Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN48 - Een jong soldaat

Een sage (boek), 1919

Hoofdtekst

Een jong soldaat

Hij was een jong soldaat, en de meisjes van Weert
bezagen hem met blijdschap. Zoo ze hem ook al
niet groetten, omdat hij niet meer op de wereld
bezat dan zijn blozend gezicht, zijn rechte schouders en
zijn blinkend geweer, toch mochten hem vele gaarne lijden.
Maar hij wist niet, en daarom wellicht geschiedde het,
dat hij zoo eenzaam liep des avonds, als het marcheeren was
gedaan. velen dachten in den loop van den tijd bij zichzelf:
"Waarom gaat die jong, jong soldaat zoo alleen en
ziet men hem nimmer in 't gezelschap zijner kornuiten?"
had iemand zich slechts de moeite gegeven, om het
hem te vragen. Zijn antwoord zou zeker eenvoudig zijn
geweest. Doch wie menschen kent, hij weet, dat ze liever
onder elkaar wat monkelen: de meesten zijn blij, als ze een
gesprek hebben, al is het ook over een jong, jong soldaat.
Op een goeden dag ging hij in het duister uit, en hij
dacht zoo na over de dingen, die hij dien dag had beleefd.
Maar plotseling hoorde hij vlak bij zich een schril gefluit.
Op hetzelfde oogenblik zag hij voor een huis, een man
staan, die zijn richting uitliep. Vóór hij besefte, wat er
gebeurde, voelde hij, dat hem iets in de handen werd
geduwd. De man holde door en was verdwenen....De
jong soldaat naderde nu den glans van het maanlicht op
den grond, om te zien, wat hij in de vingers hield.
Het flonkerde. het was van goud, en groote diamanten,
schitterend als waterdroppelen door zonnestralen betoo-
verd, lagen er in rijen omheen. Wie dit had bezeten,
moest wel zeer rijk zijn.
Terwijl hij het kleinood droomend bekeek, greep hem
iemand bij den kraag, en terwijl de soldaat zich iets-
verschrikt omwendde, hoorde hij roepen:
"We hebben den dief!"
Waar komen zoo plotseling, zelfs des nachts, in de kleine
steden de menschen vandaan, als er brand is, als een
misdadiger wordt gevat? uit de duisternissen der straten,
stegen en sloppen komen ze aanrennen. De deuren der
huizen worden opengeslagen. Ieder wil weten, wat er
gebeurt; men vraagt elkaar, en een elk heeft evenveel
gezien, als de ander:
"Wat, wat, wat is geschied?" Toen de schout zijn buit
opduwde, herkende men eensklaps den misdadiger.
"Het is de jong, jong soldaat!" Jong soldaat, waarom
ging je zoo eenzaam je weg?
"Ik heb 't altijd wel gedacht, dat hij tot iets in staat
was. Wat is het? Moord, diefstal...?
De schout zeide geen enkel woord; telkens gaf hij den
soldaat een stomp in den rug, totdat ze saam het kot
hadden bereikt.
Daarna plaatste hij den armen jongen
op een armlengte van hem af, terwijl hij hem bij de
schouders vasthield. Het volk drong op, om den schop
te zien, dien de rechtsdienaar volgens alle regels der kunst
zijn gevangenen altijd als laatste troost der verloren vrij-
heid in de cel medegaf. De schout hief zijn rechtervoet
hoog in de lucht, strekte zijn been en trapte den armen
soldaat naar binnen, die hals over kop tegen de vochtigen
muur aanketste.
"Hij heeft al wat beet", zei een burgerman. "Zulk
geboefte kan niet te streng gestraft worden."
Allen, die er omheen stonden, waren het met hem eens.
Reeds in den vroegen ochtend vertelde men het te Weert
algemeen, dat de jeugdige soldaat een dief was, en nòch
de blonde, nòch de zwart meisjes verdedigden hem.
In de gevangenis drong geen licht, niet van nacht en niet
van dag. Tastend bemerkte de jonge man, toen hij van zijn
pijn een weinig was bekomen, dat er in den hoek een kruik
water stond, en hij leschte zijn klevende dorst. Vervolgens
zette hij zich op den vloer terneder en hij deed zijn handen
het moede hoofd steunen. In den morgen werden de
grendelen verschoven, en hij zag even licht. De gevan-
