Hoofdtekst
God wreekt, waar hij niet spreekt.
Het was al donker, en de stilte ging uit van hemel
tot aarde. De menschen in het dorp Slochteren
stonden reeds op van den banken voor de stoep, waar
zij hun gewonen buurpraatjes hadden gehouden over den
stadhouder Willem den Vijfde, toen ze eensklaps een
paard over den weg hoorden; en ze wisten aan den
hoefslag, dat het niet door een mensch werd bestuurd,
doch dat het in tomeloze wildheid voortliep. Ze vroe-
gen elkaar:
"Wat zou het wezen?" en ze stelden zich op straat.
Een vrouw liep in haar huis en haalde wat kaarsen. een
matte gloed lag voor de huizen, in kleinen cirkel; daar-
buiten kon men niets zien. Aan den klank echter hoorde
men, dat het paard vlakbij kwam. De mannen stonden
gereed, om het te grijpen.
In de lichtkring hield het dier plotseling zijn vaart.
Men zag zijn adem rijzen en alen. De vrouw, die de
kaarsen had gehaald, bracht een dek, want het beest was
gansch bezweet.
"Wat zou het wezen?" vroeg men elkander weder, en
men bracht de lichten aan, om het paard te kunnen onder-
scheiden. Toen herkende men het.
" 't Is van Jan Roelfs uit Schildwolde."
"Hij is vanmorgen met Lanterman uitgereden!"
"Hij zal een ongeluk overkomen zijn...."
"Maar waar?"
"kijk! daar heb je den timmerman al.......Lanterman....!"
Lanterman trad in den kring. Men ging voor hem op zij.
"Waar verdenkt ge me van?" kreet de nieuw-aangekomene.
"Meent ge soms, dat ik jan Roelfs vermoord
heb? Ga dadelijk met me mee naar het Vroombosch.
Roovers hebben ons aangevallen, en met moeite ben ik
ontsnapt. Zadel de paarden toch, menschen. We hebben
geen oogenblik te verliezen!"
"Hij heeft gelijk!" riep een oude man, en deze was het
eerste, om zijn paard te halen. Geen kwartier later, of
alleen de vrouwen waren in het dorp achtergebleven, met
de kinderen, van wie er verschillenden door al deze vreemde
geluiden aan het schreien waren geraakt. doch de vrouwen
uit die dagen konden in het straffen voor de mannen
opkomen, en al hel gauw werd het algemeen inplaats
van huilen zacht-jammeren, dat weder in heftig, zenuw-
achtig snikken overging. De mannen onderwijl reden naar
het Vroombosch. drie van hen hielden de brandende
fakkels in de hoogte. Dichterbij dezen, door anderen inge-
sloten, reed lanterman. Niet opzettelijk echter was de
groep zóó gevormd.
"Halt!" riep plots de man, die zich aan het hoofd had
gesteld, en sprong op den grond. "Daar ligt iemand aan
den weg!"
Ja, daar lag jan Roelfs. Zijn doode oogen staarden naar den
hemel. hij lag in een plas, waarin het licht der fakkels even
spiegelde, weinig dieper dan de onbewogen oppervlakte.
"Wat heeft hij gebloed!" zeide Lanterman rustig. Men
greep hem plots bij den schouder.
"Zijn moordenaar staat hier niet ver vandaan!" De
fakkels werden lager gestrekt, opdat men zijn gezicht
beter kon onderscheiden. Maar Lanterman keek hen allen
verwonderd aan. Daarna bedekte hij zijn gelaat met de
handen en begon te schreien.
"Ik een moordenaar! Ze zien mij voor een moordenaar
aan! Jan Roelfs! Jan Roelfs! ze zien mijn voor jouw moor-
denaar aan!"
Allen zwegen. Ze gevoelden, dat hij, die zóó kon klagen,
geen misdadiger kon zijn.
"Van welken kant kwamen de moordenaars?" vroeg
een der menigte Lanterman.
"Van het Vroombosch. Ze grepen ons vast, ze hebben
ons al ons geld gestolen. Maar daarna heb ik me losgerukt....
en toen zijn ze allen op Jan Roelfs aangevallen. O, Jan
Roelfs, Jan Roelfs help me toch!"
Haastig beraadslaagde men onder elkander. Hoe kwam het
paard los? Waarom was Lanterman het dadelijk komen
vertellen, wat hij had gezien, indien hij schuldig ware? Toch
bezag men hem met wantrouwen, en terwijl de overigen
tezaam naar huis reden, liet men hem eenzaam gaan.
