Hoofdtekst
Een exempel. Het was een priester die sat ende hoerde biechte. Doe sach die duvel dat alle die lude die totter biechten ghinghen, swart ende onreyn waren, ende van daer weder schoen ghinghen. Doe maecte hem die duvel tot enen mensche, ende ginc oec ter biechten ende biechte zine zunden. Doe sprac die priester: ,,Dit en sijn en gheens menschen zunden! Ghi zijt een duvel !" Doe seide hi: „Dat is waer". Doe sprac die priester: „Wat doedi hier ?" Die duvel sprac weder: „Ic sach dat alle die lude die totter biechten ghinghen, swart ende onreyn waren, ende si weder ghinghen schoen ende wit van daer, ende also waende ic oec doen ende wit werden". Doe sprac die priester: „Hebdi rouwe om uwe zunden, ende sijnse u leet ?" Hi sprac: ,,Neen, mer mi is leet dat ic der zunden also luttel doen mach". Doe sprac die priester: „Daer om en wert uwer nummermeer raet". Doe voer die duvel en wech.
Beschrijving
Een duivel ziet hoe een priester bij de mensen de biecht aflegt. Het valt hem op dat de mensen zedelijk verdorven en onrein naar binnen gaan en vervolgens schoon en rein van ziel weer naar buiten komen. Hij verandert zichzelf in een mens en gaat ter biecht. De priester heeft echter al snel door dat hij de duivel is en vraagt hem waarom hij gekomen is. De duivel legt uit dat hij net als de mensen schoon en rein van ziel wil worden. De priester vraagt hem hierop of hij berouw heeft van zijn zonden en of hij er bedroefd over is. Het enige waar de duivel echter bedroefd om is, is dat hij te weinig kan zondigen. De priester geeft hem te kennen dat er voor hem geen redding meer is, waarop de duivel verdwijnt.
Bron
De Vooys, C.G.N., Middelnederlandse stichtelijke exempelen, Zwolle 1953, pagina 24-25
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20