genisbewaarder bracht hem wat hard brood.
"Ik ben onschuldig!" Maar reeds was de zwijgende
man verdwenen, en nu kon hij tot de steenen klagen.
"Ik ben onschuldig!" Zijn tranen vloeiden.
het duurde vele dagen dat de jonge soldaat zoo door
de wreede eenzaamheid werd gekweld. Want deze een-
zaamheid had voor hem geen stem. Meestal lag hij languit
over den kouden vloer, zonder te weten, of het buiten
licht was of donker. Immers, ach in dezen kerker bestond
slechts duister.
Toen traden eindelijk de schout met zijn mannen weder
in zijn cel, en hoewel hij bij de gevangenis een haag van
volk zag staan, gevoelde hij zich bijna welgemoed, daar
de zon scheen. De zon scheen hem over zijn handen, de
zon scheen hem over zijn oogen, de lente was begonnen,
en de vogels zongen. De jong soldaat sloeg men in boeien,
opdat hij niet kon ontsnappen, want men begreep wel,
dat hij het leven jong en rijk vond. De kettingen, die
om zijn pols sloten, rinkelen, en het domme volk, dat
hem omringde, huiverde. Deze roestige klank deed allen
vreezen voor den jong soldaat. Ware hij vrij, en zonder
boeien gegaan, men had misschien nog medelijden gekend
met zijn jeugdig gelaat.
Langs het kleine landwegje, waar de bloemen van den
Mei bloeiden, duwde men hem voort. Hij echter zeide rustig:
"Ge behoeft me niet te stompen, ik ben geen kwade
stier, die door stokslagen moet worden gedreven!
Laat me gaan!"
"Zoo'n deugniet", kreet de schout, "Hij meent, dat we
hem zachtjes zullen behandelen. Vooruit!"
De jong soldaat duldde de slagen, en hij dacht bij zichzelf:
"Straks zal ik vrij zijn! De rechter zal me vrijspreken."
Moedig liep hij tot aan de linde, waaronder de rechter zat.
Deze bekeek den jong soldaat met verwondering, doch
daarna werd zijn gelaat streng en strak.
"Jong soldaat", vroeg hij, "waarom hebt gij gestolen?"
"Ik heb niets gestolen", antwoordde de jong soldaat,
en hij stelde zich recht. Hij verhaalde, wat er geschied was.
De rechter schudde droeve het hoofd.
"Het ware beter voor het behoud uwer ziel, als ge
wilt bekennen".
"Ik ben onschuldig!" Hij had het tegen de steenen
gefluisterd en thans zeide hij het aan de menschen. doch
wie weet niet, dat men soms beter tot de steenen dan
tot de menschen kan spreken? De rechter fronste het
voorhoofd.
"Ik geloof u niet, en ge gelooft uzelf niet", zoo riep
hij toornig uit. "Waarom nog langer liegen? Moet ik
u doen pijnigen met duimschroef, met geeseling, met
langzaam-martelend vuur?"
"Ik ben onschuldig". Toen wenkte de rechter den beul,
en hij zeide tot hem:
"Pijnigt dezen man, zoo ongenadig ge dit kunt."
Toen weden de jong soldaat de duimschroeven aan-
gelegd, en de spieren werden hem gescheurd. Maar hij
bekende niet. Zijn lichaam werd uiteengerekt. Hij zeide:
"ik ben onschuldig!" De beulsknechten sloegen hem met
buigzame twijgekes op den rug, en na vele slagen zonk
hij ineen. Men boog zich over hem heen, om te hooren,
of hij zijn misdaad belijden wilde. Met moeite schudde hij
van "neen". Men bond hem vast, zoodat hij zich niet
verwrikken kon, en stak daarna een vuurtje aan, bij de
onderzijde zijner uitgestrekte voeten, zoodat het vel lang-
zaam werd geschroeid. Hij riep: "Waarom vervolgt ge
mij, een ander dan ik in de dief!"
Men sleepte hem vervolgens weder voor den rechter,
die woedend kreet:
"Ge weet, dat geen ander dan gij de misdaad heeft
begaan. Gaat ge voort een onbekende te betichten?"
"Dood mij dan", zeide hij kreunend. "eens zal het
blijken, dat ge ten onrechte uw hand op me hebt gelegd!"
Toen stond de rechter op, en het volk omdrong hem.
Hij ging zijn vonnis wijzen.
"Slechte man", zeide hij, "hoewel je niet bekend hebt,
ben je schuldig en daarom moet ik je veroordeelen. Jong
soldaat, je zult aan de galg hangen!"


