Hoofdtekst
Een Vlamingh tot Rotterdam komende sagh het beelt van Erasmus op de marckt staen. R. 'Hoe, hij Ollanders, tollereerde gij beelden?' R. 'Wel, dat is er oock maer één.' R. 'Wie is het?' R. 'Erasmus van Rotterdam.' R. 'Och, en es het dan geen groot jammere, dat Christus niet en was een Rotterdammere.'
Beschrijving
Een Vlaming komt in Rotterdam en ziet daar het beeld van Erasmus. Verbaasd vraagt hij of Hollanders wel beelden tolereren. Hij krijgt ten antwoord dat het er maar één is, Erasmus. Waarop de Vlaming zegt: 'Wat is het dan jammer dat Christus dan geen Rotterdammer was.' (Zie opmerkingen.)
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Het is van belang voor het begrijpen van deze mop de godsdienstverschillen in de lage landen in ogenschouw te nemen. Na de beeldenstorm en de Opstand (1568-1648) waren de Noordelijke Nederlanden overwegend protestants en de Zuidelijke Nederlanden grotendeels katholiek. In de Noordelijke Nederlanden bevonden zich in geen enkele (protestantse) kerk meer beelden van heiligen, terwijl dat in katholieke kerken vanzelfsprekend nog altijd wel het geval was. De verzuchting van deze Vlaming verwijst naar het conflict: als Jezus een Rotterdammer was geweest, had vast niemand problemen gehad met de beelden, gezien de beeltenis van Erasmus.
Naam Overig in Tekst
Vlaming   
Hollanders   
Christus   
Naam Locatie in Tekst
Rotterdam   
Erasmus   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
