Hoofdtekst
Exempel van enen huusman die ymme corve had.
Daer was een huusman die ymme corve had. Ende doe hi anxt had datse hem mochten ontvlyen of sterven of mit enigen ongevalle vergaen, gebrukede hi der quader menschen raet, ende hi ginc totter kerken ende ontfenc nader kersten gewoente vanden priester dat heilige lichaem cristi, ende behieltet inden monde, ende hi en woudes niet inslynden, als hem geleert was, mer hi ginc tot enen van sinen ymme plegen in te vliegen, ende began te blasen, want hem wert geseit, waert dat hi dat heilige lichaem ons heren inden monde hielde, ende totten byen inden korve bliese, so en souden hem voert aen geen byen of sterven of heen vliegen of vergaen, mer si souden al gans ende gesont bliven ende souden meere vrucht crigen dan te voren. Hi dede als hem geseit was, ende hielt den mont voer dat gat ende blies mit al sijnre vlijt inwert. Doe hi den adem lange in toech ende crachtelic weder wt blies, werp hi dat heilige lichaem cristi wt den monde, ende dat viel op die eerde biden ymme corf. Doe quam alle die veelheit der byen wt den binnensten des korves, ende liepen weerdelic totten heiligen lichaem cristi. Ende nader wise redeliker creaturen buerden si dat op vander eerden, ende droegent mit groter eerweerdicheit daert die mensche aensach. Hi versumede of en achte des niet wat daer geschiet was, ende ginc om sijn werc te doen. Mer doe hi heen ginc, wert hi haestelic bevangen mit onverdrachliken anxte, ende docht ten lesten dat hi boeslic gedaen had. Hier om wert hi van binnen beweget, want hi wert mit inwendiger cracht gedwongen. Ende hi ginc weder om, ende in wrake sijnre misdaet goot hi veel waters op die byen ende dodese, welker byen leven hi een dinc dat wonderlic te seggen is. Hi sach dat lichaem ons heren dat wt sinen monde gevallen was, verwandelt in die gedaente eens alren schoensten kijndes, recht oft nyes geboren waer, ende lach onder den honichroten. Vanden myrakel wert hi verveert, ende bevede alset behoerlic was, mer hi twivelde een wijl tijts wat hi daer mede doen soude. Ten lesten vant hi den raet, dat hi dat kijndeken woude nemen in sinen handen ende dragent totter kerken. Ende wantet hem doot docht wesen, so woude hi dat kijndekijn, dat god was, alleen graven, so dattet nyemant weten en soude. Doe hi dat began, ende dat kijnt in sinen handen nam ende ter kerken droech, recht of hijt heymelic graven woude, voert haestelic onversienlic wt den handen des geens diet onweerdelic droech. Dit heeft die man dus zelve vertelt sinen eygenen kerchere ende die kerchere verteldet voert den bisscop van clarenberch ende die bisscop verteldet mi. Ende ic woude dit mitter scrift kundich maken alle den genen die dit lesen. Ende die wrake van deser groter ,osdaet en wert niet lange vertogen, ende diezelve stede die te voren vol volcs was, wert in corter tijt verwoestet ende enich, want die inwoenres vergingen mit menigen ongeval.
