Men klopte
tevergeefs aan hun deuren. Ze waren spoorloos verdwenen, totdat zij
weder zonder gevaar konden naderen, en de delinquent door de burgers
zelf gevangen was genomen. Dan klonken hun krijgshaftige passen
al dichter en dichterbij. Hun oogen waren klein en stekelig. Hun
wenkbrauwen borsteliger dan ooit, en hun wapenen rink-rinkelden onder
't gaan. Als ze den misdadiger naar het kot sleepten, deden ze dit
naar de eischen der hoogste kunst.

Ook op het oogenblik, dat de rog zoo'n vervaarlijken salto-mortale
had gemaakt, was de schout niet aanwezig, maar de vrouw van den smid
snapte hem net precies, toen hij zich wilde verstoppen. Zij jubelde:

"De schout! de schout!" en ze trok hem naar voren.

Wat moest hij beginnen, de arme kerel? Hij gevoelde de
verantwoordelijkheid zijner betrekking, hij kuchte met een moed,
die iedereen vertrouwen gaf, en hij stapte naar voren, teneinde een
toespraak tot de mannen van Weert te houden, gelijk helaas zoo menig
veldheer, die zeer goed zijn _troepen_ moed weet te verschaffen,
doch die zelf op den achtergrond wenscht te blijven, waar 't gevaar
hem niet bereiken kan.

"Burgers!" zoo sprak hij, "de eer onzer goede vaderstad eischt, ja
eischt, dat wij gindschen draak verslaan. Gij allen hebt wel eens
van Sint Joris gehoord."

De rog sprong in de hoogte, en alle Weertenaren, de schout incluis,
maakten, dat ze weg kwamen.

Op een afstand zette de schout zijn rede voort.

"Wat ik zeggen wil! als men oprukt voor het gemeenebest, dan dient
men niet alleen te beschikken over den Weertschen moed, maar ook over
Weertsche trouw en Weertsch beleid. Zoo de vijand binnen onze poorten
is, kunnen wij hem niet tegemoet trekken in wanordelijkheid, zooals
ik daareven uit mijn hinderlaag heb ontdekt, neen! burgers of leeuwen,
wij moeten ons in vaste rijen scharen, en, zonder te wijken, ineens op
den belager, die wreedheid aan lafheid paart, afstormen. Zeker kunt gij
hierbij uw leven verliezen, maar weet! dat er voor een burger niets
schooner is dan voor het vaderland te sterven. Daarginder ligt het
vaalzwarte monster, zijn oogen loeren naar ons, en hij heeft den bek
open, om ons allen tegelijk te verslinden. Op voor Weert! Uw wapenen
vooruit, zooals zij in uw handen zijn, spiesen en lansen en messen
en mestvorken en schoppen, en dan allen tegelijk voorwaarts. Één,
twee, drie."

En daar schoten de Weertenaren naar voren, slechts gehinderd door
de vrouwen en verloofden, die hen trachtten tegen te houden bij
schouder of been, en die zich desnoods mede lieten sleuren, om _hun_
man maar niet de eerste te doen zijn. De schout had geen eega van
noode: hij bleef vanzelf wel achter, teneinde op een afstand de
strategische kansen van voor- en tegenpartij te wikken en te wegen;
booze tongen willen wel eens beweren, dat hij zich gaarne in zijn
hinderlaag had teruggetrokken. Hoe dit zij, zijn zware stem gaf den
anderen dapperheid genoeg, totdat de rog, misschien zelf verschrikt
door al het kabaal, zich met zijn laatste kracht in de hoogte hief,
en de burgers, losgelaten doorhun vrouwen, denzelfden weg _terug_
snelden, dien ze met zooveel voorzichtigheid _heen_ hadden afgelegd.

De schout schudde 't hoofd, toen zij zich weder om hem verzamelden.

"Mannen van Weert!" zeide hij, "ge zult 't me niet euvel duiden,
wanneer ik verklaar, dat ik meer van u had verwacht! Leer van mij,
dat iedereen wel zeggen kan: 'Ik heb moed.' Maar moed, burgers van
Weert, is moed, dien men toont."

Dit waren allen met hem eens, en de schout ging voort.

