Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN06 - Het bokkebloed

Een sage (boek), 1919

cohen3.jpg

Hoofdtekst

Het Bokkebloed.

Daar is geen Nederlandsche schooljongen, of hij
weet, dat den 1sten April van het jaar 1572 de
wreede hertog van Alva zijn bril heeft verloren.
Het waren maar vier en twintig kleine scheepjes, die uit-
voeren van de stad Dover, en het aantal koppen, dat zij
droegen, kon hoogstens op vierhonderd worden geschat.
Aan deze vierhonderd man heeft Nederland zijn vrijheid
te danken.
Daar is geen Nederlandsche schooljongen, of hij kent
de namen de la Marck, Blois van Treslong en Koppelstok.
Koppelstok wil ik noemen de listige, eenvoudige man
uit het volk; de la Marck is de woeste aanvaller, die de
stad innam; Blois van Treslong de bedachtzame, die de
stad voor den Prins wilde behouden. Zonder koppelstok
en zonder Blois van Treslong ware de geschiedenis der
Nederlanders anders geweest.
Toen de booze Alva hoorde, welk potje van ellende
de watergeuzen voor hem te vuur hadden gezet, en de
stank hem doordrong in de neusgaten, zette hij een gezicht
van oude lappen, en hij zond den graaf Bossu, om den
Briel te heroveren. wat moest hij zonder bril beginnen
de arme kerel? Hij vreesde al voor de andere steden,
Rotterdam en Vlissingen. De graaf Bossu vormde tien
compagnieën Spaansche soldaten, teneinde de vesting aan
Alva terug te geven. Maar de Nieuwland-sluis werd geopend,
en de zee sloeg door tot de Noorderpoort; en aan de
Zuiderpoort speelden de kanonnen het aloude Geuzenlied:

„Slaat op den trommele, van diredomdeine
Slaat op den trommele, van diredomdoes
Vive de Geus, is nu de loes".

Wel verstonden de Spaansche krijslieden de zang der
kanonnen. Ze deinsden terug, Bossu voorop, en ze kwamen
aan de stede Rotterdam. De poorten had men gesloten.
Toen zond de graaf Bossu een bode tot den burge-
meester, en deze sprak het verlangen van zijn heer:
„Laat binnen de troepen van uw wettige koning,
Philips, of anders zal het u kwaad vergaan!"
„Hebben wij ooit onzen Koning trouw geweigerd?"
zoo luidde het antwoord, „dat een bezetting van uw troepen
noodig is, om ons tot trouw te dwingen? Wij herinneren
ons de wreedheden, die de bezettingstroepen hebben
begaan, te goed!
Meld den graaf Bossu, dat wij niet naar zijn inkomst
verlangen!"
De bode bracht de boodschap over, en de graaf reed
zelf tot aan de poort, met zoeten glimlach op het gelaat,
en voor hen, die hij haatte, hoffelijk-buigend.
Lachend keuvelde hij, en verborg zijn wrok. De vroedschap der
stad ontving hem, zooals dat in Rotterdam sinds eeuwen
de gewoonte is: met vertrouwen en gastvrijheid. Want
geen gastvrijer stad in Nederland, ja wellicht ter wereld,
dan Rotterdam. Maar toen Bossu erover sprak, dat hij
een garnizoen in de vesting wilde leggen, schudde de
burgemeester ontkennend het hoofd.
„Dat zal niet gebeuren!"
„Hoe zult ge dan uw trouw aan den Koning bewijzen?"
„ Die trouw is in ons hart", zeide een lid der vroed-
schap. „Op het oogenblik, dat men trouw bewijzen moet,
denkt men reeds aan ontrouw". Ducdalf's veldheer haalde
diep adem. „Ge weet —" zoo sprak hij, dat de vesting
den Briel van ons is afgevallen en ge kent de oorzaak
tevens; dat de bezetting is opgeheven en naar Utrecht
gezonden. Ik moet uw stad thans doortrekken en zoo ge
dan het garnizoen niet wilt aannemen, dient ge tenminste
ons doortocht te verleenen. Tegen dezen billijken eisch
kunt ge niets inbrengen". De burgemeesteren zagen
elkander aan en zwegen. Doch het lid van de vroedschap,
dat zooeven de verstandige woorden had geuit, keek hem
recht en onbevreesd in het gelaat.
„Heer graaf!" zoo sprak hij, „welke zekerheid hebben
wij, dat ge met ons geen list voorhebt? Wilt ge verklaren,
dat ge slechts telkens een korperaal met zijn manschappen
de poorten zult doen binnengaan, zoodat wij ze in bedwang
kunnen houden, indien dit noodig mocht blijken?!"
„Ja" antwoordde de graaf, „en ik wil dit bevestigen
door handdruk en grafelijk zegel!"
„Zoo ge ons dit bevestigen wilt door handdruk en
grafelijk zegel, bestat er geen bezwaar, om Uw voor-
waarden aan te nemen."
En aldus kwam men overeen. Men opende de poorten.
Slechts een enkele, eenvoudige burger, Zwart Jan,
geloofde 's Graven woord niet. Hij stelde zich, met een
zwaren hamer gewapend, aan den ingang. Toen de poorten
wijd-open stonden, het goed vertrouwen van Rotterdam
bewijzende, drong ineens Bossu's gansche macht op. De
stad kon wel worden vergeleken met een kind, dat de
oogen sluit en de mond opent, op het enkele gezegde,
dat men iets lekkers zal geven.
De veldheer zelf ging voor, het zwaard in de vuist,
en hij doode met eigen hand den burger, die hem
wantrouwde. Zoodra deze luttele tegenstand was gebroken,
zwerfden de troepen uit.





