Hoofdtekst
Het huis met de hoofden te Amsterdam
Mijnheer en mevrouw waren uit, en de dienstbode
was alleen gebleven. In het groote huis, klonk
geen geluid. In de gang brandde geen enkele kaars.
Slechts, waar het maanlicht blonk, met schijn en
geheimzinnige weerschijn, zodat het op enkele plekken zelfs geleek,
als schoot er uit den vloer brand, werd de glans gezien.
Het meisje zat in de keuken. Ze was tenger en blond.
Zij moest het huis bewaken.
Stil! een klank verweg, zoo zacht, als ’t trippelen van
een muisje achter een beschot. Ergens een fluisterende
stem. Ze richtte zich op, en wachtte. Niemand ging op
straat voorbij. Ook uit de huizen der buren….ook uit de
huizen der buren….geen trilling…Ze bleef staan, en
heel haar houding was luisteren. Nu kon ze niets ongewoons
hooren. Ze ontstak de kaarsen. Over den wand schoof
een ruwe, rossige gloed, waartegen onmiddellijk de zwarte
schaduw lag. Ze vreesde niet, zooals velen, die juist bij
schaarsch licht , als ze een vreemden klank hebben gehoord,
gedaanten bemerkten, wezenlijk in haar onwezenlijkheid.
“Ik heb me zeker vergist”, zoo mompelde ze. “Nee…..
toch niet…..”
Het gebeurt wel, dat ge ’s avonds in een eenzame woning
zit…een straatjongen komt voorbij en schuurt met den
elleboog tegen den muur…Of wel, op een zomeravond
rust ge op het veld, en een honderd meter van u is een
vleermuis op de jacht, die zachtjes piept…Ge weet niet,
of het een klank is, geen klank. Ge glimlacht misschien
om uw verbeelding. Maar dit meisje wist, dat er een breuk
in de stilte was gekomen, en ze zocht de richting.
Ze ging de trappen op, en spiedde in de vertrekken,
in de wijde kasten, in de donkere hoeken. Ze wist wel,
wat haar wachten zou, als plots een kerel op haar toe-
sprong. Doch haar meesters hadden haar gezegd, het huis
te bewaken. Ze ging over den grooten zolder, waar het
des nachts zoo duister is, behalve op de plaatsen, waar
het milde maanlicht wordt gespreid. Ze zocht in haar
eigen kleine kamertje, welk men goedgunstig voor haar had
afgetimmerd, omdat de meiden ook moeten slapen. Ze speurde
achter de zware gordijnen, dikwijls een schaduw aanziend
voor een menschelijke vorm. Doch dan deinsde ze niet
terug, ze geleek eerder op een kat, die zich tegen een
veel sterkeren tegenstander verzetten moet.
Want ze had haar meesters lief en hun eigendommen, als
waren ze van haar. Ze gaf er zich geen rekenschap van. Gelijk
als ware zij een dievegge: zelf kon ze iederen klank
hooren, in het gansche huis leek er geen er geen enkele andere
klank te bestaan dan die, welke zij had vernomen.
Ze ging als iemand die vreest, en inderdaad vreesde ze;
want ook de moedigen vreezen. Ze sloop tred voor tred
naar beneden, en eindelijk ademde ze, zoo stil en diep ze dit kon.
“Het is in deze kelder”, zoo gevoelde ze met zeker-
heid. Ze doofde de kaarsen. Het maanlicht scheen ook in
dit gewelf. Het lag langs de ruitjes, en vlak daarachter was
een grauw-doorschoten schemering. Men kon niet zeggen,
dat er zich glans op den vloer spreidde, hoogstens hief zich
daarboven een smalle, vale sluier. Aan een der kanten echter
zag ’t meisje een vierkante lichtbron, wel nevelig, maar
duidelijk te onderscheiden van het duister rondome.
Zij staarde verwonderd, en begreep niet, waarvan deze
nevel de weerschijn was. Toen ineens wuifde er een rossige
gloed doorheen, alsof menschen kaarsen in de hand hielden,
welker vlammen door de wind werden bewogen.
