Hoofdtekst
In het oude koninkrijk Lilefoort heerschte de vorst Pyrion, wier
vrouw Matabrune was geheeten. Zij was slecht van hart, hoe slecht,
zult gij uit deze schoone historie en miraculeuse geschiedenis van
den ridder met den zwaan hooren.
Koning Pyrion en koningin Matabrune hadden een zoon, met name
Oriant, een jongeling, die de jacht liefhad. Eens, dat hij een
hert achtervolgde,--het was na zijn vader's dood en hij was koning
van Lilefoort--moest hij 't lijdelijk aanzien, dat 't dier zich,
vluchtend, in een stroom wierp, en zwemmende den anderen oever
bereikte. Toen keerde Oriant terug, en ging rusten onder eenen boom,
bij eene bron. Terwijl hij daar nu zat, kwam er een jonkvrouw met vier
dienstmaagden, eenen ridder en twee knechten, en ze zeide tot Oriant:
"Wat doet ge in mijne heerlijkheid te jagen? Wie heeft u daartoe
verlof gegeven. Of meent ge, dat ik niet gezien heb, hoe ge een hert
hebt achtervolgd? Voorwaar, ik zeg u, het had u niet behoord, zoo ge
het had gedood! Doch ook thans zult gij uw misdrijf boeten."
Oriant had voortdurend haar aangezien, terwijl ze deze woorden sprak,
en de stem, waarmede hij antwoordde, kende alreeds de ontroering
der liefde.
"Schoone jonkvrouw--" zoo zeide hij, "ik zou niet gaarne tegen
uwen wil handelen. Wat ik nam, nam ik als uw leenheer. Weet, wie
ik ben! Mijn naam is Oriant, en ik ben de zoon van koning Pyrion en
koningin Matabrune: koning van Lilefoort ben ik."
De ridder--Savari was zijn naam--sprong, na deze woorden te hebben
gehoord, van zijn paard, en knielde neder. Groetend den edelen vorst,
smeekte hij als volgt:
"Heer! vergeef Beatrijs, mijne gebiedster, wat ze u heeft misdaan. Zij
kende u niet, en dit is de reden van hare misdaad."
Mild sprak de edele heer, Oriant, de zoon van koning Pyrion en
koningin Matabrune:
"Wat zij boeten zal, zal met haren wil zijn. Ik ben ontroerd door
hare schoonheid."
En hij keerde zich tot de jonkvrouwe en sprak:
"Welschoone maagd! wilt ge mijne bruid zijn, ik zal u kronen tot
koninginne van Lilefoort. Ik belove, op mijn ridderwoord, zoolang
gij leeft, ik zal geene andere trouwen dan u."
Toen voerde hij de reine Beatrijs naar Lilefoort, en al zijnen ridders
zeide hij, dat hij met haar zou trouwen. En men vertelde het Matabrune,
dat Oriant Beatrijs tot koninginne zou kronen.
Nauwelijks had Matabrune het gehoord, of ze trad haren zoon Oriant
tegemoet. Oriant lachte, daar hij meende, dat zijn moeder wel mèt
hem verblijd zou zijn, en hij riep haar uit de verte toe:
"Wees blijde, wees blijde, want ik heb de schoonste vrouw der wereld
gevonden."
Matabrune antwoordde toornig:
"Niet ben ik blijde, neen! niet ben ik blijde, gij hebt maar een
eenvoudig meisje genomen, gij, een machtige koning."
Oriant lachte niet meer. Hij vervulde echter zijn belofte, Beatrijs
gedaan, in tegenwoordigheid van den ridder Savari, en hij kroonde haar
als de koninginne van Lilefoort. De booze Matabrune moest wel doen,
alsof zij tevreden was, al haatte ze Beatrijs, de schoone koningin.
Matabrune verzoende zich niet met Beatrijs, en ze was niet gelukkig
met allen, die Oriant liefhadden. Toen koningin Beatrijs moeder van
een tweeling was geworden, fluisterde Matabrune, nadat de kinderen
ten doop gebracht waren, tot Oriant den koning:
"Zien mijn oogen het goed, dat er twee kinderen zijn, die Beatrijs u
heeft geschonken? Weet gij wel, dat deze twee kinderen niet beiden van
u kunnen zijn? Ik vrees, dat Beatrijs ook eenen anderen man liefheeft."
Oriant wachtte niet lang met zijn antwoord.
"Waarom kunnen er niet twee kinderen tegelijkertijd geboren worden? Dat
kan zeer wel geschieden, moeder, want God's goedheid kan ééne vrouw
wel zeven kinderen geven, waarom dan niet twee?"
De booze Matabrune bemerkte hieruit, dat de koning te verblijd was,
en haar niet geloofde. Daarom wachtte zij op een lateren tijd.
Nu geviel het, dat er eenige maanden daarna oorlog uitbrak, en de
edele koning Oriant met zijne ridders ten strijde toog. Voor dien
liet hij zijne moeder Matabrune bij zich komen, en hij zeide haar:
"Zult gij--wanneer ik weg ben--voor mijne vrouw Beatrijs zorgen,
of zij uw dochter ware? Zie! ik vertrouw haar u toe."
Matabrune sprak hierop plechtig:
"Ik belove 't u."
Oriant nam van, zijn reine vrouw Beatrijs afscheid. Zij weenden beiden,
en hun tranen vloeiden ineen. Hij kuste haar 't voorhoofd en den mond,
en hij streelde hare armen, zonder woorden te zeggen. Hij besteeg
zijn paard, en toen vertrok de vorst, de voorste der ridderen, gelijk
't behoort.
Zoodra hij was heengegaan, bedacht Matabrune, hoe zij zich op Beatrijs
kon wreken. Ze liet de vrouw bij zich komen, die voor Beatrijs in
hare krankheid had gezorgd, en ze sprak tot haar als volgt:
"Ge weet wel, dat mijn zoon Oriant tegen mijnen wil Beatrijs heeft
getrouwd, die maar een arm meisje was, en hij was een machtig
koning. Hoor nu, wat ik heb besloten, want ik wil, dat hij van haar
afkeerig wordt."
"Ge weet--" zoo antwoordde de vrouw, "dat Beatrijs, de koningin,
weder een kind verwacht. Wat meent ge, als we zouden zeggen, dat
zij dit kind heeft gedood? Zeker zou de koning, Oriant, haar haten,
wanneer hij dit zou hooren:"
"Dit is mij niet genoeg--" hernam Matabrune. "Zoovele kinderen als
Beatrijs ter wereld zal brengen, zoovele jonge honden leggen wij
ervoor in de plaats. Wij zullen dan zeggen, dat deze jonge honden
hare kinderen zijn, en ik zal iemand bevelen, om haar werkelijke
kinderen weg te dragen en te dooden. Dan voorwaar zal Oriant, de
koning, wel van Beatrijs afkeerig zijn."
De vrouw beloofde, dat zij gehoorzaam zou zijn aan Matabrune's bevelen.
