Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN52 - De Ossens

Een sage (boek), 1919

Hoofdtekst

De Ossens.

Wanneer de koeien op de weide zijn, moeten de ossens haar bewaken. Uit het duister bosch gloeien de oogen der wolven; de wilde dieren wachten op den schemer. Maar hoe breed zijn de hoornen der ossens, en hoe flikkeren ook hun oogen, die nooit op één plek rusten.
Des morgens doet men de staldeuren open, en de kudde treedt naar buiten: eerst de groote ossen, hij gaat peinzend en bedachtzaam. De koeien volgen. Zij weten, dat zij veilig zijn. Onderweg durven zij wel te eten van een
grassprietje hier, van een grassprietje daar. De jonge kalveren dartelen mede. Hoe stijf ze op hun pooten schijnen te staan en te gaan, het zijn echte acrobaten, als ze te zamen spelen. Doelloos rennen ze voor de koeien uit,
blijven droomerig op een hoop aaneengeklemd, om dan te springen, te springen, als nooit een menschelijk dansmeester dit heeft gedroomd. In alles der lente is rhytme: maar niet in den kalversprong. Wie weet, waar zij dezen
dans hebben geleerd? Statig schrijdt de ossen verder, zonder om te zie naar het spel zijner jeugd. Eens zal ook een dezer bullen ouder worden, en zijn scherpe hoornen, zijn breede, gewelfde kop, zijn stevige pooten zullen het
gevaar keeren.
De andere ossen gaat ter zijde van de kudde. Hij zorgt er slechts voor, dat geen der koeien, geen der kalveren achterblijft. Zoodra hij bemerkt, dat een der dieren, die onder zijn hoede zijn, langer dan hem wenschelijk voorkomt, op den weg staat, loopt hij erheen, en besnuffelt haar. Dit is voldoende, om het luie, of onwillige, of suffige beest verder te drijven. Het is dezen ossen aan te zien, dat hij zich bewust is van zijn macht.
Als de kudde de weide nadert, waar zij grazen zal, (het is nog zeer vroeg in den ochtend, de nevel hangt laag over de velden) blijven sommige koeien echter van blijdschap staan. Ze rekken den kop, en loeien naar de vroolijke
toekomst. Zoodra de kalveren dit hooren, loopen zij in sprong en zagzag, zoo snel die lange steltenpooten zich kunnen bewegen, vooruit. Wat doen de ossens? Ze blijven even plechtig, en geen zenuw in hun machtig, gespierd
lichaam trilt.
Het gras is hoog en geurig. De snelle beek, stroomend van Oost naar West heeft banken van fijn leem in het zand gehoopt, eeuwen en eeuwen ieder jaar een onzichtbaar streepje hooger: aan weerszijden van den stroom strekken zich de weiden uit, en ze stuiten op den wijden kring van zandgrond met zijn zwijgende dennenbosschen, waar geen vogel zingt en zingen kan. De menschen wonen in de rijker streek. Bij de lanen der beuken met hun
gladde stammen hebben zij hun hoeven. Soms, als ze hooren, dat zich op het Aamsveen te veel wolvengebroed verzamelt, trekken zij er op uit, om de wilde dieren te dooden. Doch niet één boer, die voor zijn kudde vreest; geen wezen
durft de ossen te naderen, zoo meenen de menschen.
Welk een feest voor de runderen, iederen voorjaarsdag. Op het oogenblik, dat zij de weide in zullen stappen, kunnen enkele koeien niet anders doen dan even stilstaan. De anderen loopen iets harder, schuren met haar lijven tegen
elkaar, doch passen wel op, dat zij de ossens niet raken. Hoe glijden die kalveren er eigenlijk tusschen door? Zij zien in de weide toch niets dan een speelplaats en de drang, om te spelen verhit hun bloed koortsig, zoodat zij
(hoe weet niemand) in een oogwenk zich van den drom moeders hebben losgemaakt en vrij dansen en dolen.
Maar hoe ver ze dwalen, al spikkelt in de verte slechts even de bonte rug boven 't gras, de ossens weten nauwkeurig, waar ieder der diertjes is. Ze moeten des avonds, wanneer ze huiswaarts keeren, de gansche kudde terug-
voeren. Wie heeft hen tellen geleerd?
Doch wat zegt de koppel patrijzen, die na het schot des jagers ten slotte op den tak neerstrijken, dat één hunner verdwenen is. waarom lokken ze hun kameraad tot laat in den nacht?
Iederen avond keeren de ossens als leiders van hun troep naar hun stal weder.
De menschen wisten, dat er wolven waren.
Een avond, als alle andere, kwam de kudde thuis; de sterkste ossen liep niet vooraan.
