Hoofdtekst
De wielewaal.
De donder rommelde, toen de Man en de Vrouw uit
het paradijs werden verdreven. Voor de poort van
den lusthof Eden stond de cherub met het bare
zwaard, en terwijl de naakte voet van den man stiet tegen
een kei, en hij stilstaande zag naar het bloed, dat over
zijn teenen vloeide, keek de Vrouw nog eenmaal achter zich,
en op dat oogenblik uitte de Man de klacht dezer wereld.
"O! aarde, donker en verlaten, zonder troost zijt gij,
en gebogen is de rug, wanneer men u bewerken moet. Om
uwentwil zal er vijandschap tusschen broederen zijn, en
alle zonde is uit u geboren, daar gij begeerte wekt. Had ik
geweten, toen ik de vrucht at van den boom in den midden
van den hof, dat de akker vervloekt was om mijnentwil, ik
ware nu nog gebleven in Eden, gaande langs de stroomen,
de Pison, de Gihon, de Hiddekel, de Frath, en ziende naar de
hooge boomen, die weerspiegelen in het rimpellooze water."
"Mijn schuld!' klaagde de vrouw, "en daarvoor draag ik de
zonde van volgende geslachten, en vele smarten
zijn me toegezonden, opdat ik door mijn pijn, de pijn van
aller Moeder, nooit vergeten zal, en mijn dochteren zich
mijner herinneren, tot in eeuwigheid. wat klaagt gij over
de aarde, die slechts doornen en distelen draagt. Klaagt
gij niet over mij, die de zonde zelve is?"
"Dubbel wee dan, om de smart voor de Vrouw, om de
pijn voor den Man. Zal er nog een dag zijn, dat een kind
van menschen zeggen zal: "ik ben gelukkig"? Waarom
moest dit geschieden? Daarachter ons — ik durf er niet
naar om te zien — ligt de Eden, de uitgestrekte hof, de
springwel der vreugde, waar wij hebben gedarteld met de
dieren des velds, één in onschuld en toch reeds gescheiden
in wetenschap, Nu zullen we ons het dak boven ons hoofd
moeten bouwen, en ons eten moeten zaaien en maaien."
De vrouw huiverde.
"Ja, dragers der onzekerheid worden we, en daarom zullen
menschen genadeloos worden tegen menschen, arme zwer-
vers, moede van het verleden en koortsig van de toekomst."
Boven op den tak van een boom zat een vogel, die nooit
had kunne zingen, want hij gevoelde geen verdriet en geen
geluk. Zoodra de menschen begonnen te spreken, hief hij zijn
kop, en hij luisterde naar de smart van den Man en van de
Vrouw; zijn ziel werd bewogen.
Hij zag, dat de vrouw en de man verder gingen, en hij
hoorde langen tijd nog hun geween en geklaa. Toen
wendde hij den blik naar de poort van het paradijs, en
hij staarde naar den cherub, die zijn zwaard hield opge-
heven, om de menschem te weren.
Langzamerhand steeg hem een lied van de diepte zijns
bloeds naar zijn keel, en zonder dat hij 't wist, zong hij de
menschensmart en het verlangen naar het paradijs, waaruit
de Man en de Vrouw voor eeuwig verstooten waren.
Het is de wielewaal, en hij kent slechts ééne wijs, hij
kent slechts ééne wijs, en wie ernaar luistert, diesn ziel
wordt vervuld van heimwee.
Zijn veeren zijn van vuur
Zijn veeren zijn van vuur
Hij slaat in 't zonlciht zelve
Een fellen gloed azuur,
Die diep ten hemel dringt,
Die diep ten hemel dringt,
terwijl hij in de wereld
Alleen zijn snikken zingt.
Hij kent maar ééne wijs,
Hij kent maar ééne wijs,
Hij lokt om 't eeuwig lijden
't Verloren paradijs.
Zijn veeren zijn van vuur,
Zijn veeren zijn van vuur,
Hij lsaat in 't zonlicht zelve
Een fellen gloed azuur.