Beatrijs bracht zes zonen ter wereld en eene dochter. Ze hadden
allen bij hun geboorte een zilveren keten om den hals, zoo edel was
de moeder. Nauwelijks had Matabrune dit alles vernomen, of ze voerde
de kinderen weg, en in de plaats daarvan legde ze zeven jonge honden
naast Beatrijs, de zieke koningin.
Dit nu riep de vrouw, die Matabrune bij zich had laten komen. Ze riep
met luide stem tot Beatrijs:
"Wee koningin Beatrijs! Wee over u! Gij hebt zeven jonge honden ter
wereld gebracht! Wee! Wee!"
De slechte Matabrune zeide:
"Doe weg dat schandelijk stuk, en begraaf de honden op het veld. Houd
het geheim, vrouw, opdat des konings eere niet gekrenkt worde."
Beatrijs dan was zeer zwak. Zij had het niet bemerkt, welk verraad er
was geschied. Het duurde wel een tijd, voor ze bij haar zinnen kwam. Op
dat oogenblik keerde Matabrune haar gansche haat tegen Beatrijs, de
ongelukkige koningin uit, haar scheldend met booze woorden, dat zij
jonge honden het leven had geschonken en geene kinderen. Met moede
stem zeide Beatrijs:
"Toon ze me dan, want ik kan u niet gelooven."
Men liet haar de jonge honden zien, en toen schreide Beatrijs, omdat
ze voor altijd de liefde van haren man, Oriant, had verloren.
De vrouw, die haar in haar ziekte had verzorgd, zeide met valsche stem:
"Ge behoeft niet te weenen, edele koningin, want ge hebt uw schoonheid
behouden, en Oriant zal u niet minder liefhebben, wees er zeker van."
Beatrijs schreide door, en naar dezen troost luisterde ze niet.
Matabrune was verblijd, daar haar de schandelijke daad tot dusver
was gelukt. Zij riep haren dienaar--Marcus was zijn naam.
"Vriend, ge moet mij eenen dienst bewijzen, maar ge moet geheim
houden, wat ge voor mij doet. De koningin, de sluwe Beatrijs, is moeder
geworden van zeven kinderen, zes zonen en eene dochter, die droegen bij
hunne geboorte ieder een zilveren keten om den hals. Dit is een teeken,
dat zij later dieven en moordenaars zullen worden, en daarom moeten
ze sterven, vóór zij Oriant, den koning, in schande brengen. Voer de
zeven kinderen met u in een bosch, en doe ze daar sterven."
Marcus boog voor de slechte koningin, Matabrune, en hij beloofde, dat
hij naar haren wil zou handelen. Hij nam de zeven kinderen, verborg
ze onder zijnen mantel, en reed naar 't woud, waar hij, van het paard
stappend, ze nederlegde. Hij beschouwde ze, en toen zag hij, dat ze
schoon waren. Hun zilveren kettingen blonken in de zon, en Marcus,
de dienaar, bepeinsde, dat deze ketenen wezen op groote dingen in de
toekomst. De kinderen lachten hem toe, en hij kreeg medelijden.
Hij beval de kinderen in Godes barmhartigheid aan, en hij keerde
naar Lilefoort terug, om naar het paleis van Matabrune te gaan. De
booze Matabrune beidde hem reeds, en ze vroeg hem ongeduldig, of hij
haar bevel had gehoorzaamd, en of hij de kinderen had gedood. Haar
dienaar, Marcus, antwoordde met een enkel "ja," en wendde zich van
haar af. Matabrune was zeer blijde, en nu besloot zij, om Beatrijs
ook te doen dooden, zoo het kon, door Oriant's hand.
Haar ongeduld behoefde niet lang te duren, want Oriant reed spoedig
daarna de stad Lilefoort binnen, trotsch te paard gezeten, als
overwinnaar der vijanden. Matabrune ging hem tegemoet. Hem groetende,
weende zij, en zij weende:
"Lieve zoon! blijde ben ik, dat gij weder hier zijt, en dat gij als
overwinnaar zijt teruggekeerd, maar ik ben vol droefheid om wat er
met uwe vrouw, met Beatrijs, is geschied!"
De koning schrok, en hij boog zich voorover, zijn stem angstig voor
de eerste maal zijns levens.
"Zeg mij dan, moeder, is Beatrijs gestorven?"
"'t Is de dood niet, het is een schandelijk stuk van uwe vrouw,
waarom ik zoo droeve ben. Ik durf het u niet te openbaren, laat een
ander het u zeggen."
"Neen, moeder, zoo het een schandelijk stuk van mijne vrouw is, vraag
ik van u voorwaar, het mij te bekennen. Want uit uwen mond kan ik het
't beste hooren."
"O! heer, mijn zoon, o koning Oriant, verneem dan, dat niet Beatrijs
moeder is geworden van menschenkinderen, doch dat zij zeven jonge
honden ter wereld heeft gebracht."
Toen ging de koning, de edele Oriant, met eenen ridder in eene kamer,
en hij weende langen tijd, tot uit zijn oogen geene tranen meer konden
vloeien. In eene andere kamer was de koningin, de edele Beatrijs,
en ook zij weende hare smart. Een schildknaap, die haar had gediend,
was haar komen zeggen, wat Matabrune, de moeder des konings, haren
zoon had bekend.
Vervolgens riep de koning zijnen raad tot zich, geestelijken en
edellieden, en hij sprak tot hen:
"Ik heb u hier bijeen doen komen, om mij van raad te dienen in de zaak
tegen Beatrijs, de koningin. Hoort, wat Matabrune, mijne moeder, mij
heeft gezegd. Niet heeft Beatrijs mij kinderen geschonken, zonen en
dochteren, menschen als menschen geschapen, doch jonge honden waren
haar deel."
Na deze vreeselijke woorden zweeg de raad eenen langen tijd. Eindelijk
stond een oud en wijs man op. Dit was de raad, welke hij den edelen
Oriant gaf:
"Heer koning! zoo Beatrijs aan eenige misdaad schuldig is, kan deze
wel buiten haar weten zijn geschied. Daarom is zij niet met den dood
te straffen. Beter is het, dat ge wacht, tot God, die een rechtvaardig
rechter is, de waarheid zal openbaren."
De koning was zeer getroost door deze woorden, doch weder rimpelde
zich zijn voorhoofd, toen een ander ridder met booze stem uitriep:
"Heer koning! zult gij de vrouw laten leven, die een zoo groote schande
over uwen naam heeft gebracht? Weet gij dan niet, dat gij, als zij
gevangen blijft, nooit met eene andere vrouw zult trouwen? Beter is
het, zoo ge haar doet verbranden, dan kunt ge een ander kronen tot
koninginne van Lilefoort, en ge kunt uw droefheid vergeten."
Niet lang liet koning Oriant op antwoord wachten. Hij zeide:
"Zoo ook de koningin des doods schuldig is, nimmer zal ik den
eed vergeten, dien ik de jonkvrouw Beatrijs heb gezworen in
tegenwoordigheid van ridder Savari, aldus luidende:
"Welschoone maagd! wilt gij mijne bruid zijn, ik zal u kronen tot
koninginne van Lilefoort. Ik belove, op mijn ridderwoord, zoolang
gij leeft, ik zal geene andere trouwen dan u."
