Hoofdtekst
DE KOETS VAN DEN DUIVEL.
Een knecht van kasteel Horn ging met een mand wild naar het adellijk huis Beegden. Het werd al avond en plotseling hoorde hij vlak achter zich het trappelen van paardenhoeven en het rollen van raderen. Hij keek om en zag een deftige koets, getrokken door vier pikzwarte paarden met geweldiggroote vurige oogen.. De schrik beving den knecht. In het rijtuig zaten twee heeren in het zwart. En hij schrok nog heviger, toen hij zag, dat een van de heeren een paardenpoot had,
"Wil je mee rijden!" vroeg die heer.
"Dank u, mijnheer!" antwoordde de knecht. ,,Het zou u straks soms te lastig zijn, om de paarden te doen stilhouden!" Hij vertrouwde die vertooning niet.
Maar wijl de andere heer ook aandrong, zette hij dan toch de zware mand met wild achter op het rijtuig.
Opeens ping het toen in gestrekten galop vooruit. De paarden brieschten en bliezen vuur en de knecht moest loopen, wat hij loopen kon, om te probeeren zijn mand te grijpen. Kort bij den ,,Breulkuil" gekomen, gelukte hem dit, juist toen het rijtuig zich naar het weiland wendde en even later met een plons in den kuil reed. Een blauwe rook wolkte hevig op uit het net, terwijl blauwe vlammen sloegen uit het water, dat siste en kookte, toen het rijtuig in de diepte wegzonk en ter helle voer.
Op het huis Beegden aangekomen, bemerkte de knecht, dat de helft en het mooiste van het wild uit zijn korf verdwenen was.
Een knecht van kasteel Horn ging met een mand wild naar het adellijk huis Beegden. Het werd al avond en plotseling hoorde hij vlak achter zich het trappelen van paardenhoeven en het rollen van raderen. Hij keek om en zag een deftige koets, getrokken door vier pikzwarte paarden met geweldiggroote vurige oogen.. De schrik beving den knecht. In het rijtuig zaten twee heeren in het zwart. En hij schrok nog heviger, toen hij zag, dat een van de heeren een paardenpoot had,
"Wil je mee rijden!" vroeg die heer.
"Dank u, mijnheer!" antwoordde de knecht. ,,Het zou u straks soms te lastig zijn, om de paarden te doen stilhouden!" Hij vertrouwde die vertooning niet.
Maar wijl de andere heer ook aandrong, zette hij dan toch de zware mand met wild achter op het rijtuig.
Opeens ping het toen in gestrekten galop vooruit. De paarden brieschten en bliezen vuur en de knecht moest loopen, wat hij loopen kon, om te probeeren zijn mand te grijpen. Kort bij den ,,Breulkuil" gekomen, gelukte hem dit, juist toen het rijtuig zich naar het weiland wendde en even later met een plons in den kuil reed. Een blauwe rook wolkte hevig op uit het net, terwijl blauwe vlammen sloegen uit het water, dat siste en kookte, toen het rijtuig in de diepte wegzonk en ter helle voer.
Op het huis Beegden aangekomen, bemerkte de knecht, dat de helft en het mooiste van het wild uit zijn korf verdwenen was.
Beschrijving
Een knecht van kasteel Horn ging met een mand wild naar huis Beegden. Een deftige koets, getrokken door zwarte paarden stopte bij hem en twee heren, waarvan er een een paardenbeen had, nodigde hem uit om mee te rijden. De knecht kon er niet onderuit. Uiteindelijk is hij van de wagen gevlucht, terwijl de koets bij de Breulkuil wegzonk en ter helle reed. Bij huis Beegden aangekomen, bemerkte de knecht dat de helft van het wild in zijn mand weg was.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Commentaar
1925
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Duivelssagen'.
Naam Overig in Tekst
Breulkuil   
Naam Locatie in Tekst
Horn   
Beegden   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
