Hoofdtekst
WIE ZICH DOM HOUDT, IS VRIJ VAN POMPEN.
Men voer met mooi weer uit. Lucht en zee waren gelijk blauw, en bet zonlicht stoofde bet dek zóó, dat Hans Hannekemaaier, die dichtbij de mast stond, zich schurkte van genot. Ja, alles leek hem dien dag liefelijk en vriendelijk toe. De schipper grauwde niet, de knechten sloegen hem vriendschappelij kop den schouder. De kinderen aan boord kwamen naar den vreemden drommel kijken, die zelfs op zee zijn zeis niet had afgelegd.
" 'n Sjeune mieddag" , mompelde Hans zoo voorzich heen. Maar eenklaps hield de glimlach op. De schipper riep zijn mannen en wees hen naar den horizon. Nog schitterde het licht over de blauwe golven; de zeevogelen vingen de warmte op hun vleugelen. De zee (er was geen kust te zien) was nog vol glans aan den horizon, doch enkele zeilen, die men in de verte aanschouwde, verdwenen plots.
Als een naderende schaduw was het gevaar. De blauwe zee werd omringd door een donkere streep. Terwijl allen zich om den schipper schaarden, en hem angstig vroegen, wat hij duchtte, bleef Hans den glimlach der zorgeloosheid om den mond houden. Een meeuw krijschte. lets boven den horizon dreef een groote, blanke Vogel... zoo' krijtwit tegen de donkere lucht, de donkere lucht. Er ging een deining door de zee! "Iek ka naar bed", zei Hans Hannekemaaier plotseling. Hij wuifde bet gezelschap allerbeminnelijkst toe, en daalde bet trapje af tot aan de kajuit. Snel ontkleedde hi] zich, de zeis wierp hij kletterend tegen den grond, en in een oogenblikje tijd snurkte hij alleen zoo als een regiment dragonders in koor.
Onderwijl dreef de storm aan, zeker en onzichtbaar als bet noodlot. De duisternis daalde gelijk een langzaamzakkend scherm. Daar moest de felle wind bij wezen. In een oogwenk kwam hij van duizenden meters afstands gevlogen, en hij scheen zichzelven aan te zweepen in den ren, de golven mede¬sleepend, die zich laag bukten, om te hooger op te slaan. De storm rolde voort tot aan, voorbij bet schip, en daarna moest het medewentelen naar den wil van het bewogen water. De vrouwen en kinderen, de vrouwen en kinderen kropen angstig saam. Als fel gedreven hameren, geleid door smids armen, sloegen de golven tegen 't schip. Ze beukten zonder op¬houden, en ze dreven een bres in het hout. Het water drong het lek maar al te gretig binnen! Toen riep de schipper luide:
"Pompen, mannen! 't is heteenigste,watons redden kan.." Men hield zich boven zee, zij bet met moeite. Doch langzamerhand begon men moede te worden. Het water rees in bet ruim, duim voor duim. Eindelijk bedacht een derknechten, dat daar beneden in de kajuit eenkerelaan bet slapen was, het harde werk wel gewoon. Hij rende naar beneden. Een der passagiers, een grijsaard, nam zijn plaats in.
De nood was hoog gestegen! Reeds stonden de vrouwen gereed, om te helpen.
Hoe gerust sliep Hans Hannekemaaier, al wiegelde hij in zijn kooi heen en weer. Luid drong door 't stormgebulder zijn snorken met neus en keel. De varensgast schudde hem flink.
"Hans!" schreeuwde hij uit alle macht, "daar is storm." "G g g g g bg bg bg bg n n n n g g g brg brg brg", snurkte Hans.
"Hans! we vergaan, als er niet gepompt wordt."
"G g pg pg pg rg rg rg og og og gggggg."
"Hans! Hans! Hans! word wakker."
"G zj zj zj hè! wat ies daar?"
"Hans! daar is een vreeselijke storm. Hoor dan toch!" "Wat kan midie sjtorm sjelen?! Laat mi slapen, astoeblief!" "Hans, als je ons niet helpt, zijn we verlo o o o ren!" ,Iek heb niet voor dat pompen betzaald."
"Begrijp dan toch ... de schipper zegt ... dat we nooit in Amsterdam zullen aankomen!" "Als wi niet in die sjeunë sjtad, hen Amsterdam, ankomen, zek dan dien sjiepper, dat iek hem de vracht niet betzalen zal.
Iek heb main plaats kenomen van die Lemmer naar Amsterdam. Kommen wie niet in Amsterdam, dan kan die sjiepper naar zain keld flu u u uten, ook als die anderen wel betzalen."