"Zelfs als Beatrijs zou zijn gestorven, dezen eed zou ik altijd
gedenken, want mijn liefde voor haar is mij liever dan het
zonlicht. Daarom ook heb ik geweend, tot ik niet meer weenen kon,
en mijn tranen niet meer wilden vloeien."
Men besloot hierop, om Beatrijs in eene schoone kamer gevangen te
zetten, en haar door twee ridderen te doen dienen, tot het zou zijn
uitgemaakt, of zij waarlijk zeven jonge honden ter wereld had gebracht.
Haar kinderen onderwijl waren door eenen kluizenaar in het bosch
gevonden, en ze schreide jammerlijk van koude en honger. Hij wond ze
in zijnen mantel, en voerde ze in een kluis. Niet lang daarna zond
God hun een geit, die ze voedde. De kluizenaar--Helias was zijn naam
kleedde hen in kleederen van bladeren, en deed voor hen, wat hij met
zijn eenvoudige krachten kon. Een der jongens kreeg hij boven allen
lief, en daarom gaf hij hem zijnen naam: Helias.
Eenige jaren later kwam de jager van Matabrune--Savari heette hij--in
't bosch, en hij vond daar zeven kinderen spelen onder eenen boom. Hij
groette hen vriendelijk, doch de kinderen, die behalve den kluizenaar,
nooit een mensch hadden gezien, liepen angstig weg. De jager Savari
was nieuwsgierig, waar wel de kinderen tehuis behoorden, hij volgde
hen, en trad in de woning van Helias, den kluizenaar.
"Wat zoekt gij bij mij?"
"Wees gerust--" zoo sprak de jager, "ik zal den kinderen geen leed
berokkenen. Alleen was ik verwonderd, daar zij zoo slecht zijn gekleed,
en toch zulke kostbare zilveren ketenen om den hals droegen."
De kluizenaar verhaalde hem, hoe hij de kinderen had gevonden en
opgevoed, en daarna namen de beide mannen van elkander afscheid,
omdat Savari weder naar Lilefoort wilde vertrekken. Daar vertelde hij
de booze Matabrune, wat hij in 't bosch had gezien: zeven armoedige
kinderen ieder met eenen zilveren keten om den hals.
Matabrune kreet:
"Ga weder heen en dood de kinderen, anders zal ik ze zelf ombrengen."
De jager Savari beloofde, dat haar wil zou geschieden.
Matabrune ging naar haren dienaar Marcus, en dolzinnig van woede,
beval ze, dat hem de beide oogen zouden worden uitgestoken, tot straf,
dat hij de kinderen niet onmiddellijk na hun geboorte had gedood.
De jager Savari nam zeven mannen mede, om de zes jongens en het eene
meisje te vermoorden. Op hun weg kwamen ze door een dorp, waar een
groote menigte volks was verzameld. Her en der vroegen ze, waarom
zoo velen tegelijk tezamen gestroomd waren, en het antwoord luidde:
"Men zal eene vrouw verbranden, die haar kind heeft vermoord."
Dit stemde Savari tot nadenken.
"Om één kind verbrandt men deze vrouw al? Hoe zal ons vonnis luiden,
wanneer men weet, dat wij zeven kinderen hebben omgebracht?"
En de anderen zeiden:
"Neen! we zullen de kinderen niet dooden. Wat zullen wij doen? Wij
zullen de zilveren ketenen medenemen, en deze Matabrune toonen,
ten bewijze, dat wij haar bevel hebben gehoorzaamd."
Ze traden in het bosch, en Savari voerde hen naar de hut. Ze vonden
hier echter niet zeven kinderen, maar slechts zes, daar de kluizenaar
met het kind, dat hij 't meest liefhad, met Helias, in 't naast-bij
gelegen dorp was gaan bidden. De zes kinderen kreten bij het zien
der woeste mannen.
"Wees niet bang, lieve kinderen," zeide de jager Savari, "we zijn
niet hier gekomen, om u kwaad te doen. Ge behoeft niet te schreien."
Terwijl Savari, de jager, dit zeide, namen zijn mannen de ketens
weg. Zoodra dit geschied was, werden de kinderen in witte zwanen
veranderd, die opvlogen, en met een schreeuw zich hoog in de lucht
verhieven. Savari en zij, die met hem waren, schrokken over dit wonder
zoodanig, dat zij in onmacht ter aarde vielen. Nadat zij weder tot
bewustzijn waren gekomen, beefden ze nog van vrees, en Savari riep uit:
"Laat ons trekken van deze plaats, waar wij te lang geweest zijn. Zes
kinderen hebben wij gevonden, instee van zeven. Laten wij zeggen,
dat wij zeven kinderen hebben gedood, en dat wij één der ketenen
onderweg hebben verloren."
De mannen volgden Savari's raad, en ze spraken de woorden, die hij
had gezegd, tot de booze Matabrune; deze werd uitermate vertoornd
en schreeuwde:
"Zoo gij een zevende keten hebt verloren, moet gij mij de waarde
hiervan vergoeden. Eerder zal ik niet tevreden zijn."
Ze liet eenen goudsmid bij zich komen, die één der ketens in het vuur
legde, om te zien, of het edel metaal was.
Wonder! toen de keten heet werd, woog hij meer dan de anderen tezamen,
en er was zilver genoeg, om twee bekers te maken van de ééne keten. De
goudsmid bracht éénen beker naar de slechte Matabrune en behield
den anderen voor zichzelven, en toch verwonderde zich Matabrune nog,
dat ze zulk eenen grooten beker had ontvangen. Ze was verheugd om de
schoone gave, die er haar aan herinnerde, dat nu de zeven kinderen
van Beatrijs waren gestorven.
Ze kon toch niet vermoeden, dat er zes van in zwanen waren veranderd,
en dat de zevende, Helias, nog in leven was?
De kluizenaar en Helias waren in het bosch teruggekeerd en ze
verbaasden zich, dat zij de zes jonge kinderen niet vonden. Ze zochten
den geheelen dag, en 's nachts sliep Helias niet; den volgenden
morgen begon hij dadelijk weder te zoeken, weenende van wanhoop. Hij
ging al schreiende voort. Eindelijk bereikte hij een water, waar hij
zes schoone zwanen zag. Hij naderde den vijver, en riep de trotsche
vogels tot zich. Ze zwommen naar hem toe, hij streelde ze, ze aten
van het brood, dat hij hun gaf. Hij was getroost, en hij bezocht hen
voortaan dagelijks.
