Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DEVOOYS004 - Van dat die viant een forme an nam van eenen meinsche ende ionghen gheselle ende quam tot eenen ruddere.

Een exempel (boek), 1481 - 1500

Hoofdtekst

Van dat die viant een forme an nam van eenen meinsche ende ionghen gheselle ende quam tot eenen ruddere.

Die viant dede eens een forme van eenen ionghen gheselle an, ende quam tot eenen ruddere, ende wraechde hem of hem gheenen knape en ghebrac. Die ruddere ansach sijn ghedaente ende sijn tale, ende hij genouchde hem harde wel, ende hij onthielten. Stappans begonste hij den ruddere te dienene, also neerstelike ende duechdelike ende so blidelike, dat den ruddere zeere verwonderde. Gheen tijt en sat hij up sijn paert, ofte als hij afsat, altoeswas hij bereet, ende al knielende hielt hij den steghereep. Discreet, voersienich ende blide was hij altoes. Up eenen tijt, doe sij te gadere reden, so quamen sij an een groet watere, ende die rudder sach bachten hem commen sine vianden. Doe seide hij tot sinen knape: „Wij sijn doot. Ic sie mine vianden die mij sijn ghevolghet, ende dit water es ieghen ins, ende wij en moghen niewers vlien. Sij sullen mij doeden ofte vaen". Doe sij die knape: „Meester, en wilt hu niet ontsien. Ic weet wel den wech van deser revieren. Volcht mij, wij sullen wel ontgaen". Doe seide die ruddere: „ Noyt meinsche en reet over dese reviere te deser stede". Nochtans up hope te ontgane, so volchde hij sinen knape, ende quam sonder vreese te lande. Ende doe sij over waren, doe stonden sine vianden in dander side. Ende hem verwonderde, ende seiden: „Wie wiste dat hier lach eeme vaert in die reviere? Niement en heeftene over ghedreghen dan di viant". Sij vreesden hem ende keerdenweder. Cort daer na so wart des rudders wijf siec toter doot toe. Alle die medecinen gavense over ende doot. Doe seide die knape weder tot sinen meester: „Hadde mijn vrauwe leeuwen melc, sij saude varincs ghenesen". Doe seide hij: „Waer hevet men also daneghen melc?" Doe seide die knape: „Ic salse halen". Hij ghinc wech ende quam weder binnen eender uren, ende brochtere een vaetken vul. Doe su hier mede bestreken was, so wart haer stappans te bet, ende sij ghecreech weder haer stercte. Doe seide die ruddere: „Hoe consti dit so varinc ghecrighen?" Doe seide hij: „Van arabiën. Doe ic van hu schiet, doe trac ic in arabien, ende ghinc in die spelunke van den leeuwen. Ende daer malc ic die spene vander leeuwinnen, die daer haer iongheskinne hebben, ende ic brachte hu die melc. Doen wart die rudder vervaert, ende seide: „Wie sijdij dan?" Doe seide die knape: „ghij en hebt daer nae niet te vraghene. Ic ben hu knape". Die rudder lach hem so langhe an, dat hijt hem seide: „Ic bem die viant, een van den ghenen die vielen met lucifer". Doen wart die rudder noch meer vervaert, ende verwonderende, ende seide: „Of ghij van natueren een viant sijt, ende ghij gode huwen sceppere niet dienen en wilt, hoe comt dat ghij den meinsche dient?" Doe seide die viant: „Het is mij een groete consolacie te sine biden kinderen der meinschen". Doe seide die rudder: „Ic en daer niet meer nemen huwen dienst". Doe seide die viant: „Weet voerwaer, eist dat ghij mij haut, nemmermeer van mij noch om minen wille en sal hu niet messchien". Doe seide die ruddere: „Ic en daerfs niet doen. Maer secht mij wat ghij hebben wilt over huwen dienst. Al waert alf mijn goet, ic salt hu gheven. Noeyt meinsche en diende eenich meinsche so ghetrauwelic noch soe voersienlike als ghij ,ij hebt ghedaen. Bij huwer voersienicheit bij den watere intghinc ic die doet. Ende bij hu es mijn wijf ghesont gheworden". Doe seide die viant: „Na dien dat ic met hu niet sijn en mach, so en begheere ic niet van hu dan V schellinghe". Doe hise hadde ontfaen, doe gaf hise den rudder weder, segghende: Ic heesche van hu dat gh[i]ere omme coept een clocxkin, ende doet hanghen int sac van deser aermer kercken, ende dat men doch des sondaechs die lieden daer mede mach rouppen ten dienste ons heeren. Dus schiet hij van sinen oeghen.

Beschrijving

De duivel verschijnt in de gedaante van een jonge gezel aan een ridder en vraagt hem of hij misschien een knaap nodig heeft. De ridder neemt hem in dienst en samen zetten ze de reis voort. Wanneer ze bij een rivier komen die nog niemand heeft kunnen oversteken, ontdekt de ridder dat zijn vijanden hem achtervolgen. Zijn knaap weet hem in veiligheid te brengen door hem de rivier door te leiden. De vijanden zijn er zeer verwonderd over dat de ridder en de knaap de rivier over hebben kunnen steken en rijden in angst weg. Kort hierop wordt de vrouw van de ridder ernstig ziek. De knaap beweert haar met leeuwenmelk te kunnen genezen en gaat op pad om deze te halen. Hij keert terug met een vat vol leeuwenmelk die hij naar eigen zeggen uit Arabië heeft en geneest daarmee de vrouw. De ridder is hierover zeer verwonderd en vraagt de knaap naar zijn identiteit. Deze antwoordt dat hij de duivel is en dat hij de mensen dient, omdat het voor hem een vertroosting is bij de mensenkinderen te zijn. De ridder wil hem nu niet meer in dienst. Ter betaling van de bewezen diensten biedt de ridder de knaap alles aan waar hij maar om vraagt. De duivel verlangt alleen van de ridder dat hij een klok met zich meedraagt. Deze moet hij in het dak van de arme kerk hangen, zodat op zondag de mensen kunnen worden opgeroepen voor de dienst.

Bron

De Vooys, C.G.N., Middelnederlandse stichtelijke exempelen, Zwolle 1953, pagina 5-7

Commentaar

eind 15de eeuw
Caesarius van Heisterbach (ca. 1180-ca. 1240/45) zijn werk Dialogus miraculorum dateert uit 1219-1223. De verhalen van wonderen, visioenen en verschijningen spelen zich tussen 119 en 1223 af in het Rijnland en de Nederlanden, meestal in en rondom een cisterciënserklooster. Het werk is geschreven in de vorm van een dialoog tussen een monnik en een novice. Het werk is vertaald in het Middelnederlands vertaald in de Zuidelijke Nederlanden en verspreidde zich naar het Noorden. Deze vertaling is op 23 augustus 1481 voltooid door Ave Pietersdochter. Zij was waarschijnlijk een zuster uit het klooster Sint-Maria Magdalena in Bethanië in Amsterdam. Het tweede deel van deze vertaling is slechts gedeeltelijk bewaard gebleven. (bron: www.dbnl.org/tekst/desc001midd01/desc001midd01_072.htm)

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20