Hoofdtekst
Cesarius scrijft van een ridder die ghestorven was, die sijn soen erfnisse after ghelaten had van goede die hi mit woekeren vergadert had. Daer na quam hi weder ende clopte bi nacht an die poert. Doe quam daer een bode ter poert, ende vraechde wie daer clopte. Ende die ridder seide weder: "Laet mi in, ic pieter of jan, ende hi noemde sijn naem, die heet van deser woning. Doe sach die bode doer een gat, ende kende wel dat hijt was, ende antwoerde weder: "Mijn heer is doot. Ic en laet iu alhier niet in". Ende doe hi vast cloppende bleef ende niet in comen en mochte, doe seide hi tooten bode: "Breng mijn soen dese visschen, daer ic van ete. Sich, al hier hang icse anden poert. Des morghen, doe si uten huus ghinghen, doe vonden si een groot rijp van padden ende serpenten an der poerten hanghen.
Beschrijving
Een ridder liet na zijn dood een erfenis achter, die hij met woekeren bij elkaar had gespaard. Na zijn dood klopte hij aan bij zijn oude woning, maar de bode liet hem niet door, omdat hij overleden is. De man vroeg om een vis, voor het eten. De bode hing die vervolgens aan de poort. De volgende ochtend hingen er padden en slangen aan de poort.
Bron
De Vooys, C.G.N., Middelnederlandse stichtelijke exempelen, Zwolle 1953, pagina 55-56
Commentaar
1225
Naam Overig in Tekst
Cesarius   
Pieter   
Jan   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