Daarom zocht men hem achter in de troep.
Neen, hij was er niet.
De koeien liepen loom, en de kalveren hadden zich moe-gespeeld.
"Waar is de groote ossen?" vroeg men elkaar.
Men opende de staldeur. De dieren traden binnen met licht-schommelende tred. Het laatst kwam de kleinste ossen. Men grendelde de poort.
Daarbuiten was de nacht. Zijn er veel menschen, die naar den nacht hebben geluisterd? Ze weten niet, welke klanken er op de maanlicht-witte wegen zijn. Er zijn werkelijker en onwerkelijke klanken: de werkelijke zijn de schrei van den uil, de piep van een vervolgde muis, het zuchten van den wind, het ritselen der bladeren. Toch zijn er ook geluiden, die niet bestaan .... ge blijft erom stilstaan. Ging daar niet iets voorbij? Komt niet uit gindsche schaduw
een toon ..... zooals ge nog nooit vernomen hebt?
Deze nacht was vol onwerkelijke geluiden, ook voor hen, die in de hoeve vertoefden. Ze waren gaan slapen, gelijk alle vorigen avonden. Midden-in den tijd (kan men daar eigenlijk over spreken) werden zij wakker. Eenigen
bleven in de bedstee liggen, anderen stonden op, liepen naar het venster en tuurden in het duister.
Welke onwerkelijke geluiden! Waren er dezen nacht dan wel werkelijke? De lucht was lauw, wezel, en hermelijn en martel en bunzing waren op de jacht, ze moesten dooden, en dan bestond er toch ergens een klank? Ook de wolven ...... stil! Ook de wolven ......
Zouden zij zich niet op den eenen ossen werpen, klankloos in hun aanval, gelijk alle roofdieren? In 't maanlicht lag zeker 't bloedig, bloedend karkas: 't bloed vloeit stil. De beenderen sprongen uit 't vleesch en de groote, doode oogen staarden naar boven. Dit was zeker een overvloedig maal voor de wilde dieren. Nooit meer zou men den anderen ossen alleen met de kudde laten uittrekken.
Of zou hij toch nog leven?! Neen, dat kon niet. Dan had hij zeker alleen den weg naar zijn stal gevonden, ook midden in de nacht. Zij, die aan 't venster stonden huiverden. Werd het dan nimmer licht? En het was nog wel voorjaar, dan gaat de zon vroeg op, om de vogels te wekken. Toen besloot men om niet te wachten, tot het licht werd. Men zag de nevelen reeds krimpen aan den
donkeren grond, gelijk wolken, die zich vrij maken van den avondhemel. men vond den weg in het duister, en bij den allereersten zonneglans betrad men de weide.
"Het vee zal in de stallen blijven, tot wij weten", sprak een man met gedempte stem. Een ander stond stil, en wees vooruit.
"Zie daarginds!"
"Waar, waar? Daar is niets. Dat is de nacht."
"Geen nacht. waarom staat die gestalte stil?"
"Het is een schaduw. broeder. Hoe denk je, dat het de ossen is? Wanneer het de ossen zijn zou, had hij toch hoeven, en eindigden zijn pooten boven de aarde! Dit kan niet. Hahaha!"
"Lach niet! Het is de ossen. Ik ken zijn hoornen. Zie zijn kop, zie zijn borst, zie zijn lichaam, zie zijn staart. Maar zijn hoeven? Die heeft hij verlooren. Hij is het niet. Het lijken wel twee dieren, inplaats van één. Ze zijn samengegroeid, als twee stammen van één breuk."
"Ik durf niet verder. Het is des duivels."
"Laten we wachten, tot alle nevelen der aarde zijn gerezen naar 't licht van den hemel, en alle nevelen van de hooge lucht zijn gedaald naar 't licht der aarde."
"Als onderwijl de ossen sterft? Zijn we geen mannen?'
Ze kwamen dichterbij, tred voor tred, elkander steun gevende. Soms, als het onweer komen zal, liggen vreemde wolken-vormen aan den hemel, donker en dreigend, gedrochten, zooals men ze ter aarde niet kent. Liggen, want het is windstil. Zulk een monster zagen zij.
Was het de ossen — was het de ossen niet, die vóór de menschen stond? Telkens hadden zij lust te jubelen, dat het de ossen was, doch dan weder twijfelden zij. Ja, zij twijfelden nog, toen ze er een Meter lengte van verwijderd waren. Eerst moest er licht komen.
Ze wachtten geduldig. Toen drong de seconde door den tijd heen, dat ze zien konden. En dit zagen ze, o wonder! Een wolf lag op den grond, de scherpe klauwen in de hoogte, de muil wijd-geopend, om te bijten, zoodra