Hij groeide op tot een krachtig jongeling, tot ridderlijke daden wel
in staat. Hij wist het niet, dat hij zijn behendigheid spoedig zou
moeten toonen. Want Matabrune was haar haat jegens Beatrijs nog niet
vergeten, en steeds zon zij op middelen, om haar te doen dooden. Aan
haar hof was een ridder, Macharis was zijn naam, en hij had een hart,
even valsch als van Matabrune. Daarom liet hij zich overhalen, om
weder tegen Beatrijs te getuigen, dat zij jonge honden ter wereld kon
brengen, en dat zij den koning, den edelen Oriant, en zijne moeder,
de goede Matabrune, had willen vergiftigen. En dit zeide Macharis
onder den invloed van Matabrune:
"Ik verklaar te willen kampen tegen ieder, die het opneemt voor
Beatrijs."
De koning beval, dat men Beatrijs uit de gevangenis voor hem zou
brengen, opdat zij zich tegen de beschuldiging zou kunnen verweren. Ze
trad voor den vorst, groette hem met teederen groet, en viel op haar
knieën voor hem neder. Matabrune bemerkte, dat zij allen, de koning, de
edele Oriant niet 't minst, medelijden hadden met de schoone koninginne
Beatrijs, en ze riep haastig Macharis, opdat deze zijn aanklacht zou
zeggen, hetgeen hij deed. Oriant, de koning, zeide toen tot Beatrijs:
"Ge wordt van een groot misdrijf beschuldigd, vrouwe, en ik zeg u,
dat ge de waarheid zult belijden. Weet, als gij geen leugen uitspreekt,
dat ge niet zult sterven, doch als gij de onwaarheid verkiest, zal een
schandelijke dood u wachten, tenzij iemand uw recht verdedigt. Spreek
de waarheid, Beatrijs."
De koninginne, de schoone Beatrijs, verhief zich, en zag hem in
de oogen.
"Heer! ik weet, dat er niemand wordt gevonden, die mij gelooft,
en die mij recht zal verschaffen; en toch ik zweer u allen, dat ik
onschuldig ben. Bij God zoo betuig ik, dat ik nimmer het schandelijk
kwaad heb bedreven." Zij vouwde haar handen. "Gode alleen zij de
wrake over mijne vijanden, die mij zoo valschelijk betichten."
God in den Hemel hoorde hare spreuk, en hij zond een Zijner engelen
naar den kluizenaar, om hem te zeggen, dat de zeven kinderen waren van
koning Oriant en van koningin Beatrijs, dat er zes hunner in zwanen
waren veranderd, en dat de edele jongeling Helias den valschen ridder
Macharis moest bevechten.
Hierna riep de kluizenaar den jongeling tot zich, en hij zeide tot hem:
"Gij, Helias, zijt de zoon van koning Oriant en van koningin Beatrijs,
en ge zijt met uw broederen en uw zuster te vondeling gelegd op bevel
van Matabrune, de moeder des konings Oriant. Thans heeft dezelfde
Matabrune één harer ridderen, genaamd Macharis, bevolen de koninginne
Beatrijs te beschuldigen, als zou zij niet een mensch liefhebben,
doch eenen hond, en als zou zij den koning Oriant en zijne moeder
Matabrune hebben willen vergeven. Dit nu zegt God: 'gaat henen,
en kampt voor de koninginne Beatrijs tegen den valschen ridder
Macharis. Uw broeders en uwe zuster zijn veranderd in de zwanen,
die gij dagelijks hebt gevoed.'"
De edele jongeling vroeg:
"Zult gij dan, als ik weg ben, voor de zwanen zorgen?"
"Ja," antwoordde de kluizenaar, "ik zal ze met brood voederen, gelijk
gij hebt gedaan."
Vervolgens nam Helias afscheid. Hij was in bladeren gekleed,
blootshoofds, barrevoets, en op eenen stok steunde hij. Aldus ging hij
naar Lilefoort, naar 't hof van koning Oriant, waar men de koningin,
de schoone en reine Beatrijs, ter dood zou brengen, daar niemand voor
haar wilde kampen.
Juist op het goede oogenblik kwam Helias aan, en hij stond bij de
poort, om binnen gelaten te worden. De wachter vroeg hem:
"Wat zoekt gij?"
"Den valschen ridder Macharis," was het antwoord.
De wachter wilde met hem spotten, en dus zeide hij:
"Ik ben het, dien gij zoekt. Ik ben de ridder Macharis."
Helias sloeg hem met zijn stok, en een andere dienaar wilde hem
grijpen, daar hij meende, dat de jongeling in zijn vreemde kleeding
waanzinnig was. Helias werd boos, en hij riep uit:
"Ik zeg u, laat mij gaan. Ik wil mij wreken op den valschen ridder
Macharis, die mijne onschuldige moeder beticht."
"Macharis--" antwoordde een der wachters, "is in de zaal en klaagt
Beatrijs aan. Ons echter schijnt het toe, dat het valschelijk is,
want de koningin Beatrijs is goed."
Helias omhelsde hem uit dankbaarheid voor deze woorden, en de knecht
leidde hem in de zaal, tot voor 's konings troon.
Oriant vroeg hem:
"Wien zoekt gij hier?"
"Ik zoek Macharis, heer."
Men wees hem den ridder, en Helias ging tot hem, en sloeg hem met de
vuist recht in het gelaat.
"Gij, valsche verrader, ik daag u uit, om met mij te strijden."
De koning, Oriant, stond op van zijn troon, en riep tot Helias,
den jongeling:
"Hoe durft gij, vermetele, Macharis in mijne tegenwoordigheid te
slaan?"
"Heer," antwoordde Helias bescheiden, "ik ben gekomen om de waarheid
te spreken."
En hij wendde zich tot Beatrijs, de koningin, met deze woorden:
"Lieve moeder, wees niet bedroefd, want met Godes hulp zal ik u in
uw eer herstellen."
"Wat wilt gij dan zeggen?" zoo vroeg de koning.
"Zeggen wil ik de waarheid alleen en deze is, dat ik uw zoon ben, o
heer, en de zoon van uwe vrouw, van Beatrijs, die naast mij staat. Ik
verklaar, dat ik met Macharis wil gevangen blijven, tot het blijken
zal, dat ik de waarheid spreek."
De koning zag toen Beatrijs aan, en mild was zijne stem en vol goedheid
zijne oogen:
"Wat dunkt u, Beatrijs, van de woorden, die deze jongeling spreekt?"
Beatrijs boog haar hoofd.
"Heer! ik weet hiervan niets; want ik was krank, toen mijne kinderen
werden geboren. Maar ik geef de zaak in God's handen en in die van
dezen jongeling, en ik bid u hem te behandelen als uwen zoon."
De koningin, Beatrijs, werd naar eene schoone kamer gevoerd, en Oriant,
de koning, begaf zich tot Matabrune, en vertelde haar van Helias,
den jongeling. Matabrune verbleekte, en ze trachtte nu goede en zoete
woorden te vinden, doch zij kon niet beletten, dat de koning beval,
om Macharis gevangen te zetten. De koning reed naar 't woud, en hoorde
daar van den kluizenaar 't verhaal, dat hem Helias voor waarheid had
verteld. Daarom liet de koning voor den jongeling een harnas maken,
en hij stelde de koningin, de edele Beatrijs, in vrijheid. Macharis
werd door vier dienaren bewaakt, en moest tegen Helias kampen.