De donder rommelde, toen de Man en de Vrouw uit
het paradijs werden verdreven. Voor de poort van
den lusthof Eden stond de cherub met het bare
zwaard, en terwijl de naakte voet van den man stiet tegen
een kei, en hij stilstaande zag naar het bloed, dat over
zijn teenen vloeide, keek de Vrouw nog eenmaal achter zich,
en op dat oogenblik uitte de Man de klacht dezer wereld.
"O! aarde, donker en verlaten, zonder troost zijt gij,
en gebogen is de rug, wanneer men u bewerken moet. Om
uwentwil zal er vijandschap tusschen broederen zijn, en
alle zonde is uit u geboren, daar gij begeerte wekt. Had ik
geweten, toen ik de vrucht at van den boom in den midden
van den hof, dat de akker vervloekt was om mijnentwil, ik
ware nu nog gebleven in Eden, gaande langs de stroomen,
de Pison, de Gihon, de Hiddekel, de Frath, en ziende naar de
hooge boomen, die weerspiegelen in het rimpellooze water."
"Mijn schuld!' klaagde de vrouw, "en daarvoor draag ik de
zonde van volgende geslachten, en vele smarten
zijn me toegezonden, opdat ik door mijn pijn, de pijn van
aller Moeder, nooit vergeten zal, en mijn dochteren zich
mijner herinneren, tot in eeuwigheid. wat klaagt gij over
de aarde, die slechts doornen en distelen draagt. Klaagt
gij niet over mij, die de zonde zelve is?"
"Dubbel wee dan, om de smart voor de Vrouw, om de
pijn voor den Man. Zal er nog een dag zijn, dat een kind
van menschen zeggen zal: "ik ben gelukkig"? Waarom
moest dit geschieden? Daarachter ons — ik durf er niet
naar om te zien — ligt de Eden, de uitgestrekte hof, de
springwel der vreugde, waar wij hebben gedarteld met de
dieren des velds, één in onschuld en toch reeds gescheiden
in wetenschap, Nu zullen we ons het dak boven ons hoofd
moeten bouwen, en ons eten moeten zaaien en maaien."
De vrouw huiverde.
"Ja, dragers der onzekerheid worden we, en daarom zullen
menschen genadeloos worden tegen menschen, arme zwer-
vers, moede van het verleden en koortsig van de toekomst."
Boven op den tak van een boom zat een vogel, die nooit
had kunne zingen, want hij gevoelde geen verdriet en geen
geluk. Zoodra de menschen begonnen te spreken, hief hij zijn
kop, en hij luisterde naar de smart van den Man en van de
Vrouw; zijn ziel werd bewogen.
Hij zag, dat de vrouw en de man verder gingen, en hij
hoorde langen tijd nog hun geween en geklaa. Toen
wendde hij den blik naar de poort van het paradijs, en
hij staarde naar den cherub, die zijn zwaard hield opge-
heven, om de menschem te weren.
Langzamerhand steeg hem een lied van de diepte zijns
bloeds naar zijn keel, en zonder dat hij 't wist, zong hij de
menschensmart en het verlangen naar het paradijs, waaruit
de Man en de Vrouw voor eeuwig verstooten waren.
Het is de wielewaal, en hij kent slechts ééne wijs, hij
kent slechts ééne wijs, en wie ernaar luistert, diesn ziel
wordt vervuld van heimwee.
Zijn veeren zijn van vuur
Zijn veeren zijn van vuur
Hij slaat in 't zonlciht zelve
Een fellen gloed azuur,
Die diep ten hemel dringt,
Die diep ten hemel dringt,
terwijl hij in de wereld
Alleen zijn snikken zingt.
Hij kent maar ééne wijs,
Hij kent maar ééne wijs,
Hij lokt om 't eeuwig lijden
't Verloren paradijs.
Zijn veeren zijn van vuur,
Zijn veeren zijn van vuur,
Hij lsaat in 't zonlicht zelve
Een fellen gloed azuur.
Beschrijving
De wielewaal die nooit had kunnen zingen omdat hij geen geluk en verdriet voelde, begint te zingen als hij de smart van Adam en Eva voelt als zij uit het paradijs worden verdreven.
Bron
J. Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 298-299
Commentaar
1919
Naam Overig in Tekst
Pison   
Gihon   
Frath   
Vrouw   
Naam Locatie in Tekst
Eden   
Hiddekel   
Man   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