“Dit is het uur”, zoo dacht ze, “ dat ik wachten moet,
om mijn meester’s huis te verdedigen.” Het licht bleef
flikkeren, en ze hoorde fluisteren., meerdere stemmen dooréén.
“Jij eerst.”
Toen bemerkte ze, dat het gat, waardoor het licht scheen,
groot genoeg was, om een menschenhoofd door te laten,
en wanneer eenmaal het hoofd was doorgeslopen, kon het
slanke, lenige lichaam gemakkelijk volgen. Het trouwe
meisje bedacht dit. Ze snelde de trappen van den kelder
weder op, kwam een oogenblik later terug, het scherp mes
van haar meester in de hand. Ze zag reeds het hoofd van den
eersten roover, langzaam door het gat glijdend. En ze zeide:
“Vrees niet! Straks zal ik u bij de schouders nemen
en u door het gat trekken. Er is hier veel te stelen.”
De roover glimlachte van blijdschap. Dat was een
onverwachte hulp! Met wilde krachtsinspanning, sjorrend
en zichzelf voortsleepend, bracht hij eindelijk zijn hoofd
in den kelder. Op hetzelfde oogenblik greep zij hem bij
zijn haren en met het scherpe mes sneed ze in hoofd
af. Het bloed spoot haar tegen de hand, zoals bij een
ongeoefend slager. Haar dunne pols was met bloed besmet,
zij echter gevoelde de liefde voor haar meester en mees-
teres. Ze trok den romp van het lijk door de opening, en
ze wierp het als een voorwerp opzij.
Toen boog ze zich voorover en fluisterde tegen hem,
de volgen moest:
“Hij is erdoor! Nu zal jouw beurt volgen! Wees niet
bang! Ik zal jou even goed helpen als hem!”
Aldus sprak ze, en terwijl zij het machtige hoofd van den
roover schudde en de schedel tegen de kanten stiet, greep
zij hem speelsgewijze bij de lange lokken, en ze lachte
hem tegemoet.
“We zullen eerlijk alles deelen, nietwaar, jij met je haren
zonder einde. Goud zoo rood als bloed, en zilver zoo wit
als en hoofd, waaruit het bloed is gevloden!” Hij kon nog
vóór-noch achteruit, en zij gevoelde thans een toomelooze
vreugde, zooals anders slechts een dronkaard ze kent.
“Hahaha!” gierlachte ze. “Ik ben alleen thuis. Wie eraan
twijfelt, is een gek, en jij net die gek. Het mag maar een
zwak meisje heeten, dat dit huis bewaart. De band, die om
haar arm past, is zoo smal! Nee, daar is zeker buit. Waar-
van houd je meer, mijn vriend, van diamanten of paarlen?”
Dit zeggende, schudde zij zijn hoofd vele malen, en
telkens bonsde ze zijn neus tegen de grond, zoodat reeds
het bloed vloeide. Doch hij dacht, dat ze dit deed,
om hem eerder door het gat te trekken, en hij zweeg,
hoewel hem een leelijke pijn trok tusschen voorhoofd en
mond, en hij meende, dat hij straks half-blind zou zijn.
Wacht nog een oogenblikje, lieveling!” sprak zij moeder-
lijk, “ het oogenblik is nabij, dat je uit je lijden verlost zult
zijn. Je zult meer van het roode goed voor je oogen zien,
dan je in je leven hebt gedroomd. Straks als mijn meester
en mijn meesteres thuiskomen, zullen ze aardig verrast
wezen, dat ik zooveel heb weggenomen!”
Nauwelijks had ook deze man het hoofd geheel in den
kelder gestoken, of hij deelde het lot van zijn begeerigen
kameraad, en ook dit levenlooze lichaam wierp ze weg
gelijk een vod. Onderwijl lokte ze reeds den derden dief.
“Je vrienden hebben hun verdiende loon al, haast je,
dan krijg je gauw hetzelfde als zij. Ik ben blij, dat jij komt;
al herken ik je niet, straks zal ik je hoofd in mijn handen
nemen, wees dar verzekerd van.”
Ook de vierde sprak ze in gelijken geest toe.