Macharis was angstig, toen hij 't strijdperk binnen-reed, ziende den
edelen jongeling Helias, krachtig in zijn harnas. Hij wilde het niet
laten blijken, hoe bevreesd hij was, en daarom riep hij spottend:
"Meent gij tegen mij te kunnen strijden, jongetje? Ik zal u laten zien,
hoe sterk ik ben."
Helias nu antwoordde:
"Verrader, ik ben blijde u hier te zien, ik zal op u de eer mijner
moeder wreken."
Ze reden op elkander in. Door het geweld van den stoot, stortte
Macharis ter aarde.
Hij stond weder op.
"Ik zal u laten gevoelen, hoe krachtig mijn arm is."
Helias riep:
"Welaan! rijd maar wakker toe."
Ze lieten beiden hun lansen zinken, en, spiedend, ontdekte Macharis
een plek in des jongelings harnas, die het vleesch niet bedekte. Daar
stiet hij en Helias' bloed vloeide. Nu meenden Beatrijs en allen, die
met haar waren, dat Helias was getroffen, en een ieder was hierover
zeer bedroefd. Helias echter werd nog moediger, en hij kreet met een
stem, fel-flitsend als de bliksem:
"Verrader, is het u niet genoeg, dat gij mijne moeder hebt
verraden? Wilt gij ook nog haren zoon dooden? Thans zal ik u met Gods
hulp toonen, wat gij van mij hebt te verwachten."
Hij sloeg hem den helm af, en hieuw hem zoo met 't zwaard, dat hij
zich niet meer kon verweren, en daarna kloofde hij hem den arm. Toen
gaf de valsche ridder Macharis zichzelf gewonnen.
"Jongeling! ik heb den slag verloren--zeg mij uwen naam.
"Ik ben Helias--de zoon van den edelen koning Oriant en de in haar
leven zoo getrouwe koningin Beatrijs en ik wil zien, hoe gij zult
sterven, vóór ik deze plaats verlate. Wacht uwen dood, verrader."
Het antwoord van den valschen ridder Macharis luidde als volgt:
"Laat mij leven, tot ik de waarheid heb bekend. Laat mij den goudsmid
aanwijzen, die de ketens heeft van uwe zuster en uwe broeders."
De kamprechters kwamen, en ze wezen Helias de overwinning toe. Deze
echter zeide slechts:
"Dat de koning hier kome met de koningin en al hunne heeren."
De edele Oriant en de reine Beatrijs, verzeld van hunne drommen
ridders, traden in het strijdperk, om te hooren, wat de jongeling,
Helias, hun wilde zeggen.
"Luister naar de belijdenis van dezen ridder hier, van Macharis,
den valschaard."
Macharis trad naar voren, groetende den koning, Oriant, en de koningin,
Beatrijs, met eerbiedige reverence. En hij bekende allen, die om hem
heen stonden, de talrijke misdrijven van Matabrune, die hiervoren zijn
verhaald, opdat zij geene navolging zullen vinden in der Kerstenen
landen. Amen.
Men hing Macharis aan eene hooge galg, den valschen ridder, die
Beatrijs valschelijk had beticht. De koning omhelsde Beatrijs om al het
leed, dat zij onschuldig had geleden. Er waren vele vreugdefeesten,
en daarna werd de goudsmid ontboden, dien men vroeg, wat er van de
zilveren ketens was geworden.
De goudsmid nu bracht vijf zilveren ketens terug, en een beker, dien
hij met den beker der slechte Matabrune uit ééne keten had gesmeed,
en hij bad om vergiffenis, en de koning zeide:
"U zij vergiffenis geschonken."
Oriant en Beatrijs namen de ketenen, en ze kusten deze, klagende om
hunne arme kinderen, die in zwanen waren veranderd.
Vervolgens werd Marcus geroepen, wien de booze Matabrune de oogen had
uitgestoken, en Oriant, de koning, vroeg hem, hoe hij in blindheid
was geraakt.
Op deze vraag zeide Marcus, al wat hem was overkomen.
Oriant gevoelde medelijden met den blinde, en hij bad innig tot
God, dat Marcus weder zou genezen. Hij teekende over de oogen
van den ongelukkige een kruisje, en daardoor herkreeg Marcus zijn
gezicht. Allen waren verbaasd over het wonder, dat aan den dienaar
was geschied.
Nadat Matabrune had vernomen, welk lot de valsche ridder Macharis
had ondergaan, werd zij bevreesd, en zij gaf daarom den knechten,
die haar bewaakten, veel wijn te drinken, opdat zij dronken zouden
worden. Haar toeleg gelukte. De knechten sliepen zwaar in hun roes,
en Matabrune kon ontvluchten. Helias echter, die door zijnen vader
als koning was gekroond in Lilefoort, zette haar na, belegerde het
kasteel, waarin Matabrune was gevlucht, veroverde het, nam de slechte
vrouw gevangen, en deed haar verbranden.
Hij had gezworen, dat hij niet zou rusten, voor hij zijne zuster en
zijne broeders terug had gevonden, en nauwelijks had hij zijn eed
uitgesproken, of zes zwanen vlogen uit de hooge lucht, en daalden
in de slotgracht. Helias riep Oriant, zijn vader, en Beatrijs,
zijne moeder, en tezamen gingen ze naar het water. De zwanen zwommen
op Helias toe, en lieten zich door hem streelen. Hij toonde hun de
ketens, en de trotsche vogelen schaarden zich in een rij, om elk
zijne keten te ontvangen. Helias hing ze een keten om, voor den
laatsten zwaan echter bleef er geene meer over. Oriant en Beatrijs
liepen hunne vijf kinderen tegemoet, vier zonen en eene dochter,
en waren met hen blijde. De arme zesde zwaan was zeer bedroefd,
en van smart wilde hij zichzelven de veeren uittrekken.
"Wees zonder smart," zoo troostte hem Helias, "want ik heb u lief
als mijnen broeder, ook al hebt gij niet de gestalte van een mensch."
De zwaan was zeer dankbaar over deze woorden, en boog zijn hoofd,
uit dankbaarheid voor den edelen jongeling.
De vijf kinderen werden gedoopt, en de dochter werd Rosse genaamd.
Nadat Helias reeds eenigen tijd koning was geweest, zag hij eens op
een morgen het venster uit en hij bemerkte zijnen broeder den zwaan,
een scheepje trekkende. De koning, Helias, hield dit terecht voor
een teeken Gods, en hij riep zijn dienaren toe:
"Breng mij mijn harnas en mijn zilveren schild, want ik moet deze
plaats, Lilefoort, verlaten."
Men gaf hem zijn harnas, men reikte hem 't schild, waarop een dubbel
gouden kruis stond, en zijn vader Oriant schonk hem eenen hoorn,
zeggende:
"Bewaar dezen hoorn, want die hem hoort blazen, dien zal geen leed
of schande kunnen geschieden."
