Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

DEVOOYS030 - Exempelen uit de spieghel der biechten

Een exempel (tijdschriftartikel), (foutieve datum)

Hoofdtekst

Een exempel. Het waren twe lude die bouweden bider kerken, die een hiet iulius, die ander hiet iulianus. Dese baden enen yegheliken die der bi henen leet, dat hi hem te hulpen daer toe gave, of dat si hem wat hulpen arbeyden. Doe quamen daer ghesellen ghevaren. Doe namen si een van haren ghezellen ende leyden dien op die karre oft hi doot waer. Ende doe si quamen bider kerken, doe baden hem die ghene dat si hem een luttel hulpen arbeyden. Doe spraken si weder: „Wi voeren enen doden; wi en moeghens niet doen". Doe sprac julianus: ,,Lieve kinder, waer om liechdi? Ghi moeghet onzen lieven here vertoernen !" Si spraken weder: „Wi en lieghen niet; wi voeren enen doden". Doe sprac hi: „Na uwen woerden soe gheschie u". Doe si wech waren, doe spraken si: „Staet op; ghi hebt langhe ghenoech doot gheweest". Ende doe si hem aentasteden, doe was hi al doot.

Beschrijving

Julian en Julianus zijn aan het bouwen bij een kerk. Ze vragen iedere passant of hij hun kan helpen bij het werk. Dan komt er een gezelschap aan. Snel leggen zij een van hen op een kar en doen of hij dood is. Als ze bij de kerk komen wordt ook aan hen de vraag gesteld of ze willen meehelpen. Ze zeggen dat ze niet kunnen, omdat ze een dode met zich meedragen. Julianus vraagt hen waarom ze liegen, waarop ze stellig antwoorden de waarheid te spreken; ze dragen een dode met zich mee. Ze lopen gauw verder en willen hun "dode" gezel van de kar halen. Deze blijkt nou echt dood te zijn.

Bron

De Vooys, C.G.N., Middelnederlandse stichtelijke exempelen, Zwolle 1953, pagina 22-23

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20