“Je zult van mij iets ontvangen, wat je niet verwacht
en wat ik voor jou en je vrienden eerlijk heb bewaard en
gelijk zal verdeelen. De een hoeft niet voor minder dan
de ander te vreezen.” Ook de andere vrienden werden
door haar onthalst. Eindelijk lagen alle hoofden en rompen
op den grond, een wirwar van levenloos vleesch.
Het bloed vloeide dooreen.
Ze ging met zachte schreden naar de opening en vroeg fluisterend:
“Is daar nog iemand? Den buit noem ik héél groot, en als
iemand nog wil deelen, hoedt hij maar te spreken.”
Niemand antwoordde, toen ging ze doodrustig naar haar
donkere keuken terug, als ware er niets gebeurd en kalm
wachtte ze op haar mijnheer en mevrouw. Eindelijk hoorde
ze en rijtuig rollen, ze ging naar de deur, om den grendel
te verschuiven. Mijnheer en mevrouw groeten even, en
gingen haar voorbij. Ze begaven zich naar de mooie kamer,
waar veel goed en zilver in de kasten verborgen lag.
Ze zetten zich in de groote stoelen, dichtbij het kastje, waar mevrouw’s
juweelen bewaard bleven, de halskettingen , de armbanden,
de ringen. Ze spraken tezamen over onverschillige dingen.
De dienstmeid zat in de keuken. Dat was har plaats.
Eindelijk geeuwde mevrouw.
“Laten we naar bed gaan!” Ze nam de zilveren tafelbel
en klingelde. De meid klopte heel bescheiden aan de deur.
“Is er iets geweest?” vroeg mevrouw.
“Ja mevrouw, mijnheer, dieven….”
“Dieven?” Ze keken verwonderd om zich heen.
“In den kelder. Willen mevrouw en mijnheer eens zien?!”
Ze volgden haar verwonderd. Weder droeg ze het licht
der kaars.
Op den vloer van den kelder bemerkten ze de lijken,
tesaam gesmeten als doode beesten in een slachterij. Welk
der hoofden had gepast op dien, welk op gindschen romp?
Ze hadden één uitdrukking: die van stomme verbazing.
Een ondeelbaren tijd moesten ze hebben gedacht,
dat ze veraden waren, juist op het oogenblik, dat ze
het wisten, stierven ze. Hun verwondering en schrik had
hen belet, om te schreeuwen……
“Wie heeft dat gedaan?” vroeg mijnheer.
“Ik!” antwoordde de meid heel bescheiden en eenvoudig.
Toen bekeken ze har met bewondering en liefde.
Den volgenden dag en de volgende dagen sprak men te
Amsterdam slechts over de teedere meisje, die zoovele woeste
roovers met een mes had gedood; ja, ze was zoo trouw als een
hond geweest, en iedereen gevoelde zich dankbaar gestemd.
Haar mijnheer en mevrouw besloten haar daad eeuwig te
doen worden, opdat de komende geslachten zouden weten:
zoo moedig en eerlijk waren de dienstboden uit dien tijd. Ze
plaatsten hoofden van steen aan den gevel van hun woning,
die nu nog altijd Het Huis met de Hoofden wordt genaamd.
Maar zij-zelve was ’t meest verwonderd, daar iedereen vond,
dat zij iets bijzonders had verricht.
Mijnheer en mevrouw waren uit, en de dienstbode
was alleen gebleven. In het groote huis, klonk
geen geluid. In de gang brandde geen enkele kaars.
Slechts, waar het maanlicht blonk, met schijn en
geheimzinnige weerschijn, zodat het op enkele plekken zelfs geleek,
als schoot er uit den vloer brand, werd de glans gezien.
Het meisje zat in de keuken. Ze was tenger en blond.
Zij moest het huis bewaken.
