Hoofdtekst
Erbert, de heer van Belfeld, nam voor zijn slot afscheid van zijn jonge vrouw, de schoone Ida van Lominel, toen er een man in pelgrimsdracht naar hem toetrad. De pelgrim had het gelaat verborgen achter een zwarten sluier met alleen openingen daarin voor de oogen. Hij boog diep voor Erbert en vroeg gastvrijheid. Wijl de streek echter werd geteisterd door de Noormannen, wilde Erbert eerst het gelaat van den pelgrim zien.
Deze zwoer, dat een gelofte hem bond, zijn aangezicht bedekt te houden tot hij het Heilig Land zou hebben bereikt. Toen Erbert hoorde, dat de pelgrim naar Jeruzalem ging, wantrouwde hij hem niet meer, liet hem onderdak geven en ging met zijn volk op jacht. De jonge vrouw trok zich terug in haar bidvertrek. Zij was ongerust, alsof eenig gevaar haar naderde. Zij keek uit; buiten was alles kalm en rustig.
Opeens hoorde zij eenig gerucht achter zich. Zij keek om en nu stond, tot haar ontzetting, de zwartgesluierde pelgrim voor haar. Dadelijk riep zij om hulp; maar de weinigen, die niet mede ter jacht waren, konden haar niet hooren. Zij was dus zonder bijstand. "Ik heb gezworen mij te wreken en tot nu toe heb ik mijn eeden altijd gehouden", begon de vermomde pelgrim en rukte den sluier weg, die zijn gelaat bedekte.
Nu zag Ida een verwilderd gelaat, geschonden door een wonde, van den rechterslaap tot voorbij het linkeroog in den ruigen, zwarten baard. "Hermold, de Noorman", zeide de verschrikte Ida, zich herinnerend wat Erbert haar van zijn strijd met den Noorman had verteld. Zij herkende den woesteling nu aan die bijlwonden. Hij had Erbert om lijfsbehoud gesmeekt en Erbert had hem dit gelaten. Toen had de Noorman een verraderlijken aanval op Erbert gedaan. Deze had den slag opgevangen en hem naar Hermold gekeerd, die zich nu in zijn eigen wapen verwondde. Dat was te vernederend geweest.
"Ik ben Hermold! Erbert heeft het u verteld!" Op dit oogenblik word ik gewroken. Erbert is in een hinderlaag gevallen, hij bevindt zich nu zeker in de macht van mijn krijgers, die zich in de bosschen van Waldniel schuil houden. Mijn slaaf wordt hij! Maar dit is mij niet genoeg. Nu ik u gezien heb, zoo jong en schoon, is de begeerte mij meester geworden en eischt zij haar voldoening. Ik moet u hebben, om u, op de drinkgelagen bij de deernen van onzen tros, in mjn armen te sluiten en zoo mijn vijand te kwellen, alle dagen van zijn leven!" Toen Ida dit hoorde, viel zij Hermold te voet en bood haar leven voor haar eer.
"Uw dood is mij niets waard; te moeten leven voor mij en Erbert dat alle dagen te laten aanzien, dat is de wraak van Hermold!"
De Noorman bukte zich reeds om de jonge vrouw machteloos te maken. Ida vloog op, sprong terug en bad God haar van de woede van den Noorman te verlossen, toen een gedruisch van stappen zich liet hooren. Het was de heer van Belfeld met zijn krijgers.
Hij was de hinderlaag ontsnapt en, bevreesd voor het lot van zijn vrouw, in vollen galop naar het slot teruggekeerd. De Noorman, die wel wist, dat hij geen genade meer mocht verwachten, sprong naar het geopende venster en wierp zich in de Maas. Al zijn Erbert en Ida lang vergeten en is er van hun slot geen ruïne meer over, de hoogte, waar hun kasteel eens stond en waar de Noorman zijn snellen sprong deed, heet nog de "Snellesprong".
Onderwerp
TM 2601 - Hoe het dorp (de stad, heuvel, straat, een plek of het stuk land) aan z'n naam is gekomen   
Beschrijving
Gelukkig keert de heer van Belfeld tijdig terug. Hermold springt uit het raam, in de Maas. Ida en Erbert zijn nu vergeten en van hun kasteel is nog geen ruïne over. Maar de heuvel heet nog altijd 'Snellesprong'.
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Snellesprong   
Erbert   
Ida van Lominel   
Noormannen   
Vikingen   
Hermold de Noorman   
Waldniel   
God   
Naam Locatie in Tekst
Belfeld   
Heilige Land   
Jeruzalem   
Maas   
