Hoofdtekst
Ten tijde van Karel den Kale hield zich in de streek beneden Keulen een monster op, dat de schrik was der bevolking. Menschen noch dieren waren beveiligd tegen zijn verwoeden moordlust. Wat onder z'n bereik kwam, vond meedogenloos den dood. Reeds vele slachtoffers had het gemaakt, en nog steeds meer vielen hem ten offer. In massa verlieten de bewoners het land om elders in vrede te kunnen leven.
Otto van Pont heerschte over die streek. Met leede ooen was hij getuige van de ontvolking tengevolge van de roofzucht van den draak, die onder een grooten mispelboom huisde en door zijn vervaarlijk geschreuw van ,,Gelre! Gelre!'' telkens nieuwen angst verspreidde in het rond.
De Heer van Pont had twee zoons, Lupold en Wichard. Vooral de eerste was een kloeke houwdegen, onvervaard op 't vermetele af. Geen heldenstuk dat hij niet aandorst, geen krijgsdaad waarvoor hij terugdeinsde. Toen het monster aldoor feller optrad en niemand een middel wist om het land van die afgrijselijke plaag te verlossen, besloot hij uit te trekken om het ongedierte te bestrijden.
Op zekeren dag begaf hij zich, van zwaard en schild voorzien, naar het leger van den draak onder den boom. De bewoners der streek dromden samen om van verre getuigen te zijn van den geweldigen kamp. Want dat het er heet zou toegaan, daaraan twijfelde niemand. In angstige spanning werd de uitslag verbeid.
Lupold naderde de schuilplaats en zag, hoe de oogen van den draak, van moordlust brandend, op hem waren gericht. Groenblauw glinsterden zijne schubben in het zonnelicht, kwaadaardig zette hij de vale vlies-vleugels op, zijn spitse tong puntte uit den geweldigen muil, dien hij onheilspellend opensperde, toen hij zijn tegenstander gewaar werd. Vastberaden trad Lupold naderbij, totdat het hem ineens schemerde voor de oogen, want het monster spuwde hem een wolk van rossige sulferlucht tegen. Eenige sekonden bleef de held staan, den adem inhoudend, met voorovergebogen hoofd. Dan rende hij onstuimig op den draak los en wist hem met z'n zwaard zoo te treffen, dat het bloed uit een diepe wonde opspoot als een fontein en het gras rood kleurde. Door even terzijde uit te wijken, bleef hij beveiligd tegen het giftige speeksel dat weer uit den brakenden muil zwadderde en waarmee de draak hem poogde te bedwelmen. Een tweede slag van Lupold's scherpsnijdend wapen maakte het ondier geheel machteloos. Nog eens huilde het zijn jankgeschreeuw van ,,Gelre! Gelre!'' met uiterste krachtsinspanning. Dan knikte de geweldige kop neer. Fel zwiepte de gekartelde staart, en de laatste levenstocht was weg. In de verte steeg een luid gejuich op van de toeschouwers als blijde groet en huldebetuiging aan den overwinnaar.
Om die heldendaad werd Lupold door de bewoners als landsheer uitgeroepen. Hij stichtte daar ter plaatse een burcht, dien hij naar het geschreeuw van het door het gevelde monster ,,Gelre'' noemde, en hield er hof. Dat slot werd de oorsprong van het graafschap van dien naam. Lupold overleed kinderloos. Zijn broeder Wichard volgde hem op in het bestuur van het land. Wichard was gehuwd met een dochter van graaf Herman van Zutfen, en van hen zouden de Geldersche graven afstammen.
Het oude Geldersche wapen vertoonde drie mispelbloemen. De volksmond brengt die in verband met den drakenstrijd.
Niet onmogelijk is, dat men in den mispelboom der sage een zoogenaamde ,,heilige boom'' heeft te zien, waarbij dan de draak het heidendom verzinnenbeeldt, dat wijken moest voor het kristendom.
Onderwerp
TM 3113 - De draak van Gelre   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Geldersch   
Gelders   
Karel de Kale   
Otto   
Lupold   
Wichard   
Herman   
Gelre   
Naam Locatie in Tekst
Keulen   
Pont   
Zutphen   
Zutfen   
Gelderland   