"Ik ben onschuldig", riep hij hen achterna, angstig om
zijn verlatenheid. Immers, hij beteekende niets alleen.
Wat te doen, als een ieder wantrouwt? Zoo is het leven
wel te vreezen.
Den volgenden morgen trachtte hij weder met anderen
te spreken, doch men antwoordde hem stuursch. Als er
velen vergaderden, stond hij in den hoek. In de kerk leek
het, of hij zonder buurman ware. Hij liep van dorpsgenoot
tot dorpsgenoot, tegen ieder zeggend:
"Weet ge dan nog niet, dat ik onschuldig ben?" Men
haalde de schouders op.
"Tot ij den moordenaar kennen!"
"O,o!" kreet Lanterman, "dat ik door mijn eigen vrienden
niet geloofd word."
Ze bezagen hem, lichtelijk-verwonderd over hun wreed-
heid. Waaròm toch geloofde men hem niet? Hij riep schil
en hartstochtelijk: "Het zal uitkomen! Het zal uitkomen!
Bij God......"
Op een goeden dag trokken de mannen van Schild-
wolde, met paard en kar erop uit, om hout te halen.
Op een der wagens zat Lanterman naast een boer, die wel
met hem willen rijden.
"Waarom niet", zoo vroeg deze. "Waarom zou ik niet
met Lanterman gaan rijden."
Ze laadden het hout op den wagen, en waren stil bij
den arbeid. De zon scheen heet. Bij geen der karren
werd gesproken. Voor het eerst sinds lang gevoelde de
timmerman zich minder eenzaam: ook de anderen bemoei-
den zich niet met elkaar. Hoog werd het hout in de voer-
tuigen gestapeld, boven den bok uit. Wie lust had mede
te rijden, hoe moest er zich niet om bekommeren, dat hij
op geen veeren kussens zat. De kar schommelde en de
blokken hout voelden hard aan.
De lange, lange rij wagens hield op bij de kar, waar
de boer en Lanterman zaten. Zij wiebelden het hevigst,
want de wagensporen waren diep door de voorgaande
raderen. Bij Vroombosch, op de plek, waar Jan Roelfs
was vermoord, bleven plotseling de paarden staan, en ze
wilden niet verder. Lanterman sprak geen woord. Ook
de boer niet, die nevens hem zat.
"Vooruit! Vooruit!" riep ten laatste Lanterman, en hij
liet de zweep knallen. De dieren stonden stil. Ineens kwamen
uit het naburige bosch zwermen van insecten, en ze wierpen
zich op de paarden, welke lijven ze dekten en ze gonsden
er om heen, dat er tusschen den drom geen enkel lijntje
licht trilde. Maar de beesten verdroegen deze marteling.
"Een van ons beiden is de moordenaar!" riep de boer
met vreeselijke stem. Lanterman boog het hoofd. " Op
deze plaats is Jan Roelfs vermoord, timmerman! Zeg nu,
wie van ons beiden den moord heeft gepleegd!"
"God wreekt, waar hij niet spreekt", antwoordde
Lanterman met doffe stem.
"Laat de zweep maar rusten......"
Ineens kreeg de wagen van achteren een schok. De
paarden stonden stil. Lanterman tuimelde van den wagen,
viel met doffen slag op den grond, en brak zijn nek. Op
hetzelfde oogenblik lieten de zwermen insecten af, en ze
keerden weder, vanwaar ze gekomen waren. De paarden
begonnen te trekken, en een oogenblik later hadden ze
den op één na achterste wagen ingehaald. Lanterman
lag dood ter aarde, precies op dezelfde plaats, waar hij
zijn vriend verraderlijk had vermoord.
Het was al donker, en de stilte ging uit van hemel
tot aarde. De menschen in het dorp Slochteren
stonden reeds op van den banken voor de stoep, waar
zij hun gewonen buurpraatjes hadden gehouden over den
stadhouder Willem den Vijfde, toen ze eensklaps een
paard over den weg hoorden; en ze wisten aan den
hoefslag, dat het niet door een mensch werd bestuurd,
doch dat het in tomeloze wildheid voortliep. Ze vroe-
gen elkaar:
"Wat zou het wezen?" en ze stelden zich op straat.