Daer was een huusman die ymme corve had. Ende doe hi anxt had datse hem mochten ontvlyen of sterven of mit enigen ongevalle vergaen, gebrukede hi der quader menschen raet, ende hi ginc totter kerken ende ontfenc nader kersten gewoente vanden priester dat heilige lichaem cristi, ende behieltet inden monde, ende hi en woudes niet inslynden, als hem geleert was, mer hi ginc tot enen van sinen ymme plegen in te vliegen, ende began te blasen, want hem wert geseit, waert dat hi dat heilige lichaem ons heren inden monde hielde, ende totten byen inden korve bliese, so en souden hem voert aen geen byen of sterven of heen vliegen of vergaen, mer si souden al gans ende gesont bliven ende souden meere vrucht crigen dan te voren. Hi dede als hem geseit was, ende hielt den mont voer dat gat ende blies mit al sijnre vlijt inwert. Doe hi den adem lange in toech ende crachtelic weder wt blies, werp hi dat heilige lichaem cristi wt den monde, ende dat viel op die eerde biden ymme corf. Doe quam alle die veelheit der byen wt den binnensten des korves, ende liepen weerdelic totten heiligen lichaem cristi. Ende nader wise redeliker creaturen buerden si dat op vander eerden, ende droegent mit groter eerweerdicheit daert die mensche aensach. Hi versumede of en achte des niet wat daer geschiet was, ende ginc om sijn werc te doen. Mer doe hi heen ginc, wert hi haestelic bevangen mit onverdrachliken anxte, ende docht ten lesten dat hi boeslic gedaen had. Hier om wert hi van binnen beweget, want hi wert mit inwendiger cracht gedwongen. Ende hi ginc weder om, ende in wrake sijnre misdaet goot hi veel waters op die byen ende dodese, welker byen leven hi een dinc dat wonderlic te seggen is. Hi sach dat lichaem ons heren dat wt sinen monde gevallen was, verwandelt in die gedaente eens alren schoensten kijndes, recht oft nyes geboren waer, ende lach onder den honichroten. Vanden myrakel wert hi verveert, ende bevede alset behoerlic was, mer hi twivelde een wijl tijts wat hi daer mede doen soude. Ten lesten vant hi den raet, dat hi dat kijndeken woude nemen in sinen handen ende dragent totter kerken. Ende wantet hem doot docht wesen, so woude hi dat kijndekijn, dat god was, alleen graven, so dattet nyemant weten en soude. Doe hi dat began, ende dat kijnt in sinen handen nam ende ter kerken droech, recht of hijt heymelic graven woude, voert haestelic onversienlic wt den handen des geens diet onweerdelic droech. Dit heeft die man dus zelve vertelt sinen eygenen kerchere ende die kerchere verteldet voert den bisscop van clarenberch ende die bisscop verteldet mi. Ende ic woude dit mitter scrift kundich maken alle den genen die dit lesen. Ende die wrake van deser groter ,osdaet en wert niet lange vertogen, ende diezelve stede die te voren vol volcs was, wert in corter tijt verwoestet ende enich, want die inwoenres vergingen mit menigen ongeval.
Beschrijving
Een bijenhouder is bang dat zijn bijen zullen ontsnappen of doodgaan. Om hier wat aan te doen gaat hij naar de kerk waar hij van de priester de hostie (het heilig lichaam Christus) ontvangt. In plaats van het in te slikken, houdt hij het in zijn mond en keert terug naar zijn bijenkorven. Hij houdt zijn mond met daarin de hostie voor het gat van de korf en blaast. Men had hem namelijk verteld dat de bijen hierna niet meer zouden ontsnappen of sterven en zo zouden zijn inkomsten op den duur stijgen. Terwijl hij blaast valt de hostie uit zijn mond. De bijen komen er op af en dragen de hostie mee. De man doet net of hij niets gezien heeft en gaat verder met zijn werk. Plotseling wordt hij door angst bevangen en doodt de bijen. Hierbij stuit hij op een wonder. De door hem uitgespuugde hostie is veranderd in een prachtig kind, het kind Gods. De man wil het hele gebeuren geheim houden en draagt het kind naar de kerk om het te begraven. Onderweg naar de kerk verdwijnt het kind plotseling uit zijn handen. Dit is het verhaal zoals de bijenhouder het aan zijn kerk verteld heeft. Die kerk heeft het tenslotte weer verteld aan de bisschop van Clarenberch, die het op zijn beurt weer verder verteld heeft. De stad waarin de bijenhouder leefde is na afloop van het wonderlijke gebeuren verwoest en de inwoners vergaan.
Bron
De Vooys, C.G.N., Middelnederlandse stichtelijke exempelen, Zwolle 1953, pagina 7-9
Commentaar
midden 15de eeuw
Het Biënboec van Thomas van Camtipré (ca. 1200-1270/1272) heeft de oorspronkelijke titel Bonum universale de apibus, kortweg Liber apum. Het dateert uit de 13de eeuw. Er zijn in de Noordelijke Nederlanden twee Middelnederlandse vertalingen gemaakt. De oudste vertaling werd op 25 maar 1451 voltooid. De tweede vertaling komt uit Utrecht en dateert van 20 oktober 1458. (bron: http://www.dbnl.org/tekst/desc001midd01/desc001midd01_074.htm)
Naam Overig in Tekst
Clarenberch   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
