Hoofdtekst
Cesarius scrijft van een wijf, die te woekeren plach. Ende doe hoer tijt allencken begonste te naken, ende si op hoer dootbedde lach, doe sach si een campe lants al vol zwerte roeken ende ravenen. Doe riep si starkelic, ende seide: "Siet, nu nakense tot mij". Ende althants riep si noch weder: "O wy, o wi! Nu sijn si al hier int huus! Nu scoren si mijn borst op ! Nu trecken si mijn siel wy!" ende althants daer na gaf si den geest, mit hulen ende mit screyen. Ende die duvelen namen die siel, ende voerdese mit hem ter hellen waert. Oec so namen die duvelen dat lichaem vander baer, daert veel menschen an saghen, ende boerdent op totten deack vanden huus. Mer doe was hem daer een balc anden weghe, also dat sijt weder lieten neder vallen bider doren seer te scoert ende te broken. Die keerse ghingen daer t ende tvolc wert vervaert, ende si liepen alle wech. Mer des anders daghes quamen die lude weder ende vonden dat lichaem in yammerliker scijn bider doren legghen. Doe namen si dat lichaem op ende begroevent als men beeste plach te begraven.
Beschrijving
Er was een vrouw die woekerde. Toen zij moest komen te overlijden kwamen er allemaal zwarten raven op haar af. Die aan haar begonnen te pikken. Op dat moment gaf ze de geest. de duivels namen haar ziel en haar lichaam mee naar de hel. Ze begroeven haar, zoals ze beesten begraven.
Bron
De Vooys, C.G.N., Middelnederlandse stichtelijke exempelen, Zwolle 1953, pagina 56
Commentaar
1225
Naam Overig in Tekst
Cesarius   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
