Hoofdtekst
DE VERDWENEN APPELEN.
In een van de gehuchten onder Gulpen lag een groote weide met prachtige appelboomen. Tegen den pluktijd spraken eenige vrouwen uit de buurt onder elkaar af, 's avonds een gat te maken in de haag, die de weide afsloot en dan een laddertje mee te brengen, orn wat van die mooie vruchten te stelen.
Zij gingen, schoven het laddertje door het gat en zetten het tegen een boom. Met was stikdonker en alles ging op den tast. Zij wisten, dat de takken zôô tot brekens toe vol hingen, dat de eigenaar ze had laten stutten.
Hoe ze ook zochten aan een der boomen, ze vonden niet éen appel. Zij probeerden het aan een tweeden. 'Weer geen appel te vinden. Aan een derden. Geen stuk hing er aan.
"Ze zullen ons toch niet vóór zijn geweest?" meende een van de vrouwen.
,,Wel neen, even voor donker heb ik de appels nog zien hangen."
,,Ik begrijp er niets van, daar is er geen een meer te vinden, niets dan bladeren en nog eens bladeren."
Ontstemd trokken ze weer naar huis.
Maar wat een verwondering den volgenden dag, toen ze weer alle boomen tot brekens toe vol appels zagen hangen."Zouden wij ons dan zoo hebben vergist!" meende een van de dieveggen, ,,dat wij alleen bij die boomen zijn geweest, die al geplukt waren." "Je ziet toch wel: er is nog geen één geplukt", zeide een andere.
Zij gaven het echter niet op en besloten den volgenden avond weer te gaan. Zij gingen, deden als den avond te voren en vonden weer niets. "Ik geloof, dat het hier spookt!" vermoedde een der vrouwen.
"Of het hier spookt of niet spookt, hier moeten zich appelen bevinden", zanikte een tweede. Maar hoe ze ook zochten, ze vonden er geen en konden met leege zakken naar huis gaan. Den volgenden morgen hing de heele weide weer vol, gelijk de vorige dagen. Er was nog altijd niet geplukt. En de boomen, waarvan de vrouwen wisten, dat ze er zeker bij geweest waren, hingen even vol als de anderen. De vrouwen konden maar niet begrijpen, aan welk een zinsbegoocheling zij onderhevig waren geweest. Zij namen zich echter voor er nog een laatsten avond aan te wagen. Ze gingen den derden avond en zochten veer tevergeefs. Een van de vrouwen, een ruw wijf, begon zelfs gedempt te vloeken, doch niet één appel werd er gevonden.
"Ik geef het anders dezen avond niet op", besloot zij. De anderen deden dat ook niet, zij wilden er nu toch het hare van hebben. Zij zochten nog toen het al twaalf uur, sloeg op de kerkklok van Gulpen. Plots sloeg haar de schrik, want van uit de verte zagen zij eensklaps in een blauwgroen licht een klein zwart mannetje, ongeveer een halven meter hoog, komen aanzweven, terwijl het daarbij maar even de toppen van de grashalmen aanraakte.
"De duivel!" riep de brutaalste van allen. Zij lieten alles in den steek, het laddertje zoowel als de zakken en vluchtten wat zij vluchtten konden door de opening van de heg.
Toen in de schemering van den dag de man van het brutale wijf naar de weide sloop, om het laddertje te halen, ten einde geen verdacht op zijn gezin te brengen, vond hij de opening niet meer in de haag, maar zag hij, dat de plaats met versch groen was dichtgegroeid.
In een van de gehuchten onder Gulpen lag een groote weide met prachtige appelboomen. Tegen den pluktijd spraken eenige vrouwen uit de buurt onder elkaar af, 's avonds een gat te maken in de haag, die de weide afsloot en dan een laddertje mee te brengen, orn wat van die mooie vruchten te stelen.
Zij gingen, schoven het laddertje door het gat en zetten het tegen een boom. Met was stikdonker en alles ging op den tast. Zij wisten, dat de takken zôô tot brekens toe vol hingen, dat de eigenaar ze had laten stutten.
Hoe ze ook zochten aan een der boomen, ze vonden niet éen appel. Zij probeerden het aan een tweeden. 'Weer geen appel te vinden. Aan een derden. Geen stuk hing er aan.
"Ze zullen ons toch niet vóór zijn geweest?" meende een van de vrouwen.
,,Wel neen, even voor donker heb ik de appels nog zien hangen."
,,Ik begrijp er niets van, daar is er geen een meer te vinden, niets dan bladeren en nog eens bladeren."
Ontstemd trokken ze weer naar huis.
Maar wat een verwondering den volgenden dag, toen ze weer alle boomen tot brekens toe vol appels zagen hangen."Zouden wij ons dan zoo hebben vergist!" meende een van de dieveggen, ,,dat wij alleen bij die boomen zijn geweest, die al geplukt waren." "Je ziet toch wel: er is nog geen één geplukt", zeide een andere.
Zij gaven het echter niet op en besloten den volgenden avond weer te gaan. Zij gingen, deden als den avond te voren en vonden weer niets. "Ik geloof, dat het hier spookt!" vermoedde een der vrouwen.
"Of het hier spookt of niet spookt, hier moeten zich appelen bevinden", zanikte een tweede. Maar hoe ze ook zochten, ze vonden er geen en konden met leege zakken naar huis gaan. Den volgenden morgen hing de heele weide weer vol, gelijk de vorige dagen. Er was nog altijd niet geplukt. En de boomen, waarvan de vrouwen wisten, dat ze er zeker bij geweest waren, hingen even vol als de anderen. De vrouwen konden maar niet begrijpen, aan welk een zinsbegoocheling zij onderhevig waren geweest. Zij namen zich echter voor er nog een laatsten avond aan te wagen. Ze gingen den derden avond en zochten veer tevergeefs. Een van de vrouwen, een ruw wijf, begon zelfs gedempt te vloeken, doch niet één appel werd er gevonden.
"Ik geef het anders dezen avond niet op", besloot zij. De anderen deden dat ook niet, zij wilden er nu toch het hare van hebben. Zij zochten nog toen het al twaalf uur, sloeg op de kerkklok van Gulpen. Plots sloeg haar de schrik, want van uit de verte zagen zij eensklaps in een blauwgroen licht een klein zwart mannetje, ongeveer een halven meter hoog, komen aanzweven, terwijl het daarbij maar even de toppen van de grashalmen aanraakte.
"De duivel!" riep de brutaalste van allen. Zij lieten alles in den steek, het laddertje zoowel als de zakken en vluchtten wat zij vluchtten konden door de opening van de heg.
Toen in de schemering van den dag de man van het brutale wijf naar de weide sloop, om het laddertje te halen, ten einde geen verdacht op zijn gezin te brengen, vond hij de opening niet meer in de haag, maar zag hij, dat de plaats met versch groen was dichtgegroeid.
Beschrijving
Een groep vrouwen wil appels stelen uit een gaard, die vol vruchten hangt. In het donker maken ze een gat in de heg en klimmen op een ladder. Maar de vruchten hangen er ineens niet meer, terwijl ze er de volgende dag bij daglicht weer wel zijn. De daaropvolgende nachten gaat het precies zo. De derde nacht zien ze een mannetje over het gras zweven. 'De duivel' roept een brutale vrouw onder hen. En ze vluchten weg en laten zakken en ladder achter. De daaropvolgende dag wil de man van een van deze vrouwen het laddertje terughalen. Maar het gat in de heg is dichtgegroeid met vers groen.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Commentaar
1925
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Duivelssagen'.
Naam Locatie in Tekst
Gulpen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
