Hoofdtekst
'Sie daer, mijnheer Spronssen', sey Margriet 'ick en wil noch en sal niet langer bij u woonen, al sou het er noch zoo gaen, ik hadde altijt gehoopt dat jij mij aen een bode of een clerck soud uytgeheijlijckt hebben, maer wat is 't, daer komt niet van.' R. 'Ben je geck, meyt, waer wou je loopen, wat wou je beter wenschen als soo te leven?' R. 'Wenschen? Ja, mogt dat waer zijn, ik weet wel wat ik wenschen sou.' R. 'Wat doch?' R. 'Dat ik of gelt of een nieuwe tijding was, dan sou ik wel haest onder de man raecken.'
Beschrijving
Margriet kondigt haar vertrek bij de heer Spronssen aan. Zij vindt dat hij in gebreke is gebleven door haar niet uit te huwelijken aan een bode of een klerk. Spronssen vraagt zich af of ze gek is. Ze heeft een prachtig leven, wat zou ze nou nog meer willen wensen? Daar heeft ze wel een antwoord op: ze zou wensen dat ze geld, of een nieuwtje zou zijn. Dan zou ze wel onder de mensen (of aan de man) geraken.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Spronssen   
Margriet   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