Driemaal schreeuwde de zwaan met wonderlijke stem, en Helias ging
in het schuitje zitten. De zwaan klapte ten zijnen wellekomste met
zijne vleugelen, en zwom aan, het scheepje achter zich, van stroom
tot stroom, tot zij de plaats bereikten, door God voor hem beschikt.
Juist hield Otto de eerste, keizer van Almanien, heerschend over
de landen der Ardennen, van Luik en Namen, rijksdag in Nijmegen,
en de graaf van Frankenburg, beschuldigde de hertogin van Bouillon,
dat ze haren man met vergif had gedood, en dat hare dochter onwettig
was. Niet mocht daarom de hertogin blijven heerschen over het rijk van
Bouillon, doch het moest hem, den graaf van Frankenburg, broeder van
den overleden hertog, vervallen. De hertogin zeide, dat zij onschuldig
was. De graaf tegenover haar gesteld, wierp zijn handschoen ter aarde,
als bewijs harer schuld, en zeide, dat hij met een ieder zou kampen,
dat zij des doods schuldig was.
De keizer sprak deze woorden:
"Vrouwe, zoo het waar is, wat de graaf tegen u volhoudt, zijt gij des
doods schuldig. Zoek eenen ridder voor u uit, zie rond in deze zaal,
opdat gij iemand kunt vinden, die u verdedigen zal."
De hertoginne deed haren blik smeekend gaan van den een naar den
ander, doch de ridderen gaven geen geluid, en ze voelde zich van
alle hulp ontbloot. Daar hoorde men eensklaps het stooten van eenen
hoorn, en men keek ten venster uit. Op Nijmegen's stroom zag men een
scheepken drijven, waarin een ridder stond, en dat scheepken werd
door eenen zwaan getrokken. De ridder, geheel gewapend, sprong aan
wal, en de zwaan zwom verder. De keizer ontbood den ridder tot zich,
en terwijl hij al naderde, zeide de hertogin tot hare dochter deze
woorden als volgt:
"Lieve dochter hoor! ik droomde dezen nacht, dat de graaf en ik met
elkander dingden en dat ik werd veroordeeld, om te worden verbrand. Op
dat oogenblik zwom een zwaan aan, die bracht water, om 't vuur te
blusschen, en uit 't water kwam een visch; allen werden angstig, die
deze visch bemerkten. Alleen ik stond rustig, en daarom geloof ik,
dat deze ridder mij zal redden."
Helias, de koning van Lilefoort, naderde den keizer, hem groetende.
"Ik ben een arm ridder, uitgetrokken op avonturen."
De keizer antwoordde hem minzaam:
"Zoo gij een arm ridder zijt, uitgegaan op avonturen, dan vindt
gij hier een avontuur, want de hertogin van Bouillon wordt ervan
beschuldigd, dat zij haren man heeft willen dooden, en ook, dat hare
dochter onwettig is. Het is aan u, dat ge voor haar eer kunt strijden,
daar zij des doods is, wanneer er niemand wordt gevonden, die voor
haar strijden zal."
Helias zag de hertogin aan, en het scheen hem toe, dat zij een vrouw
was, rijk aan deugden; ook hare dochter vond hij schoon.
Hij wendde zich weder tot den keizer, en wel met deze woorden:
"Laat mij alleen spreken met de hertogin van Bouillon."
Dit zeide de keizer:
"Het zij u toegestaan."
Toen zij alleen waren, wendde zich de edele ridder tot de hertogin.
"Vrouwe! zweer mij de waarheid, en niets dan de waarheid, ik zal dan
in uwe zaak zijn een getrouw dienaar."
Zij antwoordde trotsch:
"Zoo waarlijk helpe mij God almachtig, ik zal u de waarheid zeggen
en niets dan de waarheid."
"Vrouwe, bij uwen eed, zijt gij onschuldig aan alle dingen, die men
tegen u zegt?"
"Ja--ik."
Helias sprak:
"Gij hebt daarom heden een kampvechter gevonden, die voor uwe eer
zal strijden."
Zij gingen in de zaal terug, en Helias groette den keizer.
"Heer! laat hem in het strijdperk komen, die de hertogin van Bouillon
beschuldigt, want ik voorwaar zal tegen hem strijden."
Nauwelijks had hij dit gezegd, of de graaf van Frankenburg trad op
hem toe, en lachte schamper, hem beziende van hoofd tot voeten:
"Vriendje! wat begeert gij? Wel toont gij u moedig in eene zaak,
die u niet heeft geroepen."
Helias zeide rustig, en hij rekte zijn krachtig lichaam hoog op:
"Ziedaar mijn handschoen, ik geef dezen u, om de eere Gods en om de
minne der edele vrouw. Heden zult gij bevinden, wat een ridder van
avonturen doen kan."
De graaf van Frankenburg nam Helias' handschoen en de keizer ontving
hun beider eed.
"Wanneer wilt gij kampen?"
Helias ging naar voren.
"Nog dezen dag."
Daar de graaf dit niet durfde weigeren, werd het strijdperk gereed
gemaakt, en in een wijden kring gingen de keizer met zijne heeren, de
hertogin en hare dochter zitten. De edele vrouwen smeekten God, dat
de edele ridder van avonturen zou overwinnen, en de beide strijders
reden op elkaar in. Bij den eersten stoot braken de lansen en daarom
streden zij verder met hunne zwaarden, tot de graaf van Frankenburg
zich niet meer kon verweren, en een spanne tijds vroeg, teneinde te
mogen spreken.
"O edele ridder!" aldus sprak hij, "maak met mij vrede, ge kunt
verkrijgen daarvoor mijne dochter en het land van Ardennen."
Dit was Helias' antwoord:
"Meent gij, dat ik u zal steunen in uw verraad? Spreek daarover niet
meer, want van mij hebt gij geene genade te wachten. Ik zal de hertogin
verlossen, en hare dochter zal ik trouwen tegen uwen wil."
Na deze woorden sloeg de graaf den ridder, Helias, het zwaard uit
de handen. Deze echter sprong van zijn paard, greep den graaf van
Frankenburg vast, sleurde hem ter aarde, brak zijn schild, en ontwrong
hem zijn zwaard. De graaf van Frankenburg smeekte om genade. Helias
sloeg hem 't hoofd af.
Helias keerde zich weder tot den keizer, hem groetende, en de keizer,
Otto de Eerste van Almanien, herstelde de hertogin in haar eer,
en gaf haar heur land terug. Ze dankte hem vriendelijk.
"Dan geef ik mijne dochter en mijn land aan hem, die 't eerlijk
heeft gewonnen."
Daarna sprak de keizer dit oordeel, opstaande van zijnen troon:
"De ridder met den zwaan is thans hertog van Bouillon, en hij zal
trouwen met de dochter der hertogin, met de schoone Clarisse."
Den volgenden dag trouwde Clarisse, de dochter der hertogin, met
Helias, den ridder met den zwaan, die nu geworden was hertog van
Bouillon. Twaalf dagen en nachten duurde het feest, te hunner eer
gegeven, en daarna vertrokken zij beiden naar hun rijk. Onderweg werden
zij door vrienden en bloedverwanten van den hertog van Frankenburg
aangevallen, maar Helias versloeg al zijne vijanden en welbehouden
bereikten zij het land van Bouillon.