"Maar als we niet in Amsterdam aankomen, liggen we op den bodem van de zee."
"Kan mi ook niet sjelen. Jek heb aitsaid keleert, om te blaiven, waar die sjiepper ies."
"Man! man! begrijpje dan niet, dat we je noodig hebben?" ,,Een Hannekemaaier ies op dat land noodig, niet op die zee. Hier ies nieks te maaien!"
Meteen keerde zich Hans weder van hem af, en de troost¬rijke gedachte, dat hij niet behoefde te betalen, wanneer hij verdronk, wiegde hem inslaap.De ander kon vloeken en schelden en schudden, de neus en keel van den veling begonnen weder hun duo van bas en dieper bas, zonder onderbreking. Wat kon de knecht beginnen? Hij stormde de trap weder op, om bij het pompen te helpen! Zelfs de kinderen stonden thans de groote mannen bij. De aflossing zóó groot was aller vermoeidheid werd steeds korter, maar wonder boven wonder, het schip hield men drijvende, en in den morgen, terwiji de storm luwde, dichtte men het lek zoowat.
Op dat oogenblik, frisch en vroolijk, kwam Hans Hannekemaaier naar boven, de zeis op den rug. In de verte lag die schoone Amstelstad, een donkere huizenmassa, waarboven de tientallen torens uitstaken. Niemand aan dek lette er buiten Hans op. De geheele bemanning, alle passagiers hijgden van vermoeidheid. Hans trad op den schipper toe, en zeide: "Noe bien lek in Amsterdam ankekomen, en moet iek de vracht betzalen. lek heb heerlijk keslapen, sjiepper, ik zal oew sjiep bai maine landsleut aanbevelen."
Op den wal stond een man klaar, die met een touw het vaartuig vastlegde. De eerste, die op straat sprong, gezond, krachtig, was Hans, en hij wuifde allen vroolijk toe, gelijk een man, die voelt, dat hij zijn uiterste plicht heeft gedaan, en die over zijn eigen werk zich hoogelijk tevreden gevoelt.
Men voer met mooi weer uit. Lucht en zee waren gelijk blauw, en bet zonlicht stoofde bet dek zóó, dat Hans Hannekemaaier, die dichtbij de mast stond, zich schurkte van genot. Ja, alles leek hem dien dag liefelijk en vriendelijk toe. De schipper grauwde niet, de knechten sloegen hem vriendschappelij kop den schouder. De kinderen aan boord kwamen naar den vreemden drommel kijken, die zelfs op zee zijn zeis niet had afgelegd.
" 'n Sjeune mieddag" , mompelde Hans zoo voorzich heen. Maar eenklaps hield de glimlach op. De schipper riep zijn mannen en wees hen naar den horizon. Nog schitterde het licht over de blauwe golven; de zeevogelen vingen de warmte op hun vleugelen. De zee (er was geen kust te zien) was nog vol glans aan den horizon, doch enkele zeilen, die men in de verte aanschouwde, verdwenen plots.
Als een naderende schaduw was het gevaar. De blauwe zee werd omringd door een donkere streep. Terwijl allen zich om den schipper schaarden, en hem angstig vroegen, wat hij duchtte, bleef Hans den glimlach der zorgeloosheid om den mond houden. Een meeuw krijschte. lets boven den horizon dreef een groote, blanke Vogel... zoo' krijtwit tegen de donkere lucht, de donkere lucht. Er ging een deining door de zee! "Iek ka naar bed", zei Hans Hannekemaaier plotseling. Hij wuifde bet gezelschap allerbeminnelijkst toe, en daalde bet trapje af tot aan de kajuit. Snel ontkleedde hi] zich, de zeis wierp hij kletterend tegen den grond, en in een oogenblikje tijd snurkte hij alleen zoo als een regiment dragonders in koor.
Onderwijl dreef de storm aan, zeker en onzichtbaar als bet noodlot. De duisternis daalde gelijk een langzaamzakkend scherm. Daar moest de felle wind bij wezen. In een oogwenk kwam hij van duizenden meters afstands gevlogen, en hij scheen zichzelven aan te zweepen in den ren, de golven mede¬sleepend, die zich laag bukten, om te hooger op te slaan. De storm rolde voort tot aan, voorbij bet schip, en daarna moest het medewentelen naar den wil van het bewogen water. De vrouwen en kinderen, de vrouwen en kinderen kropen angstig saam. Als fel gedreven hameren, geleid door smids armen, sloegen de golven tegen 't schip. Ze beukten zonder op¬houden, en ze dreven een bres in het hout. Het water drong het lek maar al te gretig binnen! Toen riep de schipper luide:
"Pompen, mannen! 't is heteenigste,watons redden kan.." Men hield zich boven zee, zij bet met moeite. Doch langzamerhand begon men moede te worden. Het water rees in bet ruim, duim voor duim. Eindelijk bedacht een derknechten, dat daar beneden in de kajuit eenkerelaan bet slapen was, het harde werk wel gewoon. Hij rende naar beneden. Een der passagiers, een grijsaard, nam zijn plaats in.
