Hoofdtekst
De wilde jacht op den Osseler esch.
Dat drift en jach, dat soest en fluit,
’n Peerdehoof traampelt, ’n hond huult bang,
Schèrp kleenkt nen klappende pietschenknal
Schel schèttert ’n hoorn dat weerkleenkt nog lang.
C. E(lderink) in Tubantia 2 februari 1918.
“Hoeoeoe-oei! Oe-oe-oe!” Een kreet van pijn.
Op den Osseler Esch in Twente gaat de wilde
jacht voorbij.
De wilde jager is de eerste. Hij zit op een paard,
dat de knieën krom getrokken heeft. En zóó schreeuwt
hij, dat het is, als moest hij sterven. Zijn zweep zwiept
door de lucht. Vlak onder de wolken rijdt hij. De wolken
vliegen met hem mede, in vreemde gedaanten. Hij schijnt
ze voort te trekken.
“Ziet niet naar hem”, roept de man beneden tot een
jongen. “ Hij brengt verderf!”
“Taterata! — taterata!” De hoorn klinkt. “Taterata!”
“Luister er niet naar!” zegt de man. “Wie den klank heeft
vernomen, en onthoudt, de waanzin slaat hen in den geest!”
De jagers rijden op paarden, donkergrijs en fel-wit als
de wolk, die onweer draagt. De honden, de koppen voor-
uit gestoken, schuim op den bek, rennen nevens hen.
Wat is het wild, dat ze zoeken?
De Boomen en struiken slaan heen en weer.
De hemel dreunt.
Aan den horizon zullen ze ondergaan, de wilde jagers
met paarden en honden. Eensklaps beginnen de brakken
allen tegelijkertijd te bassen, en op dat teeken worden de
hoornen nog eenmaal gestoken. Dan is alles even stil.
Doch de wilde jager, die den stoet leidt, heft zich in
den zadel iets op, en hij legt de handen aan den mond.
“Hoe-oe-oe-oe-oe-i! Hoe-oe-oe—“ gilt hij.
Alles valt terneder, gelijk in een afgrond.
En de Ossler Esch is weder eenzaam, en de zachtste
geluiden, ’t schuifelen van een hagedisje, worden weder
duidelijk gehoord.
Dat drift en jach, dat soest en fluit,
’n Peerdehoof traampelt, ’n hond huult bang,
Schèrp kleenkt nen klappende pietschenknal
Schel schèttert ’n hoorn dat weerkleenkt nog lang.
C. E(lderink) in Tubantia 2 februari 1918.
“Hoeoeoe-oei! Oe-oe-oe!” Een kreet van pijn.
Op den Osseler Esch in Twente gaat de wilde
jacht voorbij.
De wilde jager is de eerste. Hij zit op een paard,
dat de knieën krom getrokken heeft. En zóó schreeuwt
hij, dat het is, als moest hij sterven. Zijn zweep zwiept
door de lucht. Vlak onder de wolken rijdt hij. De wolken
vliegen met hem mede, in vreemde gedaanten. Hij schijnt
ze voort te trekken.
“Ziet niet naar hem”, roept de man beneden tot een
jongen. “ Hij brengt verderf!”
“Taterata! — taterata!” De hoorn klinkt. “Taterata!”
“Luister er niet naar!” zegt de man. “Wie den klank heeft
vernomen, en onthoudt, de waanzin slaat hen in den geest!”
De jagers rijden op paarden, donkergrijs en fel-wit als
de wolk, die onweer draagt. De honden, de koppen voor-
uit gestoken, schuim op den bek, rennen nevens hen.
Wat is het wild, dat ze zoeken?
De Boomen en struiken slaan heen en weer.
De hemel dreunt.
Aan den horizon zullen ze ondergaan, de wilde jagers
met paarden en honden. Eensklaps beginnen de brakken
allen tegelijkertijd te bassen, en op dat teeken worden de
hoornen nog eenmaal gestoken. Dan is alles even stil.
Doch de wilde jager, die den stoet leidt, heft zich in
den zadel iets op, en hij legt de handen aan den mond.
“Hoe-oe-oe-oe-oe-i! Hoe-oe-oe—“ gilt hij.
Alles valt terneder, gelijk in een afgrond.
En de Ossler Esch is weder eenzaam, en de zachtste
geluiden, ’t schuifelen van een hagedisje, worden weder
duidelijk gehoord.
Onderwerp
TM 3405 - De Wilde Jacht   
Beschrijving
Op de Osseler Esch in Twente komt de Wilde Jacht voorbij. Daarna is alles weer normaal.
Bron
J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p 234
Commentaar
1919
De Wilde Jacht
Naam Overig in Tekst
Ossler Esch   
Elderink   
Tubania   
Wilde Jacht   
Naam Locatie in Tekst
Twente   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
