Hoofdtekst
Waarom gaan de kleine, joodsche jongens reeds
op zesjarigen leeftijd naar het geider; alleen om het
olf-beis en de brooches te leeren? Met het olf-beis en de brooches
komt men ver op de wereld. men moet weten, wat er gezegd wordt
bij het opstaan, bij het middagmaal, bij het zich ter ruste leggen,
om Gods te loven. Als het kind brood eet, als het wijn drinkt, als het
een geleerd man ziet,moet het God prijzen, met geheel zijn ziel,
met geheel zijn hart, met geheel zijn vermogen,
gelijk de oude spreuk luidt.
Maar het kind moet meer kennen dan dat. Wat moet
het kind dan meer kennen?
En het kind moet weten, dat de God van Israël is een
eenig, eeuwig wezen. Hij heeft den mensch geschapen,
en hem den Hof van Eden gegeven, en uit een rib van
den mensch Adam schierp Hij de vrouw, Eva, die at van
de verboden vrucht. Zij kregen drie zonen, Kaïn, Abel
en Seth. de booze Kaïn doode den braven Abel. Dit is
het begin der geschiedenis, die de kleine Jodenjongens
moeten leeren to aan de vernedering van Israël, waarin
alleen het verhaal van Mordechaï, van Esther en Hamna
als een blijde mare klinkt.
Hebben zij daaraan genoeg? Neen, ze moeten de geboden
kennen, eerst de tien....en daarna velen andere. Twee
geboden van de tien klinken hen diep in 't hart, als
goede muziek.
En 't eene gebod luidt: "eert uwen vader en moeder!"
Dit gebod kunnen de kleine Joden-jongens ook na hun
bar-mitswe nimmer vergeten.
En 't tweede gebod luidt: "gedenk de sabbath-dag."
Daarvoor hebben zij reeds jong veel te lijden. want al
spoedig weet men daardoor ter schole, dat de kleine
jongetjes tot een vreemd ras behooren, en daarom slaat
men hen natuurlijk tot bloedens toe.
Wanneer de knaapjes dit alles hebben geleerd, komen
de opperrabijn en het schoolbestuur hen examineren. Dat is
een moeilijke dag, en de kinderen hopen van te voren, dat
het zal regenen. Als het zonlicht zou schijnen, ware het
toch jammer om de verspeelde wandeling naar buiten.
De rabbijn vraagt de moeilijkste brooches, zelfs het tauro
tsiwo lonoe; hij laat een stuk Tauro lezen, en de lastigste
woorden vraagt hij in 't Hollands te vertalen,
Dan worden er zeer moeilijke oogenblikken doorleefd.
Wij volwassenen weten niet meer, welke zware gewichten
van angst en zorg wij in onze jeugd hebben getorst.
wijs uw kinderen niet ruw af, als ze u hun kommer
vertellen.
De hoofden waren gebogen, de jodenjongens keken
naar de vreemde letters, en zij vertaalden, al scheen buiten
het zonnelicht.
Onder de knapen was er een, die als een koi spotte.
dikwijls lichtte hij de deksels der banken, waarin de tefilleh
en de talithiem bewaard werden, op, zoodat mening vol-
wassene, als hij na het gebed wilde gaan zitten, met luid
geraas in de diepte duikelde. Nooit kreeg hij op Vrijdag-
avonds van den wijn te drinken, dien de sjammes aan de
zoete jongens reikte. naar hem wierp de parnes de meeste
waarschuwende blikken.
Alleen op feestdagen, als er te gekken en te gaaien
viel, als er gehopt werd en gesprongen, als men het
suikergoed over den vloer zwaaide, dan was hij er 't flinkste
bij. Op Simschas Taura zaten zijn zakken vol zoetigheden,
en hi stoorde zich niet aan de tranen der kleine meisjes
die wel baar het uitgestrooide lekkers hadden gegrepen,
maar niets hadden gekregen. Hij propte zijn zakken vol,
en at alles alleen in een hoekje op.
Als hij met zijn vriendjes uitging, snoefde hij dikwijls,
sat hij op een Sabbath de sjoel zou verzuimen. Wat zou
hem de straf kunnen schelen?
Hij had geen dag in de week vrij: den ganschen zaterdag
zat hij in de synagoge, des Zondags moest hij naar 't
geider, en iederen overigen dag naar geider en school.
De koische jongens konden elken dag na vier uur spelen,
zooveel zij wilden. Zij, de Joodsche jongens, nooit. Altijd
moesten zij lessen leeren, van den vroegen morgen tot
den laten avond; en als je groot werd, geloofde je er toch
niets meer van.
