Hoofdtekst
Seker edelman [die] wel te hoof en noch beter gegoet was, raeckte in questie met een hovelingh, die al sijn goet verbruyt hadde, welcke hem oock des anderendaegs een cartel thuys sond. Yemant bij geval bij dien heer zijnde, doe hij dit briefje kreeg, en siende hem laghen: R. 'Hoe mijnheer, meent gij geen satisfactie aen dien heer te doen?' R. 'Gij doolt, mijnheer, t'is geen kartel, maer een request, want nu hij al sijn goet verbruyt heeft ende sijn leven moe is, versoeckt hij mij dat ik hem sal komen dootsteken, en omdat ik hem die eer niet en gunne, dunckt het mij geraeden thuys te blijven.'
Beschrijving
Een man heeft zijn geld erdoor gejaagd en is levensmoe. Hij daagt een hoveling uit, maar deze weigert hem te komen doodsteken.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
derde kwart 17e eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20