Hoofdtekst
Int Jaer ons heere viij.C.ende lviij. (zie opmerkingen) doe Kaerlo de Caluo Keyser was / is in dat Crisdom van Colen een groote wijde plaetse gheweest / daer nu die Stadt van Gelder staet / bij die Heerschappije van Ponth / ende in die selue plaetse was een groot fenijnich Beest / ende dede inden Lande vele quaets / het verslon vele Minschen ende Beesten / also dat die luyden vele vloden van daer omtrent wt vreesen / het hadde vierige oogen / diemen wel by nachte sien mocht / ende men hoorde dat dit Beeste somtijts riep Gelre / Gelre. Ende die Heer van Ponth leet oock groote schade van dit Beest. Dese Heere hadde twee Sonen dat heerlijcke Mannen waren / genaemt Wychardus / ende Lupoldus / sy gingen by nacht doer rade haers Vaders / ende verwonnen dit vreesselick Beest doer die cracht Gods / waerom dat Volck seer verblijt was. Dat volck gaf haer onder die twee gebroeders / ende kozen die tot hare Princen / ende Voechden. Sy maecten daer een Borcht / ende noemdent Gelder op die plaetse daer sy dat Beest versloegen, ende daer heeft tgeheele Lant synen name van. Sommige Landen ende Steden zijnder by gekomen / wt den Graefschappe van Cleue / ende van Tysterbandt welck dier zijdt (?) den name verliet. Oock segghen die dommige dattet van Tslot Gelduba coemt / dat ghelegen was tusschen Nuys ende Santen / als Tacitus beschrijft. Die Heeren van Ponth / ende Gelder voerden in haer Wapen een Schilt met drie witte Mispelbloemen. Daer zijn acht Vochten van Gelder geweest. Otto van Nassouwen verwerf van Keyser Henrico / dat Gelder een Graefschap wesen solde / Int jaer .M..ende.lxxix. Daer na zijnder negen Grauen geweest. Ende Graue Reynolt verwerf van den Keyser dat t Landt van Gelre een Hertochdom mocht werden / etc.
Wychardus ende Lupoldus / Heeren van Ponth syn ghemaect dye Eerste Voechden van Geldre vanden Keyser Caerle de Caluo / doemen schreef viij.C. ende lxxviij. Sy timmerden een stercke Borcht mit een Casteel Geldre genaemt / op een plaetse daer si een groot fenynich Beest versloegen / dwelcke groote schade inden Landen dede / het verslan Menschen ende Beesten. So hebben dese twee gebroeders Wychardus ende Lupoldus Heeren van Ponth / die eerste Heeren ende Voechten van Gelre tsamen geregiert xxvi jaer / ende Tlant in Heerlicheden vermeerdert / sy zyn ryck ende salich geworden. Ende als Lupoldis gestoruen was / so wert Wychardus alleen Voecht van Gelre / ende Heer van Ponth / Want die Heer van Ponth zyn Vader oock sterf. Hij hadde te Wyue die Dochter vanden Graue van Zutphen / ende gewan daer aen een Sone genaempt Gerlacus / die na hem Voecht van Gelre wert by Keyser Urnulphus tyden. Dese Wychardus sterf / doen hy vi. Jaer geregiert hadde na zyns Broeders doodt.
Onderwerp
TM 3113 - De draak van Gelre   
Beschrijving
Bron
Commentaar
De tekst is zo getrouw mogelijk weergegeven. De abbreviaturen zijn wel opgelost en een evidente drukfout is ook verbeterd (Tacius in plaats van Tacitus). De 'ij/y' wordt afwisselend gebruikt. De wisselende spelling is hier overgenomen.
Naam Overig in Tekst
Kaerlo die Caluo (Karel de kale)   
Gelre   
Wychardus   
Lupoldus   
God   
Cleue (Kleve)   
Tysterbandt (Teisterband)   
Nuys (Nuis)   
Tacitus   
Otto van Nassauwen (Otto van Nassau)   
keyser Henricko (keizer Hendrik)   
graue Reynolt   
Gerlacus   
Keyser Urnulphus (keizer Urnulphus)   
Naam Locatie in Tekst
Colen (Keulen)   
Gelder (Geldern)   
Ponth   
Gelduba   
Santen (Xanten)   
Zutphen   
Gelderland   
