Hoofdtekst
Dr. Juris Fredericus Helvetius sag een vent, die sijn hoet afgewayt was, met langsame treden daerna toe gaen, of het hem niet aen en gingh. Terstont wierp hij sijn eygen hoet in ons huys en liep na de afgewayde. De luyaert, dit siende, trock mede aen het lopen, maer schoot te kort. Doe rees er een hevig dispuyt over den hoed. De omstanders lachten om de pots, sonder te weten wie van haer tweën de meester daervan was ende oordeelden, dat men er om loten moest, hetwelck oock terstont geschiede, en het lot quam op den regten eygenaer te vallen.
Beschrijving
Dr. Juris Fredericus Helvetius ziet een man wiens hoed afgewaaid is, op zijn hoofddeksel aflopen. Hij maakt daar echter niet teveel haast mee, alsof het hem eigenlijk maar matig interesseert. Helvetius smijt daarop zijn eigen hoed bij de verteller naar binnen en loopt naar de hoed op straat. De andere ziet dat en voelt nattigheid, dus hij versnelt. Ze komen tegelijkertijd aan en beginnen te bekvechten. De omstanders vinden het hoogst vermakelijk en menen dat er geloot moet worden om de hoed! Dat gebeurt ook meteen, en het lot valt op de rechtmatige eigenaar van het hoofddeksel.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Juris Fredericus Helvetius   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