Aldus praatte hij ten honderd uit, en een antwoord
kreeg hij nooit, zoodat zich zijn verbittering als een harde
korst in hem vastzette. Hij zweepte zichzelf tot moed op,
en werkelijk (op een mooie Sabbathdag) miste men hem
in de sjoel. Zeker was hij ziek! Men vroeg het den man,
in wiens huis hij woonde, maar deze bleek evenzeer ver-
wonderd. Hij werd zeer ongerust.
"Waar hij is?" vroeg hij duister. "Hij vertelde me
vanmorgen, dat hij een vriendje wilde halen, maar hij zei
niet, wie..." De makkertjes werden geroepen. Elk wilde
zich gaarne laten hooren, en hun stemmetjes (even slechts
gedempt door de stemming der synagoge, met haar grijs-
wit licht, hoewel de ruiten diep-blauw waren door de kleur
des hemels) klonken door elkaar heen.
"Hij zei, dat hij de sjoel eens aan 'n Sjabbes wilde
misloopen. hij zei, dat wij het veel te druk hadden met
school en geider — en hij zei, dat de koische jongens
veel meer vrij waren, en ze konden spelen, wanneer ze
wilden." De gansche gemeente verzamelde zich. Dit
was de eerste....o vloek en jammer!
Loerden er buiten al geen vijanden genoeg op het volk
van Israël,die het lichaam aantastten?
Moest nu ook de ziel worden besmet? Wat zou God doen,
wiens naan men niet uit mag spreken? O, zoo'n klein, klein
jodenjongetje, wat beteekende het in Zijn macht?
Nog kleiner dan een mier ligt inde palm der menschen-
hand, ligt zoo'n knaapje in God's geweld. Zij bedekten
de oogen, of wel omhulden ze hun hoofden met taliethiem.
Ja, het was een warme zomerdag. Het Jodenjongetje ging
buiten de stad, en kwam aan de weiden, waar de
lage rivier eventjes over het wit-gele zand vloeit. De koeien
stonden in het ondiepe wate, en een harer wendde den
kop eventjes naar het schrijende knaapje. Juist stak het
zonnelicht den jonegn fel in 't gezicht en deze dacht:
"De dieren hebben het heerlijk! Waarom zou ik niet gaan
pootjebaaien." Toen verschrikte hij zelfs van deze zondige
gedachte, want de Sabbath is een dag der roerloosheid,
waarin niemand een trilling mag brengen. Alles is op den
Sabbath verboden, geen licht mag men onsteken, geen vuur
doen ontvlammen, geen papier scheuren, en geen
golfje in den stroom verplaaten. geen schel mag men
overhalen, geen stok op de grond doen steunen. De
Sabbath is een dag alleen voor rust en gebed: zoo wil
het Adonaï, de God van Israël.
Het knaapje bleef staan, en bedacht misschien reeds,
dat het een dubbele zonde bedreef, door de sjoel te ver-
zuimen en zoo verre wandeling te gaan. waarom ou het
dan niet mogen zwemmen? Hij boog zich naar de rivier, en
liet het goede, koele water (het zonlicht raakte den oever
nog niet) over zijn hand glijden. Hij bezon zich even. Wat
zouden zijn vriendjes ervan zeggen, als hij zich zóó moedig
in de zonde betoonde? Zeker zouden ze hem bewonderen
en dit was hem reeds genoeg, om het kwaad te bedrijven.
Hij ontkleedde zich, en al zijn kleeren, de arban kanfous
incluis, wierp hij op een hoopje. het was maar een klein,
schraal Jodenjongetje....nog niet de waarde van een
ademtocht in de groote maatschappij.....met een bruin,
mager lichaampje: alle ribben staken naar buiten. En God
heeft in den stroom gemaakt de diepten en de ondiepten,
en het geschiedt naar Zijn wil,
naar de stad dreef het schrale lijkje, en toen het den
oever bereikte, stonden er kleine Jodenjongetjes, die met hun
pientere oogen naar den Sabbath-schender keken. want
oom zijn zone heeft hij den dood gelden, daaraan behoeft
niemand te twijfelen. Het werd allen tot voorbeeld gesteld.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Joods   
God   
Hof van Eden   
Adam   
Eva   
Abel   
Sabbath-dag   
Mordechaï   
Esther   
Simschas Tauro   
Adonaï   
Tauro Tsiwo Lonoe   
Joden   
Naam Locatie in Tekst
Israël   
Kaïn   
Seth   
Haman   
Tauro   
Hollands   
