Hoofdtekst
De twee bultenaren.
Op een lange brug liepen eens twee bultenaren vlak
achter elkaar, en er was geen mensch anders te
bekennen. de eerste had een bult op borst en rug,
de tweede op rug en borst; de eerste was een ernstige
bochel, en de tweede een grappige.
nauwelijks hadden ze een paar passen gedaan, of de
tweede bochel begon te zingen:
't is een bult —zien eigen schuld —
Dat-ie zien last mot dragen".
De eerste keek woedend-achter zich, en op hetzelfde
oogenblik, dat hij zijn hoofd omwendde, bliksemsnel, had
ook de tweede zijn kopje gedraaid.
"Wie doet dat?" vroeg de eerste. "'t Is een schandaal,
broeder, om ons zóó te bespotten."
"Zeg dat wel — je hebt nog geen ongeluk genoeg op
de wereld. Zeker de een of andere straatjongen, die zich
op den wal verstopt heeft. Afijn! loop maar door...."
de voorste bult begon weer te marscheeren; de achterste
treuzelde even....daarna riep hij zoo hard hij kon:
"Leelijke bochel! Krates!'
niet zoodra stond de eerste stil, en keerde hij zich om,
of de tweede volgde zijn voorbeeld.
"Heb je 't ook gehoord?" vroeg hij trouwhartig. "Ze
schelden ons daar uit."
"Als ik hem te pakken krijg....dien kwajen rakker....
zal hij ervan lusten!"
"Broeder! 't helpt ons niet. Wij moeten er ons wel in
schikken. Loop maar verder."
Nauwelijks had de ernstige bultenaar dezen raad
opgevolgd, toen de luimige de handen gelijk een trompet
voor zijn mond zette en schreeuwde:
"Bult — bult — leelijke bult
Van onder te mager — van boven gevuld!"
"Zou de ander 't doen? dacht de eerste wanhopig. "Dat kan
toch niet. Hij zal zichzelf toch niet uitschelden. Wacht! ik zal
hem eens strak aankijken. Zóó kom ik te weten, of hij 't was. "
De poging mislukte, want hij zag niet het gezicht van
zijn lotgenoot, doch diens rug. immers, ook deze tuurde
nadat hij zich had omgedraaid, of hij ook soms iets van den
spotvogel bemerkte, die hen beiden zoo te grazen nam.
"Er is niemand', zuchtte hij huichelachtig. " 't Moest
bij de wet verboden worden, om ons arme pakdragers in
onze ellende nog na te roepen."
"Heb jij 't dan niet gedaan?" vroeg de eerste bultenaar.
"Ik...?! Ken jij wel een mensch, die zichzelf uitscheldt?
Loop door!"
Weer hervatten de twee bochels de reis. De eerste
besloot niet meer achter zich te kijken, doch de tweede
vuurde een roffeling van uitgelezen scheldwoorden op hem
af, zooals slechts een straatjongen ze verzinnen kan. Al
de beleedigingen, welke hij zelf gedurende vele jaren had
moeten verduren, schonk hij den rug van zijn voorganger,
doch hij lachte niet. Neen! hij bewaarde zijn pret binnen-in
zich, en zoo genoot hij ervan, als een stille dronkaard, in
den hoek eener herberg gezeten, van den jenever.
Op het laatst werd de arme, gekrenkte bult bang. Liep
er niet een spook achter hem, die hem straks in den nek
zou pakken? Hij zag nog eenmaal schichtig om, en hij
kwam tot de ontdekking, dat ook zijn broeder-in-het-
noodlot dezelfde vrees als hij koesterde.
''t Is vreeselijk —" riep deze uit. "Jij hoort het toch
ook en er is niemand op de brug behalve ons beiden."
Toen begon de eerste bochel van louter angst hard te
rennen. Hij liep de lange, lange brug af, hij holde maar
door, zonder op te houden, zonder nog eenmaal om te zien.
De tweede sloeg zich op de knieën van de lol. Hij vierde
zijn pret vrij uit, en zóó machtig werd zijn lach, dat hij niet
langer kon blijven loopen of staan, maar hij werd gedwongen
op zijn buik te gaan liggen, te trappelen met zijn beentjes
en hij kromde en kronkelde zijn lichaam in zulke bochten,
dat hij nog wanstaltiger werd dan tevoren.