Een vrouw liep in haar huis en haalde wat kaarsen. een
matte gloed lag voor de huizen, in kleinen cirkel; daar-
buiten kon men niets zien. Aan den klank echter hoorde
men, dat het paard vlakbij kwam. De mannen stonden
gereed, om het te grijpen.
In de lichtkring hield het dier plotseling zijn vaart.
Men zag zijn adem rijzen en alen. De vrouw, die de
kaarsen had gehaald, bracht een dek, want het beest was
gansch bezweet.
"Wat zou het wezen?" vroeg men elkander weder, en
men bracht de lichten aan, om het paard te kunnen onder-
scheiden. Toen herkende men het.
" 't Is van Jan Roelfs uit Schildwolde."
"Hij is vanmorgen met Lanterman uitgereden!"
"Hij zal een ongeluk overkomen zijn...."
"Maar waar?"
"kijk! daar heb je den timmerman al.......Lanterman....!"
Lanterman trad in den kring. Men ging voor hem op zij.
"Waar verdenkt ge me van?" kreet de nieuw-aangekomene.
"Meent ge soms, dat ik jan Roelfs vermoord
heb? Ga dadelijk met me mee naar het Vroombosch.
Roovers hebben ons aangevallen, en met moeite ben ik
ontsnapt. Zadel de paarden toch, menschen. We hebben
geen oogenblik te verliezen!"
"Hij heeft gelijk!" riep een oude man, en deze was het
eerste, om zijn paard te halen. Geen kwartier later, of
alleen de vrouwen waren in het dorp achtergebleven, met
de kinderen, van wie er verschillenden door al deze vreemde
geluiden aan het schreien waren geraakt. doch de vrouwen
uit die dagen konden in het straffen voor de mannen
opkomen, en al hel gauw werd het algemeen inplaats
van huilen zacht-jammeren, dat weder in heftig, zenuw-
achtig snikken overging. De mannen onderwijl reden naar
het Vroombosch. drie van hen hielden de brandende
fakkels in de hoogte. Dichterbij dezen, door anderen inge-
sloten, reed lanterman. Niet opzettelijk echter was de
groep zóó gevormd.
"Halt!" riep plots de man, die zich aan het hoofd had
gesteld, en sprong op den grond. "Daar ligt iemand aan
den weg!"
Ja, daar lag jan Roelfs. Zijn doode oogen staarden naar den
hemel. hij lag in een plas, waarin het licht der fakkels even
spiegelde, weinig dieper dan de onbewogen oppervlakte.
"Wat heeft hij gebloed!" zeide Lanterman rustig. Men
greep hem plots bij den schouder.
"Zijn moordenaar staat hier niet ver vandaan!" De
fakkels werden lager gestrekt, opdat men zijn gezicht
beter kon onderscheiden. Maar Lanterman keek hen allen
verwonderd aan. Daarna bedekte hij zijn gelaat met de
handen en begon te schreien.
"Ik een moordenaar! Ze zien mij voor een moordenaar
aan! Jan Roelfs! Jan Roelfs! ze zien mijn voor jouw moor-
denaar aan!"
Allen zwegen. Ze gevoelden, dat hij, die zóó kon klagen,
geen misdadiger kon zijn.
"Van welken kant kwamen de moordenaars?" vroeg
een der menigte Lanterman.
"Van het Vroombosch. Ze grepen ons vast, ze hebben
ons al ons geld gestolen. Maar daarna heb ik me losgerukt....
en toen zijn ze allen op Jan Roelfs aangevallen. O, Jan
Roelfs, Jan Roelfs help me toch!"
Haastig beraadslaagde men onder elkander. Hoe kwam het
paard los? Waarom was Lanterman het dadelijk komen
vertellen, wat hij had gezien, indien hij schuldig ware? Toch
bezag men hem met wantrouwen, en terwijl de overigen
tezaam naar huis reden, liet men hem eenzaam gaan.
"Ik ben onschuldig", riep hij hen achterna, angstig om
zijn verlatenheid. Immers, hij beteekende niets alleen.
Wat te doen, als een ieder wantrouwt? Zoo is het leven
wel te vreezen.
Den volgenden morgen trachtte hij weder met anderen
te spreken, doch men antwoordde hem stuursch. Als er
velen vergaderden, stond hij in den hoek. In de kerk leek
het, of hij zonder buurman ware. Hij liep van dorpsgenoot
tot dorpsgenoot, tegen ieder zeggend:
"Weet ge dan nog niet, dat ik onschuldig ben?" Men
haalde de schouders op.