De nood was hoog gestegen! Reeds stonden de vrouwen gereed, om te helpen.
Hoe gerust sliep Hans Hannekemaaier, al wiegelde hij in zijn kooi heen en weer. Luid drong door 't stormgebulder zijn snorken met neus en keel. De varensgast schudde hem flink.
"Hans!" schreeuwde hij uit alle macht, "daar is storm." "G g g g g bg bg bg bg n n n n g g g brg brg brg", snurkte Hans.
"Hans! we vergaan, als er niet gepompt wordt."
"G g pg pg pg rg rg rg og og og gggggg."
"Hans! Hans! Hans! word wakker."
"G zj zj zj hè! wat ies daar?"
"Hans! daar is een vreeselijke storm. Hoor dan toch!" "Wat kan midie sjtorm sjelen?! Laat mi slapen, astoeblief!" "Hans, als je ons niet helpt, zijn we verlo o o o ren!" ,Iek heb niet voor dat pompen betzaald."
"Begrijp dan toch ... de schipper zegt ... dat we nooit in Amsterdam zullen aankomen!" "Als wi niet in die sjeunë sjtad, hen Amsterdam, ankomen, zek dan dien sjiepper, dat iek hem de vracht niet betzalen zal.
Iek heb main plaats kenomen van die Lemmer naar Amsterdam. Kommen wie niet in Amsterdam, dan kan die sjiepper naar zain keld flu u u uten, ook als die anderen wel betzalen."
"Maar als we niet in Amsterdam aankomen, liggen we op den bodem van de zee."
"Kan mi ook niet sjelen. Jek heb aitsaid keleert, om te blaiven, waar die sjiepper ies."
"Man! man! begrijpje dan niet, dat we je noodig hebben?" ,,Een Hannekemaaier ies op dat land noodig, niet op die zee. Hier ies nieks te maaien!"
Meteen keerde zich Hans weder van hem af, en de troost¬rijke gedachte, dat hij niet behoefde te betalen, wanneer hij verdronk, wiegde hem inslaap.De ander kon vloeken en schelden en schudden, de neus en keel van den veling begonnen weder hun duo van bas en dieper bas, zonder onderbreking. Wat kon de knecht beginnen? Hij stormde de trap weder op, om bij het pompen te helpen! Zelfs de kinderen stonden thans de groote mannen bij. De aflossing zóó groot was aller vermoeidheid werd steeds korter, maar wonder boven wonder, het schip hield men drijvende, en in den morgen, terwiji de storm luwde, dichtte men het lek zoowat.
Op dat oogenblik, frisch en vroolijk, kwam Hans Hannekemaaier naar boven, de zeis op den rug. In de verte lag die schoone Amstelstad, een donkere huizenmassa, waarboven de tientallen torens uitstaken. Niemand aan dek lette er buiten Hans op. De geheele bemanning, alle passagiers hijgden van vermoeidheid. Hans trad op den schipper toe, en zeide: "Noe bien lek in Amsterdam ankekomen, en moet iek de vracht betzalen. lek heb heerlijk keslapen, sjiepper, ik zal oew sjiep bai maine landsleut aanbevelen."
Op den wal stond een man klaar, die met een touw het vaartuig vastlegde. De eerste, die op straat sprong, gezond, krachtig, was Hans, en hij wuifde allen vroolijk toe, gelijk een man, die voelt, dat hij zijn uiterste plicht heeft gedaan, en die over zijn eigen werk zich hoogelijk tevreden gevoelt.
Beschrijving
Hans Hannekemaaier vaart met een boot naar Amsterdam. Onderweg breekt er een storm uit. Hans besluit te gaan slapen. Het schip dreigt vervolgens te zinken, iedereen helpt met het wegpompen van het water om het schip drijvende te houden. Een knecht probeert hans ook mee te laten helpen, maar Hans weigert. Uiteindelijk komt het schip veilig aan in Amsterdam. daar wuift hij de passagiers en de bemanning toe alsof hij zijn uiterste plicht heeft gedaan.
Bron
J. Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.390
Commentaar
1919
Naam Overig in Tekst
Hans   
Hannekemaaier   
Amstelstad   
Naam Locatie in Tekst
Amsterdam   
Lemmer   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
