Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN72 - Abel Stok's moeielijk werk.

Een sage (boek), 1919

cohen25.jpg

Hoofdtekst

Abel Stok's moeielijk werk.
In de provincie Groningen hadden alle plaatsen, slooten, vijvers, bruggen een naam, behalve twee dorpen en een enkele til. Alle professoren van de universiteit, alle advocaten, die anders den duivel te slim af zijn, alle boeren van het Hoogeland, die het in verstand weer winnen van de professoren en advocaten, peinsden zich het vel hunner voorhoofden te barsten, om de ontbrekende namen te vinden, tot ten slotte eeen Delfzijler zeide:
"Laten we een bestuur kiezen, dat deze zaak onderzoekt." Omdat een Delfzijler het had voorgesteld, waren de Appingdammers er natuurlijk tegen, doch met een meerderheid van stemmen is niet te vechten en de Appingedammer verloor den slag. Het bestuur vergaderde voortaan in een bepaalde herberg, en het dronk Groningsch kluinbier. Tot een besluit echter kwam het niet. Allerlei namen werden voorgesteld, geen enkele werd er echter aangenomen.
Op een zomerdag, dat men weer aldus in de gelagkamer zat, kwam er onaangediend een vreemdeling binnen, eeen ellerzondelings sinjeur, lang van stuk, mager van been, lijf, arm en hoofd, groot van neus en mond en oor, en met een knevel, die in de punten gedraaid naar beneden hing. Hij nam plaats midden tusschen de wijze heeren, die even hun wenkbrouwen optrokken. Maar toen de vreemdeling zoet zei: "ik merk, dat de heeren een moeielijk raadsel niet kunnen oplossen", keken ze hem verwonded aan, als een troep geleerd lieden een haveloos dichter. Ze bromden eens, ze schraapten eens al 't nat uit hun kelen, ze krabden eens achter hun ooren, zeiden: "ja,ja ,..." en "zoo, zoo ..." tot de voorzitter in kloek besluit zijn stoel dichterbij den vreemdeling schoof en hem vroeg: "met uw welnemen, weet u, wat we zoeken!"
"Zeker, zeker!'
"En hoe is uw naam, als ik vragen mag?"
"Abel Stok!"
Toen stieten de menschen elkander eens in de zijden. "Abel... Abel ..... een goede naam! Laten we het eens met hem probeeren. Baat het niet, schaadt ook niet!"
"Wel, mijnheer Abel Stok, wat stelt ge ons voor?" vroeg de voorzitter beleefd.
"Mijnheer de voorzitter! Vergadering!" zeide Abel Stok, "ik stel voor, dat we een wedstrijd houden in polstokspringen. Wie het verst springt, mag de naam bedenken van de twee dorpen en de brug.
"Het is geen brug, het is een til!" zeide de voorzitter, en hij had gelijk. Want een brug is een brug, doch een vaste brug is een til, zooals een schuit een schuit is, doch een trekschuit een snik. Allen knikte goedkeurend. Men moet in dergelijke gevallen beginnen, om de dingen bij hun naam te noemen.
"Goed!" hernam Abel Stok glimlachend, "een til! Hebben de heeren nog andere bezwaren?" Bezwaren? Men vond het voorstel integendeel zeer verstandig! Men besloot, om een wedstrijd in het polstokspringen uit te schrijven, dichtbij een der plaatsen, die nog geen naam had. Menig Groninger sprong mee: je zag springen geleerde, dikke dokters, met een bril op den neus, magere onderwijzers, die anders 't a.b. moesten onderwijzen. Zonder onderscheid des godsdiensts sprong een Katholiek, Israëliet, Nederduitsch Hervormd, Lutheraan, Waal, Gereformeerd A en B, Baptist en Jansenist. Zonder onderscheid van rang geleerden met en zonder doctorstitel naast een putjesschepper. Menigeen, niet gewoon, om te springen, werd langs den stok in het water geplonst. De enkele, die den oever bereikte, werd door handgeklap beloond. Nog nooit is er in ons vaderland slechts om de eer met zooveel liefde gesprongen. Ten laatste kwam Abel aan de beurt. Hij zette den stok in het water, en daar veerde hij de lucht in, zóó hoog, dat hij boven de wolken geraakte en men hem niet meer kon zien. Waar was Abel Stok gebleven? Ongetwijfeld verdiende hij den prijs, doch velen mompelden hun buurlui in de ooren: "Nooit zien we dat 'mensche weer'!" En buurman antwoordde buurman: "je hebt gelijk, nooit zien we dat 'mensche weer'. "Na een kwartier ongeveer kwam Abel op den grond terecht. Hij rende naar de plaats, waar de bewonderaars hem wachtten, en verblijd riep men: "ja, ja, daar is het 'mensche weer'". De voorzitter liep op Abel toe, ging op zijn teenen staan, en klopte hem op den schouder.
"Wel, vriend Stok, heb je al een naam voor ons?!"
"Een naam heb ik zelf al gehoord", zei glimlachend en bescheiden de luchtspringer, "Menseweer".
"Ja, ja", riepen talloozen geestdriftig, "Mensingeweer".
"Ge weet", hernam de voorzitter na een ontroerd zwijgen, "dat ge nu nog twee namen moogt bedenken, één voor het andere dorp en één voor de til".
"'t Zal aan mij niet mankeeren!" Met deze woorden begaf Abel zich op weg. Al spoedig bereikte hij de tweede naamlooze plaats, welker bewoners treurig te saam stonden, ja, huiverend als boomen in den herfst.
"Waarover hebben jullie zoo'n verdriet?" Men antwoordde hem niet dadelijk, doch eindelijk vermande zich een vrouw, en zei met doffe stem: "Vreemdeling, wie ge ook zijt, hoor dan onze jammerklacht. We zijn een dorp zonder naam!" "O, is 't anders niet. Wacht dan maar een oogenblik, dan zal ik een naam voor je bedenken!" Nauwelijks had hij dit gezegd, of de bakker stiet op 'den hoorn', om te verkondigen, dat hij versche, Duitsche bollen uit den oven had geschoven. Abel Stok sprong de lucht in.
"Burgers!" zeide hij, zoodra hij op den grond terecht kwam, "voortaan heeft ook uw dorp een naam. 'Den Hoorn' zal het heeten". Nog nooit heeft men er zoo smakelijk brood gegeten als dien dag. Ook Abel Stok stilde zijn honger en daarna nam hij afscheid. De schoolkinderen zongen hem toe en nog eens speelde de bakker te zijner eer 'den hoorn'. Eenzaam trad vervolgens de springer voor de til, welke nog geen naam voerde. Hij tuurde in het water en schudde zijn hoofd. Dat was moeielijker. Hij kon de brug in zijn begrip onmogelijk scheiden van de overigen bruggen, die hij had gezien. Dezelfde golfjes spoedden zich en klotsten tegen denzelfden oever, dezelfde koeien als overal graasden in dezelfden oever, dezelfden koeien als overal graasden in dezelfden weide erom heen. Reeds wilde hij het zoeken aan een ander overlaten toen hem een gedachte, rrèng in 't hoofd schoot, scherp en zeker. "Waarom?" zoo peinsde hij, "zal ik deze vaste brug niet naar mezelf noemen? ik ben immers een beroemd man geworden?"
Zoo ge in de provincie Groningen komt, moet ge toch ook even wandelen naar de 'Abelstokstertil'. Het is rechtvaardig, als ge het doet. De Groninger gaat in Amsterdam ook naar het Rembrandtplein en naar het Vondelpark.We moeten iets voor onze groote mannen over hebben!
En Abel Stok is des Groningers roem.