"Tot ij den moordenaar kennen!"
"O,o!" kreet Lanterman, "dat ik door mijn eigen vrienden
niet geloofd word."
Ze bezagen hem, lichtelijk-verwonderd over hun wreed-
heid. Waaròm toch geloofde men hem niet? Hij riep schil
en hartstochtelijk: "Het zal uitkomen! Het zal uitkomen!
Bij God......"
Op een goeden dag trokken de mannen van Schild-
wolde, met paard en kar erop uit, om hout te halen.
Op een der wagens zat Lanterman naast een boer, die wel
met hem willen rijden.
"Waarom niet", zoo vroeg deze. "Waarom zou ik niet
met Lanterman gaan rijden."
Ze laadden het hout op den wagen, en waren stil bij
den arbeid. De zon scheen heet. Bij geen der karren
werd gesproken. Voor het eerst sinds lang gevoelde de
timmerman zich minder eenzaam: ook de anderen bemoei-
den zich niet met elkaar. Hoog werd het hout in de voer-
tuigen gestapeld, boven den bok uit. Wie lust had mede
te rijden, hoe moest er zich niet om bekommeren, dat hij
op geen veeren kussens zat. De kar schommelde en de
blokken hout voelden hard aan.
De lange, lange rij wagens hield op bij de kar, waar
de boer en Lanterman zaten. Zij wiebelden het hevigst,
want de wagensporen waren diep door de voorgaande
raderen. Bij Vroombosch, op de plek, waar Jan Roelfs
was vermoord, bleven plotseling de paarden staan, en ze
wilden niet verder. Lanterman sprak geen woord. Ook
de boer niet, die nevens hem zat.
"Vooruit! Vooruit!" riep ten laatste Lanterman, en hij
liet de zweep knallen. De dieren stonden stil. Ineens kwamen
uit het naburige bosch zwermen van insecten, en ze wierpen
zich op de paarden, welke lijven ze dekten en ze gonsden
er om heen, dat er tusschen den drom geen enkel lijntje
licht trilde. Maar de beesten verdroegen deze marteling.
"Een van ons beiden is de moordenaar!" riep de boer
met vreeselijke stem. Lanterman boog het hoofd. " Op
deze plaats is Jan Roelfs vermoord, timmerman! Zeg nu,
wie van ons beiden den moord heeft gepleegd!"
"God wreekt, waar hij niet spreekt", antwoordde
Lanterman met doffe stem.
"Laat de zweep maar rusten......"
Ineens kreeg de wagen van achteren een schok. De
paarden stonden stil. Lanterman tuimelde van den wagen,
viel met doffen slag op den grond, en brak zijn nek. Op
hetzelfde oogenblik lieten de zwermen insecten af, en ze
keerden weder, vanwaar ze gekomen waren. De paarden
begonnen te trekken, en een oogenblik later hadden ze
den op één na achterste wagen ingehaald. Lanterman
lag dood ter aarde, precies op dezelfde plaats, waar hij
zijn vriend verraderlijk had vermoord.
Beschrijving
Jan Roelfs en Lanterman gaan uit rijden. 's Avonds komt het paard van Roelfs alleen aanlopen. niet veel later komt ook Lanterman aan bij het dorp. Hij zegt dat hij en Roelfs in het bos zijn overvallen. De bewoners geloven hem niet en verdenken Lanterman van wrede praktijken. Ze gaan kijken in het bos en vinden het lijk van Roelfs. Hoewel ze Lanterman verdenken, hebben ze geen bewijs.Vanaf die dag wordt Lanterman genegeerd, hoewel hij pretendeert onschuldig te zijn. Op een goeden dag trokken de bewoners erop uit om hout te sprokkelen. Lanterman zat samen met een boer op één van de wagens. In het Vroombosch, op de plek waar Roelfs is vermoord, wordt de wagen van Lanterman omgeven door insecten. De boer roept dat één van hen de moordenaar moet zijn. Lanterman antwoord: "God wreekt, waar hij niet spreekt". De wagen krijgt dan plotseling een schok en Lanterman valt van de wagen en breekt zijn nek. Hij lag ter aarde, precies op de plek waar hij zijn vriend verraderlijk had vermoord.
Bron
J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p 257
Commentaar
1919
Naam Overig in Tekst
Willem de vijfde   
Jan Roelfs   
Schildwolde   
Lanterman   
God   
Naam Locatie in Tekst
Slochteren   
Vroombos   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