Stil! een klank verweg, zoo zacht, als ’t trippelen van
een muisje achter een beschot. Ergens een fluisterende
stem. Ze richtte zich op, en wachtte. Niemand ging op
straat voorbij. Ook uit de huizen der buren….ook uit de
huizen der buren….geen trilling…Ze bleef staan, en
heel haar houding was luisteren. Nu kon ze niets ongewoons
hooren. Ze ontstak de kaarsen. Over den wand schoof
een ruwe, rossige gloed, waartegen onmiddellijk de zwarte
schaduw lag. Ze vreesde niet, zooals velen, die juist bij
schaarsch licht , als ze een vreemden klank hebben gehoord,
gedaanten bemerkten, wezenlijk in haar onwezenlijkheid.
“Ik heb me zeker vergist”, zoo mompelde ze. “Nee…..
toch niet…..”
Het gebeurt wel, dat ge ’s avonds in een eenzame woning
zit…een straatjongen komt voorbij en schuurt met den
elleboog tegen den muur…Of wel, op een zomeravond
rust ge op het veld, en een honderd meter van u is een
vleermuis op de jacht, die zachtjes piept…Ge weet niet,
of het een klank is, geen klank. Ge glimlacht misschien
om uw verbeelding. Maar dit meisje wist, dat er een breuk
in de stilte was gekomen, en ze zocht de richting.
Ze ging de trappen op, en spiedde in de vertrekken,
in de wijde kasten, in de donkere hoeken. Ze wist wel,
wat haar wachten zou, als plots een kerel op haar toe-
sprong. Doch haar meesters hadden haar gezegd, het huis
te bewaken. Ze ging over den grooten zolder, waar het
des nachts zoo duister is, behalve op de plaatsen, waar
het milde maanlicht wordt gespreid. Ze zocht in haar
eigen kleine kamertje, welk men goedgunstig voor haar had
afgetimmerd, omdat de meiden ook moeten slapen. Ze speurde
achter de zware gordijnen, dikwijls een schaduw aanziend
voor een menschelijke vorm. Doch dan deinsde ze niet
terug, ze geleek eerder op een kat, die zich tegen een
veel sterkeren tegenstander verzetten moet.
Want ze had haar meesters lief en hun eigendommen, als
waren ze van haar. Ze gaf er zich geen rekenschap van. Gelijk
als ware zij een dievegge: zelf kon ze iederen klank
hooren, in het gansche huis leek er geen er geen enkele andere
klank te bestaan dan die, welke zij had vernomen.
Ze ging als iemand die vreest, en inderdaad vreesde ze;
want ook de moedigen vreezen. Ze sloop tred voor tred
naar beneden, en eindelijk ademde ze, zoo stil en diep ze dit kon.
“Het is in deze kelder”, zoo gevoelde ze met zeker-
heid. Ze doofde de kaarsen. Het maanlicht scheen ook in
dit gewelf. Het lag langs de ruitjes, en vlak daarachter was
een grauw-doorschoten schemering. Men kon niet zeggen,
dat er zich glans op den vloer spreidde, hoogstens hief zich
daarboven een smalle, vale sluier. Aan een der kanten echter
zag ’t meisje een vierkante lichtbron, wel nevelig, maar
duidelijk te onderscheiden van het duister rondome.
Zij staarde verwonderd, en begreep niet, waarvan deze
nevel de weerschijn was. Toen ineens wuifde er een rossige
gloed doorheen, alsof menschen kaarsen in de hand hielden,
welker vlammen door de wind werden bewogen.
“Dit is het uur”, zoo dacht ze, “ dat ik wachten moet,
om mijn meester’s huis te verdedigen.” Het licht bleef
flikkeren, en ze hoorde fluisteren., meerdere stemmen dooréén.
“Jij eerst.”
Toen bemerkte ze, dat het gat, waardoor het licht scheen,
groot genoeg was, om een menschenhoofd door te laten,
en wanneer eenmaal het hoofd was doorgeslopen, kon het
slanke, lenige lichaam gemakkelijk volgen. Het trouwe
meisje bedacht dit. Ze snelde de trappen van den kelder
weder op, kwam een oogenblik later terug, het scherp mes
van haar meester in de hand. Ze zag reeds het hoofd van den
eersten roover, langzaam door het gat glijdend. En ze zeide:
“Vrees niet! Straks zal ik u bij de schouders nemen
en u door het gat trekken. Er is hier veel te stelen.”