Ze leefden gelukkig, en ze kregen eene dochter, die zij IJda noemden,
later de moeder der edele heeren Boudewijn, Godfried en Eustachius.
Eens, dat de hertogin en de hertog, Helias, waren uitgereden, vroeg
ze hem:
"Heer! uit welk land zijt gij, welke vrienden hebt gij, wie zijn
uwe ouders?"
Hij zeide met ernstige stem:
"Vraag daar nooit meer naar, hertogin, want dan zouden wij moeten
scheiden."
Zes jaren lang zweeg Clarisse deze vraag, doch toen overviel haar
plotseling in den nacht de nieuwsgierigheid der vrouwen.
"O Heer, zeg mij, van welke afkomst zijt ge?"
Met bedroefde stem antwoordde Helias, de hertog van Bouillon, haar:
"Ge weet wel, dat ge dit niet moogt weten, en morgen vertrek ik uit
deze landen, en ik zal gaan naar den keizer te Nijmegen. om afscheid
van hem te nemen." Toen riep de hertogin in grooten angst hare dochter
IJda, opdat deze haren vader met smeeken en weenen zou vragen, te
blijven. Maar in den ochtend verzamelde Helias zijne heeren, en hij
beval hun te zorgen voor zijne vrouw en zijne dochter en het goede
land van Bouillon. Al sprekende, hoorde hij, dat de zwaan al buiten
was, slaande met de vleugelen een groot geraas. Helias begaf zich
naar het scheepken, en de zwaan voerde hem door den stroom.
De hertogin Clarisse en haar schoone dochter IJda begaven zich naar
Nijmegen, teneinde den keizer Otto van Almanien, te vertellen, wat
er was geschied.
Nog waren zij aan het spreken, daar stiet Helias den hoorn, en hij
ging naar den keizer, hem eerbiedig groetende, en hij gaf hem zijn
land terug.
De keizer vroeg hem:
"Blijf, hertog van Bouillon, bij uwe vrouw Clarisse en uwe schoone
dochter IJda."
Helias echter zeide:
"Ik kan dit niet volbrengen. Ik vraag u slechts bescherming voor
mijne vrouw, Clarisse, en mijne dochter, IJda."
De keizer sprak:
"Ik belove ze u."
Toen vertrok de ridder, en de zwaan voerde hem van Nijmegen langs
vele stroomen, naar Lilefoort.
Juist bij zijn aankomst zat Oriant met zijne vrouw en zijne vijf
kinderen aan tafel, en daar hoorden ze den stoot van Helias' hoorn. Zij
stonden allen op, en ze zagen uit de vensters van 't paleis, ze zagen
den zwaan, en Helias zittende in het scheepken. Hij sprong aan wal,
en zijn vader, Oriant, zijne moeder Beatrijs, zijne zuster Rosse,
en zijne vier broeders ijlden hem tegemoet, en ze stelden hem vele
vragen, maar zijne moeder, Beatrijs, vroeg, waar de zwaan was gebleven,
en hij antwoordde:
"Hij is in het water teruggekeerd. Ik echter zal hem halen, en
wij zullen beproeven hem door gebeden tot menschelijke gedaante
te brengen."
De koning, Oriant, beval, dat men van de beide bekers weder eene keten
zou maken, zooals die was geweest, en toen dit was geschied, hing hem
Helias de keten om den hals, en tezamen baden ze tot God. Toen kreeg
de zwaan zijn menschelijke gestalte weder, en men noemde hem Esmeri,
en hij was een schoon jongeling.
Nadat Helias eenigen tijd in Lilefoort was geweest, liet hij eenen
dag al zijne vrienden tot zich komen.
"Ik neem afscheid van u allen om de wereld te verlaten, want ik wil
mijn leven beteren en voor u bidden."
Een ieder was zeer bedroefd om Helias' besluit, doch er was niemand,
die zich durfde te verzetten, en, steunend op eenen stok, liep Helias
naar een door Oriant gesticht klooster, en daar werd hij door de
monniken met vreugde ontvangen. In het land van Ardennen nu deed
hij een slot bouwen, gelijk aan het slot van Bouillon, over welk
land hij hertog was geweest. Aan het klooster schonk hij vrijmarkten
en vele voorrechten, en hij stelde dertig monniken aan, om Gode te
dienen. Zelf leefde hij naar den kloosterregel.
Maar nog eene zaak moet er van hem verhaald worden, en eerst zult ge
daarom moeten hooren, hoe het ging met zijne dochter, de schoone IJda.
Toen IJda veertien jaren oud was, huwelijkte de keizer, Otto van
Almanien, haar uit aan eenen edelen ridder, en ze droomde, dat ze
drie kinderen had, die zij voedde, en twee ervan droegen een kroon op
't hoofd, doch het derde niet, omdat het door een andere vrouw werd
gevoed. En eene stem zeide:
"IJda, gij zult moeder zijn van drie kinderen, die gij zelve moet
opvoeden, en met die kinderen zal Gods zegen zijn."
Toen IJda dit hoorde loofde zij God, en in drie jaren bracht zij drie
kinderen ter wereld. De eerste werd genoemd: Godfried, de tweede:
Boudewijn, de derde: Eustachius. Eens op eenen Pinksterdag--er waren
vele groote heeren in Bouillon--ging de edele vrouw, IJda, ter kerke,
en lang bleef ze weg. Daarom schreide het kindje Eustachius van honger,
zoodat eene andere vrouw het uit medelijden voedde. De edele IJda
kwam in haar paleis, en zag, wat er geschiedde.
"Ach, vrouw," riep ze, "wat hebt gij gedaan. Nu zal mijn kind,
Eustachius, zijne waardigheid verliezen."
De vrouw antwoordde met deze woorden:
"Ik heb het gedaan uit medelijden, daar 't kindje, Eustachius,
honger had."
De hooge vrouwe, IJda, bleef treurig den ganschen dag, niet groetende
de heeren, die om haar waren verzameld.
Zij wist thans, wat leed was, de edele IJda. Want het leed wordt aan
niemand gespaard, noch den edele, noch den gemeene.
En ook kende het leed Clarisse, de machtige hertogin.
Vele malen had zij reeds boden uitgezonden, om te weten, waar Helias
was heengegaan, en eerst langen tijd na 't zenden van den eersten bode
kreeg ze tijding, waar haar gemaal vertoefde. Eens zond ze een harer
dienaren, Pontius genaamd, naar Rome, en op zijnen terugweg kwam deze
een kerk binnen, waar hij eenen geestelijke vond uit zijn land. Ze
besloten tezamen naar huis te reizen, doch Gods wil was anders dan
de hunne, en zij verdwaalden in de wildernis. Ze trokken verder en
verder, en kwamen ten laatste aan een kasteel, precies gelijkende op
het kasteel van Bouillon.