hij kon. De pooten van den ossen echter rustten zóó zwaar op hem, dat hij zich niet kon verroeren, geketend als hij aan de aarde lag. Beider adem ging zwaar: die van de ossen rustig, van den wolf wild.
De ossen draaide de kop niet, toen hij de menschen hoorde. Ja, het is de vraag, of hij wel wist, dat bevrijding naakte. Kon zijn scherp verstand niet meenen, dat het weder wolven waren, die hem bedreigden? Alles kome,
zooals het komen moet — dacht hij. Hoe kon hij zich verroeren? Zoo hij den kop slecht even wendde, en door zijn angst de kracht zijner spieren minderde, zou het wolfdier opspringen en hem naar de buigzame keel vliegen. Dit was de eenige verdediging van den ossen: dat hij den wolf vastklemde tusschen pooten en grond.
De wolf trachtte, toen de menschen hem naderde, weg te glijden, en daaruit bemerkte zijn vijand, dat de redding nabij was. Gelijk in een val geschroefd, door onwrikbaar, meedoogenloos ijzer, doch stil-lijdend gelijk een dier (dat
begrijpt, wat het noodlot beteekent) dit kan, lag de wolf. Het beteekende niet, dat hij zijn onmachtige muil niet nog verder oopensperde en het wit zijner oogen niet van bloed doorschoten was. Hij wist, dat zijn dreigen krachteloos bleef, en dat men zijn vreeselijk bijten niet behoefde te vreezen.
Hij dreigde nog, tot vlak voor zijn dood, terwijl zijn blik weg-stroomend leven, hield hij zijn kaken geopend, en zijn tanden stonden blank en bloot, ook, toen het bloed hem uit de keel gutste.
De ossen liet hem niet dadelijk los. Hij weifelde blijkbaar, onwetend, of het booze beest gestorven was. Eindelijk geloofde hij het.
De menschen, die om hem heen stonden, wisten, wat er geschied was. Ze durfden het ternauwernood te denken, en niet te spreken. Het volgende was den vorigen dag gebeurd:
De wolven dwaalden om de weide, en staarden met lichtende oogen den avond in. Zou niet een oogenblik de aandacht der hoornen ontbreken? Ze waren gereed, om iedere seconde op te springen. Doch zoodra een hunner
den rand van het woud verliet, om even de weide in te glippen, bemerkte hij de booze oogen van den grootsten ossen, die zijn kop zwaar gebogen hield.
Ware het winter geweest, ze zouden in troep hebben gejaagd. Dan geeft het niets, hoevele wolven sterven, als slechts de sterksten blijven leven. Nu, in het voorjaar, kon men meer voedsel vinden en toch was zoo'n malsch, klein kalfje niet te versmaden.
Hu! een wolf waagde het te naderen, gluipend en sluipend. Onmiddellijk trad hem de machtigste ossen tegemoet.
Hij meende, dat hem zijn kameraad terzijde zou stellen. Wee, dit geschiedde niet, en toch deed de ossen zijn plicht. Hij trad en trapte het wilde dier ter neder, tot het zich naar geen richting meer kon wenden. Thans moest — zoo
dacht hij — de kleinste ossen naderen, en hem met scherpe hoornen helpen. De wolf was weerloos! Ook ditmaal bleef de hulp verre. De schemer kwam, de avond kwam. Hij hoorde den adem der kudde, nu het stiller werd, rondom.
Wat deed de andere ossen? Toen gevoelde het instinct van den grootsten, dat de kleinsten de runderen verzamelde, jong en oud vee, waarvan de lafaard de vorst was geworden, terwijl de strijd zoo geruischloos gevoerd, zoo verbitterd, voortduurde. De kalveren en de koeien zagen niet om; hun nieuwe meester voerde hem over den weg, naar huis! Hoon en misdaad ...
Daarna ging het om eigen leven. De kudde was veilig, doch de ossen begreep, dat de wolf de tanden en de klauwen in hem zou slaan, als hij de pooten weg-trok. In den avond zag hij nog het dier, dat onder hem lag, maar wreed droeg de nacht zijn wijde, zwart sluiers aan, en woei ze steeds meer naar zijn bekrompen gezichtskring, tot hij ten laatste niets meer onderscheidde. Hoe lang duurde het duister? Wat ging er al in zijn ziel om, terwijl hij stond te worstelen met het gladde, lenige beest, dat hij tot roerloosheid bedwong? Ja, waarom streed hij? Moest hij niet weten, dat één behendige zwaai van het ondier hem den dood zou kunnen brengen?
Hij bemerkte het eerder dan oogen 't kunnen zien en opren 't kunnen hooren, dat de morgen des nacht ging verjagen uit de verre schuilhoeken des hemels.
