Hoofdtekst
Wichard van Pont
Zoals bij zoveel landen het geval is, is ook het begin van Gelres historie ,,in nevelen gehuld": de oorsprong van de stad het graafschap wordt verhaald in een sage, die speelt in het jaar 878. De sagenvertellers hebben hun verhaal aannemelijk trachten te maken door namen te noemen van personen en plaatsen, die historisch juist schijnen; wij zullen het verhaal maar niet verder opsieren.
De naam Gelderland is afgeleid van die van het graafschap Gelre, dat lag om het slot en het stadje Gelder of Geldern in het tegenwoordige Duitsland.
In de streek van het latere Gelre lag te kleine graafschap Pont; de burcht van de graven verhief zich waar nu nog het dorpje Pont ligt. In die tijd werd het land geplaagd dor een gruwzaam monster, een draak, die onder een zware eik, of volgens een ander lezing onder een geweldige mispelboom, lag te loeren op zijn prooi en die alles verslond wat hij kon bemachtigen, mensen en dieren. Met zijn verpestende adem verspreidde hij bovendien dood en verderf, wat men 's nachts op verre aftsand kon opmerken. Gruwelijk genoeg dus.
Verscheiden ridders hadden reeds beproefd het ondier te doden, maar elke poging was vergeefs, en geen van de dappere mannen die het waagstuk had ondernomen, was teruggekeerd. Het ondier was niet te verdrijven, ook niet met geestelijke wapenen: geen processie had gevolg, met hoeveel devotie men zich ook waagde tot in de nabijheid van de draak.
Een der twee zonen van de graaf van Pont, Wichard, vatte, toen nemand meer het monster durfde bestrijden, het plan op, dat toch nog eens te wagen. Hij had een dubbel doel: het land van zijn vader van het ondier te bevrijden en daarbij aan zijn bruid Margaretha, dochter van de graaf van Hameland, die op het 's Gravenhof te Zutphen woonde, te tonen dat hij met recht de naam van ridder mocht dragen.
Hij reed tot heel dicht bij de draak, steeg af en bond zijn paard aan een boom, om het dier niet aan de dodende adem van het hellemonster bloot te stellen. Toen dit de vermetele ridder zag naderen, kwam het brullend dichterbij, het kroop over de grond met zijn sterke korte poten, de lange staart slingerde heen en weerm de vurige ogen schoten vonken. Beschut door harnas en schild wachtte Wichard het dier af; hij bleef staan, hoewel hij walgde van de afschuwelijke stank. Toen het gedrocht hem dicht was genaderd, viel hij aan; zijn wapen gleed evenwel herhaaldelijk af op de harde schubben, waarmee het ondier als door een maliënkolder werd beschermd. Maar met zijn dolk, die reeds door 27 van zijn voorvaderen was gedragen, boorde hij, na een harde strijd, tussen de pantserplaten door, een gulp bloed spoot uit de wonde: Wichard had het hart van de draak getroffen. Een rochelend gejammer kwam uit de muil van het stervende dier, dat in wijde omtrek klonk: ,,Gelre! Gelre!"
Het volk, dat van verre angstig de heldenstrijd had aanschouwd, week, ontzet door het vreemde gebrul, achteruit. Maar toen men zag, dat het gevreesde monster krachteloos ineenzonk, snelde men juichend toe, en in triomf werd Wichard van Pint naar zijn ouderlijk slot gevoerd.
Ofschoon hij vermoeid was door de strijd, liet hij zo spoedig mogelijk zijn paard zadelen en gaastte zich natuurlijk naar Zutphen, waar Margaretha bij haar vader op 's Gravenhof woonde; nu kon hij zich met het volste recht als de dapperste ridder, die zich ooit in Hameland had vertoond, bij zijn bruid laten aandienen. De oude graaf te Zutphen gaf daarna zijn toestemming tot het huwelijk, dat kort hierop in de kerk van Sint Walburg, die in de onmiddellijke nabijheid van het Hof van Zutphen stond, werd voltrokken.
Wichard voerde zijn jonge vrouw naar Pont en voor hem beiden bouwde hij op de plaats, waar de draak was gevallen, een sterke burcht, die naar de laatste kreet van de verslagen draak Gelre werd genoemd. Naast de burcht ontstond het stadje van dezelfde naam, en het graafschap Pont, dat Wichard naderhand erfde, kreeg eveneens de naam Gelre, een naam die het eeuwen met ere heeft gedragen.
Zo ongeveer vertelt Nijhoff de sage van Wichard van Pont, en wij ontleenden ons verhaal aan wat onze Gelderse historicus schreef, maar toen we de kopij persklaar meenden te hebben keken we nog even in Gelres Bijdragen en Mededelingen van 1954 na, wat Dr. Jappe Alberts schrijft over vier kronieken, die ook Gelre historie met de sage beginnen. Daarin wordt gesproken van twee broers Wijchardus en Lupoldus: ,,In den tijden als men schreef 878, ende Karel die Calve (kale) keyser van Romen was, ende Karel die Grove (dikke) na hem keyser was", enz. ,,Ende si ghinghen met hem aen in den naem Gods ende versloeghen dit dier."
Nijhoff, die overigens een serieus historicus was, heeft het verhaal op zijn manier verfraaid; zo zijn trouwens zeker de sagen ook ontstaan: de vertellers van mondelinge en de schrijvers van schriftelijke overleveringen voegden bij wat ze interessant vonden en lieten opzettelijk of onopzettelijk andere delen van 't verhaal weg. Wij hebben ons maar aan Nijhoff gehouden: hij heeft gedaan, wat andere sagenvertellers vóór hem ook deden.
Onderwerp
TM 3113 - De draak van Gelre   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Gelre   
Wichard   
Margaretha   
Hameland   
's-Gravenhof   
Sint Walburg   
Nijhoff   
Jappe Alberts   
Wijchardus   
Lupoldus   
Karel die grove (Karel de dikke)   
Nijhoff   
Naam Locatie in Tekst
Gelderland   
Gelder   
Geldern   
Duitsland   
Pont   
Zutphen   