Aan de Groote Markt, op den hoek van het Hang,
woonde een man, die bij zijn vele vrienden zeer geliefd
was. Toen het bekend werd, dat de spanjolen de stad
wilden plunderen, kwamen allen, mannen en vrouwen
en weenende kindern bij hem te samen, opdat hij
zou helpen.
„Stilte!" beval hij, zoodra ze om hem heen stonden.
„Stilte bovenal! Kinderne wees zoet. Wie wil in de kamer
van 't achterhuis de kinderen verhalen vertellen?" Een
jonge vrouw trad naar voren. „Naar buiten mag geen
geluid dringen — noch de schrei der angstigen — noch
de lach der onwetenden. Het moet gelijken, of alles in
dit huis is gestorven!"
„Maar zullen de Spanjaaren toch niet komen? dan is
ons leed nog grooter dan dat we ieder in onze woningen
waren gebleven. Want dan....hadden we nog kans
geloopen....om te worden gespaard. En nu....het is
te verwachten, dat ze op de Groote Markt niets onder-
zocht zullen laten."
„Beter is het te vluchten — te vluchten —" riep een
ander, angstig om deze woorden, en thans eerst begrijpend,
wat het zeggen wil, een ander meer te vetrouwen dan
zichzelf.
„Vluchten-vluchten!" schreewden ze op dat oogen-
blik allen dooreen, en de kinderen begonnen tegelijkertijd
te schreeuwen.
„Als ge nu vlucht", sprak de eigenaar van het huis,
„valt ge zeker in de handen van de Spanjaarden. Ge
hebt hier te keizen of te deelen". Een vrouw viel voor
hem op de knieën
„Maar wat dan?"
„Ik ken maar één middel, dat ons redden kan. Ik heb
een bok in dit huis... dien zullen we aan den ingang
slachten.... en de deur openen we....en de deur
openen we....op een kier."
„Neen—neen!" kreet de knielende vrouw vol vrees.
„Ik zal schreeuwen, dat ze 't hooren!"
„Je schreeuwd niet", riep de man vol gezag.
De vrouw richtte zich op en ging met gebogen hoofd
naar de kamer. Daar hurkte ze neer, het gezicht in haar
handen, maar geen geluid liet ze hooren.
Men voerde den bok tot vlak voor de deur, en een
der mannen sneed met een scherp mes den hals af.
Het bloed spoot uit den bok, het stroomde door de gang,
een vrouw dweilde het richting der Markt. Daarna
stroopte men het beest. Vel en hoornen nam men in de
binnenkamer mede. Het bloedige lijk liet men in de gang.
De bovendeur opende men gansch, de benedendeur even.
Het bloed bleef stroomen, het barstte de keelsnede uit.