Onderwerp

TM 2601 - Hoe het dorp (de stad, heuvel, straat, een plek of het stuk land) aan z'n naam is gekomen    TM 2601 - Hoe het dorp (de stad, heuvel, straat, een plek of het stuk land) aan z'n naam is gekomen   

Beschrijving

Abel Stok bedenkt namen voor naamloze plaatsen in Groningen, en een brug wordt naar hem genoemd.

Bron

J. Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.336-339

Commentaar

1919
Hoe het dorp (de stad, heuvel, het stuk land) aan z'n naam is gekomen

Naam Overig in Tekst

Delfzijler    Delfzijler   

Katholiek    Katholiek   

Israëliet    Israëliet   

Nederduits Hervormd    Nederduits Hervormd   

Lutheraan    Lutheraan   

Gereformeerd    Gereformeerd   

Baptist    Baptist   

Jansenist    Jansenist   

Abel Stok    Abel Stok   

Hoogeland    Hoogeland   

Appingedammer    Appingedammer   

Gronings    Gronings   

Menseweer    Menseweer   

Abelstokstertil    Abelstokstertil   

Groninger    Groninger   

Duitsche    Duitsche   

Duitse    Duitse   

Naam Locatie in Tekst

Groningen    Groningen   

Waal    Waal   

Rembrandsplein    Rembrandsplein   

Vondelpark    Vondelpark   

Amsterdam    Amsterdam   

Mensingeweer    Mensingeweer   

Den Hoorn    Den Hoorn   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20