De roover glimlachte van blijdschap. Dat was een
onverwachte hulp! Met wilde krachtsinspanning, sjorrend
en zichzelf voortsleepend, bracht hij eindelijk zijn hoofd
in den kelder. Op hetzelfde oogenblik greep zij hem bij
zijn haren en met het scherpe mes sneed ze in hoofd
af. Het bloed spoot haar tegen de hand, zoals bij een
ongeoefend slager. Haar dunne pols was met bloed besmet,
zij echter gevoelde de liefde voor haar meester en mees-
teres. Ze trok den romp van het lijk door de opening, en
ze wierp het als een voorwerp opzij.
Toen boog ze zich voorover en fluisterde tegen hem,
de volgen moest:
“Hij is erdoor! Nu zal jouw beurt volgen! Wees niet
bang! Ik zal jou even goed helpen als hem!”
Aldus sprak ze, en terwijl zij het machtige hoofd van den
roover schudde en de schedel tegen de kanten stiet, greep
zij hem speelsgewijze bij de lange lokken, en ze lachte
hem tegemoet.
“We zullen eerlijk alles deelen, nietwaar, jij met je haren
zonder einde. Goud zoo rood als bloed, en zilver zoo wit
als en hoofd, waaruit het bloed is gevloden!” Hij kon nog
vóór-noch achteruit, en zij gevoelde thans een toomelooze
vreugde, zooals anders slechts een dronkaard ze kent.
“Hahaha!” gierlachte ze. “Ik ben alleen thuis. Wie eraan
twijfelt, is een gek, en jij net die gek. Het mag maar een
zwak meisje heeten, dat dit huis bewaart. De band, die om
haar arm past, is zoo smal! Nee, daar is zeker buit. Waar-
van houd je meer, mijn vriend, van diamanten of paarlen?”
Dit zeggende, schudde zij zijn hoofd vele malen, en
telkens bonsde ze zijn neus tegen de grond, zoodat reeds
het bloed vloeide. Doch hij dacht, dat ze dit deed,
om hem eerder door het gat te trekken, en hij zweeg,
hoewel hem een leelijke pijn trok tusschen voorhoofd en
mond, en hij meende, dat hij straks half-blind zou zijn.
Wacht nog een oogenblikje, lieveling!” sprak zij moeder-
lijk, “ het oogenblik is nabij, dat je uit je lijden verlost zult
zijn. Je zult meer van het roode goed voor je oogen zien,
dan je in je leven hebt gedroomd. Straks als mijn meester
en mijn meesteres thuiskomen, zullen ze aardig verrast
wezen, dat ik zooveel heb weggenomen!”
Nauwelijks had ook deze man het hoofd geheel in den
kelder gestoken, of hij deelde het lot van zijn begeerigen
kameraad, en ook dit levenlooze lichaam wierp ze weg
gelijk een vod. Onderwijl lokte ze reeds den derden dief.
“Je vrienden hebben hun verdiende loon al, haast je,
dan krijg je gauw hetzelfde als zij. Ik ben blij, dat jij komt;
al herken ik je niet, straks zal ik je hoofd in mijn handen
nemen, wees dar verzekerd van.”
Ook de vierde sprak ze in gelijken geest toe.
“Je zult van mij iets ontvangen, wat je niet verwacht
en wat ik voor jou en je vrienden eerlijk heb bewaard en
gelijk zal verdeelen. De een hoeft niet voor minder dan
de ander te vreezen.” Ook de andere vrienden werden
door haar onthalst. Eindelijk lagen alle hoofden en rompen
op den grond, een wirwar van levenloos vleesch.
Het bloed vloeide dooreen.
Ze ging met zachte schreden naar de opening en vroeg fluisterend:
“Is daar nog iemand? Den buit noem ik héél groot, en als
iemand nog wil deelen, hoedt hij maar te spreken.”