De spanjaarden renden in de huizen der Groote Markt,
om het spel van moord en lust te beginnen. Uit de woning
in't hang kwam geen geluid. De kinderen lachten en
schreiden niet. De manne en vrouwen zaten geruidloos,
en wachtten. Ze hoorden het luid geschreeuw der moor-
dende soldaten. Ze kenden de klanken der stemmen, van
buur en vriend, die geslacht werden. Ze konden ieder
oogenblik denken:
„Nu is het onze beurt. Waarop zouden de vijanden
wachten? We zijn ongewapend en weerloos!"
Zij wisten van elkander, wat ze dachten. Zij hoorden
iedere vrees, als werd ze duideljk uitgesproken.
Een der duizend vreezen, die daar werd geleden, luidde
in woorden vertaald:
„In buurman's huis zijn ze al binnengedrongen! Hoor
de vrouw gillen. Ze grijpen een van de dochters aan. Ze
zoeken het huis af. Straks zijn wij verloren... Nog
enkele minuten...."
De tweede vrees:
„Hoor de stappen, die op onze woning af-komen, rap,
rap, rap,. Hoor je niet morrelen aan de deur? Daar lacht
iemand. Zeker om het bebloede lichaam van den bok;
men weet, dat het geen menschen-lijk is. maar dan zullen
ze ook niet meer gelooven, dat het bloed, welk op straat
stroomt....en als ze niet gelooven....zullen ze ons
slachten als wij den bok....hun messen zijn scherp....
of ons aan één been in de deur ophangen, tot wij van de
kou verstijven....of ons de ledematen met koevoeten
breken....of ons huis verbranden, om ons in den rook
te verstikken....of....een andere....onnoembare
pijn...."
ja, dit werd tot duizend vreezen, de onbepaalde vrees.
Ieder voetstap werd een vrees. Iedere stem een vrees.
Iedere ruwe lach en vrees. Iedere kreet van pijn een
vrees.
Maar de Spanjaarden, die voorbijgingen, riepen elkander
toe, het bloed ziende, dat uit het huis op de straat vloeide,
en haarstig binnen kijkende naar de plaats, waar de gevelde
bok lag, dat hier het moordwerk reeds was geschied.
Langzamerhand werd het avond, en de furie week. Uit
het huis met de duizend vreezen ontsnapten de menschen
in de duisternis, en ze waadden door het bloed. Ze slopen
door de straten naar hun eigen woningen, mannen, vrouwen,
kinderen. Ze waren gered.
Maar 't huis op de Groote Markt, hoek het Hang,
werd genaamd naar dezen vreeselijken dag: de Duizend Vreezen.

Onderwerp

TM 2601 - Hoe het dorp (de stad, heuvel, straat, een plek of het stuk land) aan z'n naam is gekomen    TM 2601 - Hoe het dorp (de stad, heuvel, straat, een plek of het stuk land) aan z'n naam is gekomen   

Beschrijving

Op een dag zendt Alva de graaf van Bossu, om den Briel te veroveren.
Bij de poort van Rotterdam aangekomen, roept hij de burgemeester op hem en zijn troepen binnen te laten. Echter het vroedschap van Rotterdam weigert hem binnen te laten. Dan vraagt de graaf van Bossu in plaats daarvan om hem en zijn troepen doortocht door te stad te verlenen. Na enig onderhandelen en de belofte van Bossu dat deze gunst geen list is, opent men de poorten. Echter, zodra de poort is geopend bestormd men de stad. Een enkeling die de graaf niet geloofde, werd gelijk vermoord. Vervolgens zwerven de troepen uit over de stad om iedereen te vermoorden.
Slechts enkelen weten door een list van een geliefd man te ontkomen. Toen de Spanjaarden te stad binnentrokken, kwamen velen in zijn huis tezamen en vroegen hem om raad. Hij stelde voor een bok bij de ingang van het huis te slachten en de deur op een kier te openen. Zo geschiedde. Men slachtte de bok, dweilde het bloed richting de straat en stroopte het beest. De hoornen en vel nam met mee, het lijk legde men in de gang. Daarna verstoppen men zich in de achterkamer en wachtten vervolgens vol vrees, uren lang. Als een van de Spanjaarden het huis voorbij ging, zag hij het bloed, en dacht hij dat hier het moordwerk reeds was geschied. Uiteindelijk verdwenen de Spanjaarden. De mensen waren gered. 't Huis op de Grote markt, hoek het Hang werd genaamd naar deze vreselijke dag: de Duizend Vrezen.

Bron

J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.18

Commentaar

1919
Hoe het dorp (de stad, heuvel, het stuk land) aan z'n naam is gekomen

Naam Overig in Tekst

la Marck    la Marck   

Blois van Treslong    Blois van Treslong   

Koppelstok    Koppelstok   

Bossu    Bossu   

spaans    spaans   

nieuwland-sluis    nieuwland-sluis   

Noorderpoort    Noorderpoort   

Geuzenlied    Geuzenlied   

Philips    Philips   

Ducdalfs    Ducdalfs   

Zwart Jan    Zwart Jan   

Spanjaarden    Spanjaarden   

huis met de Duizend Vreesen    huis met de Duizend Vreesen   

Naam Locatie in Tekst

Alva    Alva   

Dover    Dover   

Nederland    Nederland   

den Briel    den Briel   

Rotterdam    Rotterdam   

Vlissingen    Vlissingen   

Spanje    Spanje   

Grote Markt    Grote Markt   

Hang    Hang   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20