Op een lange brug liepen eens twee bultenaren vlak
achter elkaar, en er was geen mensch anders te
bekennen. de eerste had een bult op borst en rug,
de tweede op rug en borst; de eerste was een ernstige
bochel, en de tweede een grappige.
nauwelijks hadden ze een paar passen gedaan, of de
tweede bochel begon te zingen:
't is een bult —zien eigen schuld —
Dat-ie zien last mot dragen".
De eerste keek woedend-achter zich, en op hetzelfde
oogenblik, dat hij zijn hoofd omwendde, bliksemsnel, had
ook de tweede zijn kopje gedraaid.
"Wie doet dat?" vroeg de eerste. "'t Is een schandaal,
broeder, om ons zóó te bespotten."
"Zeg dat wel — je hebt nog geen ongeluk genoeg op
de wereld. Zeker de een of andere straatjongen, die zich
op den wal verstopt heeft. Afijn! loop maar door...."
de voorste bult begon weer te marscheeren; de achterste
treuzelde even....daarna riep hij zoo hard hij kon:
"Leelijke bochel! Krates!'
niet zoodra stond de eerste stil, en keerde hij zich om,
of de tweede volgde zijn voorbeeld.
"Heb je 't ook gehoord?" vroeg hij trouwhartig. "Ze
schelden ons daar uit."
"Als ik hem te pakken krijg....dien kwajen rakker....
zal hij ervan lusten!"
"Broeder! 't helpt ons niet. Wij moeten er ons wel in
schikken. Loop maar verder."
Nauwelijks had de ernstige bultenaar dezen raad
opgevolgd, toen de luimige de handen gelijk een trompet
voor zijn mond zette en schreeuwde:
"Bult — bult — leelijke bult
Van onder te mager — van boven gevuld!"
"Zou de ander 't doen? dacht de eerste wanhopig. "Dat kan
toch niet. Hij zal zichzelf toch niet uitschelden. Wacht! ik zal
hem eens strak aankijken. Zóó kom ik te weten, of hij 't was. "
De poging mislukte, want hij zag niet het gezicht van
zijn lotgenoot, doch diens rug. immers, ook deze tuurde
nadat hij zich had omgedraaid, of hij ook soms iets van den
spotvogel bemerkte, die hen beiden zoo te grazen nam.
"Er is niemand', zuchtte hij huichelachtig. " 't Moest
bij de wet verboden worden, om ons arme pakdragers in
onze ellende nog na te roepen."
"Heb jij 't dan niet gedaan?" vroeg de eerste bultenaar.
"Ik...?! Ken jij wel een mensch, die zichzelf uitscheldt?
Loop door!"
Weer hervatten de twee bochels de reis. De eerste
besloot niet meer achter zich te kijken, doch de tweede
vuurde een roffeling van uitgelezen scheldwoorden op hem
af, zooals slechts een straatjongen ze verzinnen kan. Al
de beleedigingen, welke hij zelf gedurende vele jaren had
moeten verduren, schonk hij den rug van zijn voorganger,
doch hij lachte niet. Neen! hij bewaarde zijn pret binnen-in
zich, en zoo genoot hij ervan, als een stille dronkaard, in
den hoek eener herberg gezeten, van den jenever.
Op het laatst werd de arme, gekrenkte bult bang. Liep
er niet een spook achter hem, die hem straks in den nek
zou pakken? Hij zag nog eenmaal schichtig om, en hij
kwam tot de ontdekking, dat ook zijn broeder-in-het-
noodlot dezelfde vrees als hij koesterde.
''t Is vreeselijk —" riep deze uit. "Jij hoort het toch
ook en er is niemand op de brug behalve ons beiden."
Toen begon de eerste bochel van louter angst hard te
rennen. Hij liep de lange, lange brug af, hij holde maar
door, zonder op te houden, zonder nog eenmaal om te zien.
De tweede sloeg zich op de knieën van de lol. Hij vierde
zijn pret vrij uit, en zóó machtig werd zijn lach, dat hij niet
langer kon blijven loopen of staan, maar hij werd gedwongen
op zijn buik te gaan liggen, te trappelen met zijn beentjes
en hij kromde en kronkelde zijn lichaam in zulke bochten,
dat hij nog wanstaltiger werd dan tevoren.
Beschrijving
Twee bultenaren lopen achter elkaar. De achterste scheldt de voorste uit. Als de voorste omkijkt om te zien wie hem zo uitscheldt, kijkt de achterste ook om. De voorste wordt bang en rent weg.
Bron
J. Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.289
Commentaar
1919
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
