Hoofdtekst
Her was een paer volcx, die welke een scoone dochter hadden, die in alder onnoeselheit opwies. Dese maghet hadde enen hultenen Ihseus, daer si altoes mede plach te spelene, ende si droechen oec altoes met haer, als si slapen ginc, ende leyden in haer bedde, ende hielten altoes voer haer lief, ende was altoes wel te vreden met hem. Ende si plach hem oeck haren moet te claghen, als haer yet beieghende. Dese maghet, als si dus op wies in deser onnoeselheyt, ende si comen was tot haren hubarighen iaren, soe leyden haer ouders van huwelijc te voren. Mer si en achter niet veel op; si hielt haer aen haren Ihesus, ende claechdet hem. Als dit een stucke tijts leden was, soe begherden die ouders weder van haer, dat si name enen man, die si haer gheven wouden. Als dese maghet sach dat si ummer houwen moeste, soe ghinc si tot haren Ihesus, ende seyde hem: ,,Siet, mijn vader ende mijn moeder wilt mij houwen. Wat raedi mij: weder ic hen volghen wille, oft dat ic met u wil gaen. Eest dat ghijt mij raedt, soe hebbic liever met u uten lande te gane, dan enen man te nemene". Mer wat si hem toesprac, hij en antwoorde haer niet. Ten lesten seyde si: ,,Ic meyne wel, dat u wille is dat ic met u gaen; want mij dunckes aen uwen mont, ghij grijst alsoe". Aldus nam si haren Ihseus in haren erm, ende anders niet, ende streeck alsoe met hem uten lande, ende doolde seven jaer. Ende doen quam sij, alsoet God woude, in een herberghe, ende daer bat si om Gode datmen haer dien nacht woude laten rusten erghers op een zedele. Niet gherne en dedens die liede, mer mids veel beden die si dede, soe herberchden sise. Si liet haer alles ghenueghen, ende ghinc met haren Ihesus slapen. Ende corts daer nae soe quamen daer vele lichter wiven, want het was hen herberghe. Ende sy vertrocken deen dander, wat ghiften si van haren mynnaren binnen dien daeghe ontfaen hadden. Als dese maghet dit hoorde, seyde si tot haren Ihesus: ,,Ic hebbe seven iaren met u ghewandelt, ende hebbe vader ende moeder ende alle mijn vrienden, ende oec goet ende ere om u ghelaten, ende ghij en cleedet mij noeyt, noch en gaeft mij oec noeyt iuweel, alsoe ic hoore dat dese ioffrouwen van haren minnaren ontfaen hebben. Ic beghere oeck van u een iuwel te hebben voer al minen erbeyt, want ic hebbe u soe langhe ende soe vele ghedraghen". Met desen woorden ende veel dier ghelike werd si int leste slapende. Ende doent dach worden was, ende si opstaen soude, soe hadse haer liefghecleet vanden hoefde toten voeten metter lazariën. Als si dat sach, soe en wist si werwert henen, want si was yamerlijc begaet. Mer doen si haer bedachte, soe nam si haren Ihesus, ende ghinc uter herberghen, ende al dolende soe geraecte si weder thuys. Ende si badt barer moeder, dat si haer herberghe woude verleenen, om der gheender wille, die si verloren hadde. Aldus soe herberchde die moeder haer dochter sonder haren wetene. Ende si leydse in een camere, ende verwarese herde wel. Ende ten lesten, als si harer doot begonste te nakene, soe bad si datmen den priester tot haer comen dade. Ende doen die priester tot haer comen was, soe biechte si al dat si ghedaen hadde, ende si seyde hem oec al haer gheschienisse, ende hoe si die dochter was van den huys. Mer si bad hem vriendeijc, dat hijs nyernan en seyde voer dat si doot ware, ende hij gheloovet haer, ende hielt haer. Maer doen si doot was ende begraven was, soe vraeghde hij der vrouwen, oft si niet en wiste wie si in haer huys soe langhe ghehouden hadde, ende soe graceliken wtvaert hadde doen doen. Ende si antwoorde: ,Het was een goet siec erm wijfken, mer wie si was, en weetic niet". Doen seyde haer die priester: ,Het was u dochter. Ende si had mi soe diere verboden, dat icx u niet segghen en mochte die wijle si leefde". Doen die vrouwe dat hoorde, was si drueve, dat sijs niet gheweten en hadde. Mer si verblijde haer oec in dien, dat si salichlijc ghestorven was. God wit ons allen verleenen hem soe te volghene, dat wij met hem moeten leven inden hemel. Amen.
Beschrijving
Een jonge maagd groeit op in onschuld. Ze heeft alleen een houten Jezusbeeld, van wie ze houdt als van een minnaar. Als haar ouders op een dag een huwelijk voor haar bemiddelen, vlucht zij, met het beeld. Ze doolt zeven jaar. Wanneer zij overnacht in een herberg, ziet zij dat andere meisjes geschenken krijgen van haar minnaars. Ze vraagt Jezus ook voor haar kleren en juwelen te brengen. De volgende dag is zij van top tot teen melaats.
Ze gaat terug naar huis en laat haar ouders haar onderdak verlenen, zonder dat zij weten dat zij hun dochter is. Het zieke meisje biecht haar levensverhaal op tegen een priester. Ook vertelt zij dat zij de dochter van het huis is. Pas nadat het meisje overlijdt, vertelt de priester dit aan de ouders. Haar moeder is verdrietig, maar ook gelukkig dat haar kind zalig is gestorven.
Ze gaat terug naar huis en laat haar ouders haar onderdak verlenen, zonder dat zij weten dat zij hun dochter is. Het zieke meisje biecht haar levensverhaal op tegen een priester. Ook vertelt zij dat zij de dochter van het huis is. Pas nadat het meisje overlijdt, vertelt de priester dit aan de ouders. Haar moeder is verdrietig, maar ook gelukkig dat haar kind zalig is gestorven.
Bron
De Vooys, C.G.N., Middelnederlandse stichtelijke exempelen, Zwolle, 1953 pagina 88-90
Commentaar
Brussel (herkomst handschrift)
Naam Overig in Tekst
Jezus   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