"Ik geef toe, dat de overmacht te groot is, om met goed gevolg
te worden bestreden, en daarom is versterking onzer troepen een
gebiedende eisch. Laat ons dus de klokken luiden, teneinde onze trouwe
bondgenooten in den omtrek te verwittigen, dat er groot gevaar is in
Weert, en laten we ons zoolang hier op den achtergrond houden. Wanneer
de vijand ondertusschen mocht naderen, kunnen wij nog de wijk nemen,
want het is geen gebrek aan moed, burgers van Weert, als men vlucht,
om later een aanval des te beter te doen slagen."

De klokken werden geluid, verkondigend, wijd-uit, dat de burgers in
groot perikel verkeerden; de boeren daarbuiten hoorden het, en ze
maakten zich op, om te helpen, zooals het goede buren betaamt. Ze
kwamen aanrijden op dikke paarden, of wel snelden ze toe met zeis
en met sikkel, met schaar en met ploegijzer, en met dichte drommen
drongen ze de stad binnen.

"Wat is er hier te doen?"

"Waarmede kunnen wij helpen?"

"We konden niet eerder komen!"

De schout knikte hen vriendelijk toe.

"Landlieden! het is ook uw belang, dat de vijand, die gij ziet, wordt
verslagen. Want verneemt, dat de draak, die daar ligt, uit Rusland
is komen aanvliegen, recht op Hamont toe, waar het drie menschen met
huid en haar heeft verslonden. Dit was nog niet voldoende voor zijn
onverzadiglijken honger."

De stedelingen en boeren rilden.

"Van Hamont snelde het naar Budel, en daar viel het onverwacht een
koopman aan. Met één slag behoorde deze tot het rijk des doods,
en 't ondier opende den muil, om het lijk te verzwelgen. Nadat hij
hiermede gereed was, verlangde hij nog een kleine toespijs, en onder
het vliegen naar Weert greep hij, ondanks het gejammer der moeder,
een driejarig kind bij de beenen op, en met een hap en een snap was
't al in zijn keelgat verdwenen."

Langen tijd zweeg men, met hijgenden adem naar den rog
starende. Eindelijk riep één der boeren:

"'t Is geen dier, 't is de Duivel, welke zich in deze gedaante aan
ons vertoont. Wat helpen ons deze wapenen tegen hèm?"

Maar de burgers mokten:

"Als hij zoo gevaarlijk is, kunnen wij hem hier niet laten. Want
anders kunnen we nooit meer over de straat wandelen, zonder dat hij
één onzer als zijn prooi uitkiest. Te wapen! te wapen! we zullen hem
aan onze spietsen steken."

Nu waarlijk trokken ze met man en macht vooruit, bereid, om te
sterven. Doch nauwelijks waren ze het monster genaderd, of de koopman,
die het had laten vallen, drong zich nog vlugger naar voren dan de
Weertsche helden.

"Och heeren, och heeren, 't is de rog, dien ik verloren heb. Heeren,
heeren, hij doet niemand kwaad, waarom zou u mijn rog steken? 't Is
maar een visch!"

Hij nam, denk eens aan, het ondier in zijn handen en legde het weder
op de kar. De Weertenaren zagen, dat hij er rustig mede weg-reed.

De boeren lachten om de stadslui, dat zij schudden.

"Jullie moeten eens weer de klok luiden, domme _rogstekers!_"

Sindsdien heeten de lui van Weert alom in het land van Brabant en
Limburg: "de rogstekers," en ze zullen dien naam behouden, zoolang
Weert Weert blijft.

Onderwerp

SINAT 1310* - Der Rochen wird für den Teufel gehalten    SINAT 1310* - Der Rochen wird für den Teufel gehalten   

Beschrijving

Op een dag reed er een viskoopman door Weert. Tijdens deze rit viel er een rog van zijn kar. Toen de Weertenaren het dier zagen liggen dachten ze dat het een monster was. Gelukkig hadden de burgers van Weert nog een schout en met zijn allen ging men naar hem op zoek. Echter de schout en zijn knechten waren enorme lafaarden en hadden zich verstopt. De vrouw van de smid vond echter de schout zijn schuilplaats en vraagt hem om hulp. In eerste instantie vraagt hij alle burgers hun wapens te pakken en in de aanval te gaan. Echter als het beest beweegt, deinst men terug. Daarna luid hij de klokken om hiermee de hulp van omliggende boeren te vragen. Als die aankomen wordt er druk over het dier gepraat en uiteindelijk wordt het dier zelfs aangezien voor de duivel. Dan plotseling spreekt er een man, het blijkt de vissersman te zijn die zijn rog had verloren. Hij verklaart allen voor gek dat ze bang zijn voor het simpele dier. De boerelui breken daarna in lachen uit en noemen de stedelingen vanaf die dag 'Rogstekers'. Sindsdien worden de Weertenaren 'Rogstekers' genoemd.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p.132