Het was de weide, die begon te geuren, de zachte reuken van madelief, van boerbloem en pinksterbloem werden door den oneindig-verren dag gewekt. Er sidderde geluk door zijn zenuwen en bloed; ook de wolf bemerkte door deze geheime trilling, welk gevaar hem dreigde: het licht! het licht! Vinniger trachtte hij zich te verweren ... Zonder gevolg. Zwaarder dan een blok ijzer (dat immers dood is in het wezen van zijn kracht) drukten de pooten van den ossen.
Wellicht hoorde het roofdier de stemmen der menschen en wist hij toen, dat zijn noodlot, zoo onafwendbaar als de dag, dichterbij schreed. zijn machtigste vijanden, de vrienden van den ossen, verschenen. Hun wapenen waren
vlijmender dan zijn tanden, en hij had het besef, dat zij met één slag konden dooden. Hij loerde, nog een oogwenk, om te vluchten .... het was te laat. De menschen doodden hem. Nadat de ossen bevrijd was, streelde men den trouwen wachter over den kop. Nog was er scheiding tusschen dag en nacht, hoewel 't duister al snel afvloeide — gelijk een geul met water gevuld, na zwaren regenval — en men besloot, om eerst nog met den ossen naar huis te gaan. Hij zou straks de kudde leiden. Men legde de handen aan zijn lijf: geen zenuw trilde. men verwonderde zich over de kracht van zijn ziel en lichaam, en men telde en leefde in gedachten de uren van zijn eenzamen strijd na.
Liefkoozend moest telkens een der mannen schoft of rug van het dier bestrijken: toch loeide hij dan niet van weelde. Hij ging met rechte passen geruidloos baar een doel.
Hij hoorde uit de verte de verwachtende lang-gerekte kreten der koeien: het licht was thans door de reten der staldeuren gedrongen, en het bloed van de dieren was vol vage herinneringen aan de weelde der weide en de bedwelming van het lente-zonnelicht. Een rappe knaap ging de poorten openen, en de runderen stroomde blijde naar buiten, snuivend in de frissche lucht. De kalveren wilden den dag weer beginnen in spel en dans — ze vlogen reeds
vooruit. Allen waren den boozen wolf vergeten. Zoo hun beschermer gedood ware, had er zich geen dezer zorgelooze dieren om bekommerd, ook de andere ossen niet, die zich statig naast de kudde stelde.
Op een oogenblik stonden de twee ossens tegenover elkaar, en ze zagen elkander, als vijand den vijand aan. Wat weten wij, armzalige menschen, van de ziel der dieren? Hun adem sloeg in zwaren damp uit hun neusgaten, en
vermengde zich: ze roken den wederzijdschen reuk, wasemend uit haar en vel, en plots trad de ossen, die den wolf had bedwongen, achteruit, den kop gebogen, en de oogen zoo rood als bloed. De lieden van de twee beesten konden niet meer tusschenbeide treden: sneller dan hun oogen hem konden volgen, had hij zich op zijn verraderlijken vriend gestort en de dolkachtige hoornen spietsen en woelden daarna wentelend in den buik.
De koeien stonden er omheen. De kalveren staakten hun spel niet.
Dik-geronnen bloed en een slier van ingewanden sleepten de hoornen van het moedige, woedende dier uit zijn eersten aanval mede: toen hij eenmaal de geur van het weerzinwekkende bloed rook, kon hij niet tot bedaren komen. Nogmaals stieten de hoornen en als draaiende schroeven dreven ze met geweld in 't vleesch, ze drongen door de edelste plekken.
Eerst toen de laffe ossen ineengezonken was en ternederlaag als een reusachtige, vormloos bonk, grepen de menschen den aanvaller vast. Ze behoefden daaraan geen groote kracht te geven: o, gemakkelijk kon hij thans
worden betoomd!
Hij zonk neer in de knieën en met brekende oogen zag hij nog ten laatste male om zich heen. De kilte legde zich om zijn moedig hart. Hij zuchtte, en ook hij stierf; hij stierf gelijk een moedig vorst uit ouden tijd na den slag,den dood niet vreezend, en omringd door zijn diernaren.

Beschrijving

Os die ter bescherming van het weidende vee dient, weet wolf te bedwingen. Hij doodt de andere os die hem in de steek heeft gelaten, en sterft daarna zelf ook.

Bron

J. Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 280-288

Commentaar

1919

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20