Niemand antwoordde, toen ging ze doodrustig naar haar
donkere keuken terug, als ware er niets gebeurd en kalm
wachtte ze op haar mijnheer en mevrouw. Eindelijk hoorde
ze en rijtuig rollen, ze ging naar de deur, om den grendel
te verschuiven. Mijnheer en mevrouw groeten even, en
gingen haar voorbij. Ze begaven zich naar de mooie kamer,
waar veel goed en zilver in de kasten verborgen lag.
Ze zetten zich in de groote stoelen, dichtbij het kastje, waar mevrouw’s
juweelen bewaard bleven, de halskettingen , de armbanden,
de ringen. Ze spraken tezamen over onverschillige dingen.
De dienstmeid zat in de keuken. Dat was har plaats.
Eindelijk geeuwde mevrouw.
“Laten we naar bed gaan!” Ze nam de zilveren tafelbel
en klingelde. De meid klopte heel bescheiden aan de deur.
“Is er iets geweest?” vroeg mevrouw.
“Ja mevrouw, mijnheer, dieven….”
“Dieven?” Ze keken verwonderd om zich heen.
“In den kelder. Willen mevrouw en mijnheer eens zien?!”
Ze volgden haar verwonderd. Weder droeg ze het licht
der kaars.
Op den vloer van den kelder bemerkten ze de lijken,
tesaam gesmeten als doode beesten in een slachterij. Welk
der hoofden had gepast op dien, welk op gindschen romp?
Ze hadden één uitdrukking: die van stomme verbazing.
Een ondeelbaren tijd moesten ze hebben gedacht,
dat ze veraden waren, juist op het oogenblik, dat ze
het wisten, stierven ze. Hun verwondering en schrik had
hen belet, om te schreeuwen……
“Wie heeft dat gedaan?” vroeg mijnheer.
“Ik!” antwoordde de meid heel bescheiden en eenvoudig.
Toen bekeken ze har met bewondering en liefde.
Den volgenden dag en de volgende dagen sprak men te
Amsterdam slechts over de teedere meisje, die zoovele woeste
roovers met een mes had gedood; ja, ze was zoo trouw als een
hond geweest, en iedereen gevoelde zich dankbaar gestemd.
Haar mijnheer en mevrouw besloten haar daad eeuwig te
doen worden, opdat de komende geslachten zouden weten:
zoo moedig en eerlijk waren de dienstboden uit dien tijd. Ze
plaatsten hoofden van steen aan den gevel van hun woning,
die nu nog altijd Het Huis met de Hoofden wordt genaamd.
Maar zij-zelve was ’t meest verwonderd, daar iedereen vond,
dat zij iets bijzonders had verricht.
Onderwerp
AT 0956B - The Clever Maiden Alone at Home Kills the Robbers   
ATU 0956B - The Clever Maiden Alone at Home Kills the Robbers.   
Beschrijving
De heer en vrouw waren uit, de dienstbode was opgedragen het huis te bewaken. Op een gegeven moment hoort ze een geluid. Ze weet het geluid te traceren in de kelder. Daar bemerkt ze een gat in de muur, groot genoeg om naar binnen te kruipen. Snel haalde ze een mes. Toen ze terug kwam zag ze reeds het hoofd van de eerste dief door het gat aankomen. Ze bood aan de dief te helpen. Toen zijn hoofd door het gat stak, sneed ze zijn keel door. Daarna trok ze het lijk door de opening en gooide het aan de kant. er volgden nog drie dieven en allen sneed ze de keel door. Nadat ze allen dieven had vermoord, ging ze weer in de keuken zitten wachten. Na een lange tijd kwamen eindelijk de heer en mevrouw thuis. Toen ze naar bed gingen, vroegen ze haar of er nog wat was gebeurt. Ze vertelde over de dieven. Toen ze het schouwspel in de kelder aanschouwden, waren ze trots dat ze zo'n trouwe dienstmeid hadden. Om deze daad nooit te vergeten hing de heer een aantal stenen hoofden aan de gevel van het huis. sindsdien wordt het "Het Huis met de Hoofden" genoemd.
Bron
J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 215-219
Commentaar
1919
The Clever Maiden Alone at Home Kills the Robbers
Naam Overig in Tekst
Huis met de Hoofden   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
