Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

KEMP121 - Duivelssagen: De ramenassen

Een sage (boek), 1925

Hoofdtekst

DE RAMENASSEN.

Iemand, die slecht leefde en veel vloekte, moest 's nachts werken en ging 's avonds met twee van zijn kameraden naar de papierfabriek te Weert-Meerssen.
Bij een veld ramenassen gekomen -dat veld had echter geen goeden naam- zeide hij: ,,Jongens, hier staan ramenassen, daar moet ik er een van hebben, want ik heb juist zout bij me." Hij ging en zocht tot hij een mooie ramenas vond en wilde ze juist uit den grond trekken, toen en een haas tusschen de planten uitsprong en zijn twee voorste pooten op de ramenas legde.
"Mag ik die niet hebben", zei de jongen, ,,goed, dan neem ik mij een andere". Hij zocht weer en vond er weer eene, die hem beviel; zoodra hij ze uit den grond wilde rukken, sprong de haas weer tusschen de planten uit en legde zijn voorpooten weer op de knol. Nu begon de jongen te vloeken en zocht opnieuw. Maar toen de haas voor dederde maal de pooten op een ramenas legde, riep de jonkman: ,,Al komt nu de duivel op stelten, hebben zal ik ze!" Meteen reet hij ze uit en was de haas verdwenen. Zijn kameraden, die alles hadden gehoord en gezien, wilden niets van de ramenas eten en lieten ze geheel aan hem over.
Toen hij 's nachts van zijn werk naar huis ging, werd hij lastig gevallen door een zwarten hond, die maar niets deed, dan tegen hem opspringen, hem stooten en boksen.
Den volgenden nacht van zijn werk komend, ontmoette hij den hond weer. Het dier was nu zoo sterk, dat het hem, nabij zijn huis, tegen de deur smakte. Zijn zuster, die dat toevallig zag, raadde hem aan, den volgenden nacht liever niet te gaan werken. De jongen meende, dat hij zich daar echter weinig van aantrekken kon.
Den derden nacht was het al een veulen, dat hem lastig viel. Het werd hoe langer hoe grooter, had gloeiende oogen en blies hem in het gelaat. Het werd ten laatste zoo groot als een paard. Nu begon de vloeker toch bang te worden, hij ging op de vlucht en holde naar huis, achtervolgd door het paard. Zijn zuster, een braaf meisje, wilde juist de nauwe deur uit, toen haar broeder teger haar opliep en zich vastklampte aan haar.
"Laat mij toch uit!" riep ze. ,,Ben je gek?"
"Ga in Godsnaam naar binnen!" hijgde hij.
Zij hadden nog juist den tijd om de deur dicht te gooien. Een seconde later zagen zij het paard rechtop staan tegen de deur en met den kop door het bovenlicht kijken. De jonkman werd er ernstig ziek van. Zijn zuster liet een geestelijke komen, de vloeker wilde evenwel van geen biechten hooren. Op het aandringen van zijn brave zuster, deed hij het den zevenden dag toch, maar beter werd hij niet. De geestelijke, die vermoedde, dat hij iets niet durfde te biechten, drong den volgenden dag weer bij hem aan. Hij biechtte nu iets meer. Den negenden dag bleek hij den dood nabij. Zijn zuster was niet gerust over hem. Zij liet den priester nog eens komen. Nu de vloeker zag, dat het naar zijn einde ging, legde hij een behoorlijke biecht af. Maar toen de priester hem de absolutie gaf, vloog er een groote zwarte hond van onder het bed uit en verdween dwars door den muur, een afschuwelijken stank achterlatend. Het gat, dat daardoor was ontstaan, kon niet meer dichtgemetseld worden. Het was of de steenen en de kalk bedierven en binnen den tijd van vier en twintig uren viel het metselwerk er telkens uit.

Onderwerp

SINSAG 0892 - Das Loch in der Wand; kann nicht geschlossen werden: Teufel flog durchs Loch.    SINSAG 0892 - Das Loch in der Wand; kann nicht geschlossen werden: Teufel flog durchs Loch.   

Beschrijving

Iemand die slecht leefde en veel vloekte, wilde op een avond ramenassen uit een berucht veld stelen. Maar bij iedere ramenas die hij uitkoos, ging telkens een haas zitten. Uiteindelijk nam hij er toch een mee. Maar de volgende drie dagen werd hij achtervolgd door een zwarte hond die tegen hem opsprong en hem zelfs tegen de deur plette. Op de derde dag werd het beest zelfs een veulen en daarna nog een paard. Hij werd ernstig ziek. Zijn brave zuster liet een geestelijke komen, maar hij wilde niet biechten. Pas toen de dood nabij was biechtte hij volledig en kreeg hij absolutie. Op dat moment sprong er een hond onder zijn bed vandaan, liet een afschuwelijk stank achter en verdween door de muur. Sindsdien zat er in muur een gat dat nooit meer te dichten was.

Bron

Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.

Commentaar

1925
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Duivelssagen'.
Das Loch in der Wand; kann nicht geschlossen werden: Teufel flog durchs Loch.

Naam Overig in Tekst

Weert-Meerssen    Weert-Meerssen   

Duivel    Duivel   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20