Commentaar

1918
DE WEERTER ROGSTEKERS (blz. 132-137). Legio is het aantal namen,
dat den bewoners van verschillende steden wordt geschonken: "Weerter
Rogstekers," "Deventer stokvisch," "Zutphensche wind," "Leeuwarder
galgelappers," "Amsterdamsche koeketers," "Haarlemsche muggen,"
"Makkumsche strandroovers," "Franeker klokkedieven," "Winsumsche
Spinzakken," "Asser biggen," "Bornsche meelvreters."

Aan een der Kamper uien (zie vgd.) ligt de Kampensche naam "Kamper
steur" ten grondslag.

Verder: "Texelsche kwallen," "Hoornsche krentebollen," "Zaamslagsche
strooplikkers," "Dordrechtsche schapedieven," "Zaandijksche
krentekakkers."

Van "Haagsche bluffers" hebt ge algemeen gehoord, en de "Werkendamsche
brijbroeken" genieten ook eenige reputatie.

In de verklaring dezer namen liggen verschillende verhalen ten
grondslag.

Door een onbekenden X is een gedicht op de Weerter rogstekers
geschreven. Hieraan is 't volgende ontleend:

Te Weert had nog niemand de peluw verlaten,
Toen knakkend de kar ging de straat op en neer,
De hoef van de paarden reeds klonk door de straten.
Ineens ploft de rog uit de hotsende kar.
En ligt als een ongedierte achter den wagen.
Zijn vaalzwart, maar flikkerend oog als een star,
Is zeker een teeken van onheil en plagen.
Weldra komt een aaklig, naar galmend geschreeuw
De rust der ontwakende Weertenaars storen ...."

De aanval op den rog wordt op geestige wijze aldus geteekend:


"Jan, steek!" riep een vrouw, die het venster uitkeek.
"Als gij uw Jan," zei de andre, "'t gevaar zoo zaagt tergen
Als mijn Jan, dan zoudt ge niet zeggen: Jan steek!
Dan zoudt ge geen zekeren dood voor hem vergen."

En het roepen der landlieden:

"Alarm slaat nu 't doffe gerommel der trom,
Verspreidt de verwondering door de gehuchten,
Die allen in roer zijn: het klokkengebrom
Doet ijslijk de loopende landlieden zuchten.
Zij stroomen met hoopen door 't veld; als een wolk,
Zoo worden zij zwart door de straten gedreven,
En dringen vooruit door het krielende volk,
En vragen: "Wat is er. Wat wil toch dat leven?"

't Onheil, dat de rog heeft aangericht:

"'t Heeft in Hamont drie menschen verscheurd,
Vandaar is het pijlsnel op Budel gevlogen,
Daar viel ook dit lot aan een koopman te beurt,
Men randde het aan en 't verdween uit hun oogen."
"Het heeft," zegt weer deze, "met ijslijk gehuil
In 't vliegen een driejarig kind opgenomen,
Met 't schreeuwende wicht in zijn bloedigen muil
Vloog 't heen als een wind, over huizen en boomen."
Opmerkingen overgenomen uit:Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Der Rochen wird für den Teufel gehalten & TM 2602, Spotnaam voor naburig dorp (stad) of hun inwoners

Naam Overig in Tekst

Olim    Olim   

Jan van der Croon    Jan van der Croon   

Sint-Joris    Sint-Joris   

Duivel    Duivel   

Rogstekers    Rogstekers   

Weertenaren    Weertenaren   

Duivel    Duivel   

Naam Locatie in Tekst

Weert    Weert   

Limburg    Limburg   

Noord-Brabant    Noord-Brabant   

Rusland    Rusland   

Hamont    Hamont   

Budel    Budel   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20