"Ziet," zeide Pontius, "we zijn in ons land. Dit is het kasteel
van Bouillon."
De geestelijke antwoordde met deze woorden:
"Mij dunkt--we zijn er nog verre van."
"Dan--" zoo riep Pontius uit, "gelijkt dit slot er precies op.
Ze vroegen toen in het dorp, in welk land ze waren, en ze hoorden,
dat Helias dit kasteel had gesticht, en den volgenden morgen begaf
zich Pontius naar het slot, waar zij vonden Oriant en Beatrijs,
Rosse en Esmeri en vele anderen. Esmeri bracht hem vervolgens naar het
klooster, naar den edelen Helias, die blijde was om de goede tijdingen,
die hij hoorde van zijne vrouw Clarisse en zijne dochter IJda.
Toen vroeg hem Pontius:
"Geef mij een teeken, welk mij bewijzen kan voor mijne gebiedster,
de hertogin Clarisse, dat ik u heb gesproken."
Als bewijs schonk hem Helias zijn trouwring, en hij gaf groote
geschenken mede voor Clarisse, zijne vrouw, en IJda, zijne dochter, en
ook gaf hij rijke geschenken aan den bode Pontius en den geestelijke,
die hem vergezelde. Vervolgens namen zij afscheid van elkander en
Pontius, de bode, kwam juist op Hemelvaartsdag aan in Bouillon.
Hij verhaalde hier Clarisse, dat hij Helias had gevonden, den zoon
van den edelen koning Oriant, en de edele koningin Beatrijs: een
koningszoon van een aanzienlijk geslacht was hij dus. Pontius toonde
den trouwring, en de hertogin geloofde dit bewijs. Vol verlangen was
ze, om Helias nog eens te zien, en met hare dochter, IJda, reisde ze
naar 't klooster, waar hij woonde.
Ziek lag Helias te bedde, en lang zou de edele hertogin, Clarisse,
niet bij hem blijven, want hij stierf korten tijd daarna. De hertogin
weende om hem, en zoo groot was hare smart, dat ook zij stierf. Toen
keerde IJda, hare dochter, naar haren gemaal terug, en ze onderwees
hare kinderen in de dingen der deugd. Twee harer zonen wonnen naderhand
het Heilige Land, en Godfried en Boudewijn droegen de kroon, stervende
als koningen te Jeruzalem.
Onderwerp
AT 0451 - The Maiden who Seeks her Brothers   
ATU 0451 - The Maiden Who Seeks her Brothers.   
Beschrijving
In het tweede deel ziet Helias, nu koning, zijn zwanenbroeder die een scheepje trekt. Helias ziet dat als een teken van God. Met een harnas, schild en een hoorn die bescherming biedt, stapt hij in het scheepje, op weg naar Nijmegen, de plaats die God voor hem beschikte. Daar hield de keizer van Almanien rijksdag en waar de hertogin van Bouillon wordt beschuldigd van het vergiftigen van haar man en de onwettigheid van haar dochter. Tijdens de rechtszitting hoort men het stoten van een hoorn en ziet men een zwaan met een scheepje op de rivier. Helias stapt uit, wordt bij de keizer ontboden. Hertogin vertelt haar dochter haar droom van die nacht. Helias wordt uitgenodigd om voor de onschuld van de hertogin met de graaf van Frankenburg, de aanklager, te strijden. Helias is overtuigd van haar onschuld, vecht en overwint. Hertogin in eer en met land herstelt, geeft dochter en land aan Helias. Samen krijgen zij een dochter IJda. Als Clarisse vraagt waar Helias vandaan komt, antwoordt hij dat als ze dit weer vraagt hij van haar zal moeten scheiden. Ze kan haar nieuwsgierigheid echter niet bedwingen en stelt de vraag opnieuw. De volgende dag vertrekt Helias weer in een scheepje getrokken door zijn zwanenbroeder. Na terugkeer probeert Helias de zwaan door gebeden weer tot mens te maken. Koning Oriant laat van de beide bekers een ketting smeden. Met deze ketting om de hals en bidden tot God krijgt de zwaan weer een menselijk gestalte. Helias treedt in een klooster. Dochter IJda wordt door keizer Otto van Almanien uitgehuwelijkt. Ze droomt dat ze drie kinderen heeft, waarvan twee een kroon dragen en de derde niet omdat het door een andere vrouw werd gevoed. Ze brengt drie kinderen ter wereld: Godfried, Boudewijn en Eustachius. IJda blef eens lang weg zodat Eustachius van honger begon te huilen. Uit mededelijden voedde een andere vrouw het kind. Zo leerde IJda het leed kennen. Ook Clarisse, de hertogin kende leed. Vaak had ze geprobeerd om Helias te vinden. Een bode die op terugreis was uit Rome verdwaald door Gods wil. Hij kwam bij een kasteel gelijkend op het kasteel van Bouillon. Bode ontmoet de familie van Helias en Helias zelf. Als bewijs gaf Helias zijn trouwring mee. Clarisse verlangde Helias nog eens te zien, reisde met dochter naar het klooster waar hij woonde. Helias stierf kort daarna, uit smart stierf ook de hertogin kort erna. IJda keerde terug en voedde haar kinderen op in de dingen der deugd. Haar zonen Godfried en Boudewijn droegen de kroon vanhet Heilig Land en stierven als koningen in Jeruzalem
Bron
Commentaar
WONDERLIJKE AVONTUREN VAN DEN RIDDER MET DEN ZWAAN
(blz. 219-244). Schotel verwijlt lang bij dit verhaal, "wijl zijn
geschiedenis uitsluitend een vaderlandsche legende ten grondslag
heeft."
"Noch in het Zuiden van Frankrijk, noch in het Oosten, Griekenland
of Rome (gelijk sommigen beweerden), maar in Frankenland moet het
verhaal onzer sage gezocht worden. In het gebied der Merovaeussen,
Chilperikken, Lothariussen, en wel in dat gedeelte van hun gebied,
dat zich van den Rijn tot aan de Schelde uitstrekt, stond haar wieg
en bakermat."
Reeds het feit, dat de ridder met den zwaan in Nijmegen aan-komt, is
voor ons een aanwijzing, dat wij dit oud verhaal, dat door Wagner's
opera een wijde vermaardheid heeft verkregen, in den bundel behooren
op te nemen al plaatst mr. L. Ph. C. van den Bergh zijn oorsprong in
het Noordelijk Frankrijk.
Opmerkingen overgenomen uit:Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Naam Overig in Tekst
Lilefoort   
Pyrion   
Matabrune   
Oriant   
Savari   
Beatrijs   
Marcus   
God   
Helias   
Macharis   
Otto de Eerste   
Almanien   
Frankenburg   
hertog van Frankenburg   
Clarisse   
IJda   
Godfried   
Boudewijn   
Pinksterdag   
Eustachius   
Pontius   
Esmeri   
Hemelvaartsdag   
Naam Locatie in Tekst
Ardennen   
Luik   
Namen   
Nijmegen   
Bouillon   
Rosse   
Ardenne   
Rome   