Toen voerde men den gestrafte weg, en in de straten
van Weert bekeken hem de mannen, de vrouwen, ja, de
kinderen met afschuw. Men moest hem ook wel afschuwelijk
vinden, den slechten man. Hij ging met moeite...en de
honden blaften tegen hem, als tegen een zwerver. telkens
dreigde hij te vallen, en dan kletterden de ijzers. het bloed
lag dik-geronnen op zijn gelaat, op zijn handen. Van zijn
uniform was niet veel overgebleven. de knoopen hingen
los, en zijn kousen waren vol gaten en vuil. Hij leek zoo
weinig op den keurigen jong soldaat, als een oud man op
den knaap, die hij ééns was. Ditmaal lette hij niet op de
duwen, die men hem gaf. Men had hem onschuldig ver-
oordeeld! Men had hem onschuldig veroordeeld! Hij kreeg
van den schout nog een schop achterna, en hij tuimelde
weder in de duisternis op den harden vloer. Thans echter
voelde hij zich nog ongelukkiger! Hij was voor altijd alleen.
Hij kroop op zijn knieën voort, tot hij den wand der
cel voelde. Toen richtte hij zich op, en in radeloosheid
zette hij zijn nagels in den muur, steunende:
"Door allen verlaten!" Nog eenmaal werd hij in het
licht gevoerd. De priester wachtte hem en sprak met hem,
gelijk met een stervende. Er bestond geen aardsche genade
voor den jong soldaat: de strop moest zijn hals omknellen.
Maar hij zeide tot den priester:
"Vader! ik ben onschuldig! Niet in mijn ziel door mis-
daad bezwaard!" En nadat hij nogmaals in zijn gevangenis
was teruggevoerd, weende hij zachtkens voor zich heen:
"ik ben onschuldig. God weet, dat ik onschuldig ben!"
De gevangenisbewaarder verscheeen in de deur en vroeg
norsch, wat de jong soldaat wilde eten.
"Is het mijn galgenmaal? Ge waart vroeger niet zoo
vriendelijk."
"Ge moogt vragen, wat ge hebben wilt!" Langen tijd
dacht de gevangene na.
"Geef me grauwe erwten met spek!" zoo zeide hij.
"Dat smaakt lekker."
Zoo kreeg hij op den avond, vóór hij in de ijle lucht
moest spartelen, grauwe erwten met spek, en daar hij
hiervan heel veel hield, werd hij minder droeve gestemd,
en hij sliep gerust, gelijk kinderen doen, die weten, dat
vader en moeder thuis zijn.
In den vroegen ochtend werd hij wakker, zonder smart,
na den droomeloozen slaap. Hij stond op, en voelde zich
zoo frisch, als ging hij marcheeren. men liet hem in een
kar plaats nemen, en omstuwd door een groote menigte,
reed hij naar de galg.
Hij was een groot feest voor het volk van stad en land.
Uit wijden omtrek stroomde men saam, om den jong soldaat
te zien dansen op de vreemde maat, in de balzaal, waaruit
niemand ooit wederkeert.
Daar behoeft men geen vet te strooien: de vloer is reeds glad
genoeg. Daar behoeft men geen kaarsen te ontsteken: het zonlicht
dringt er overal. Voor muzikanten behoeft men niet te zorgen:
raven en kraaien krassen den marsch.
De boeren hadden wel mondkost medegenomen voor
deze dag van jolijt. In de wagens lagen groote, weeke
brooden, met boter besmeerd, hardgekookte eieren, Lin-
burgsche kaas, vette ham. Na den dood van den jong
soldaat zou er wat geschanst worden. De herbergen hadden
wel voor bier en brandewijn gezorgd.
Toen nu de jong soldaat de galg was genaderd, legde hem de
beul den stop om den hals. De priester stond bij
den ongelukkige. "Ik heb het niet gedaan", zei de jong
soldaat, en plots begonnen men de tranen uit zijn oogen
te vloeien, uit medelijden om zijn eigen jong leven,
dat hem dadelijk zou ontstroomen. De beul zag na,
of het touw wel sterk genoeg was. Hij knikte goed-
keurend: geen rafeltje viel er in te bekennen, het was
goed, nieuw touw.
De jong soldaat beval zijn ziel aan God. Hij kon rustig
sterven. Nu had zijn zelfbeklag weer opgehouden, en hoog
hief hij 't hoofd, en hij zag om zich heen.
"Ik ben onschuldig", riep hij met luide stem.
Hij werd gehangen en hij bengelde aan de galg. Men
drong op om beter te kunnen zien. De soldaten konden
het aanstroomende volk niet meer tegenhouden.
Eensklaps....o wonder... brak het goede, nieuwe
touw aan stukken, en langzaam daalde de jong soldaat
ter aarde, die hem ontving gelijk een moeder haar kind,
met wie zij heeft gespeeld. Zacht viel hij neer. Hi stond
op, en riep met sterke stem, die ver buiten de menigte
werd gehoord:
"Ik ben onschuldig. God heeft gesproken!"
In overwinning werd hij weggevoerd. De raven en kraaien
hadden vergeefs gekrast.

Beschrijving

Een jonge soldaat krijgt een gouden voorwerp in de hand gedrukt, maar wordt opgepakt wegens diefstal. Voor de rechter blijft hij volhouden dat hij onschuldig is, maar dat wordt niet geloofd. Ondanks martelingen bekent hij niet, en wordt tot de galg veroordeeld. Hij gaat gerust naar de galg, beveelt zijn ziel aan God, wordt gehangen, maar plotseling knapt het touw: God heeft gesproken.

Bron

J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 261-267

Commentaar

1919

Naam Overig in Tekst

God    God   

Naam Locatie in Tekst

Weert    Weert   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20