Hoofdtekst
DE DUIVEL ALS HOND.
Het moet in de omstreken van Gulpen zijn gebeurd. Daar was iemand, die zoo slecht leefde, dat er ten langen laatste wanneer hij 's avonds naar buis ging altijd een groote zwarte bond naast hem liep, die hem uitgeleide deed tot aan zijn huis. Hoe slechter hij werd, hoe grooter ook de hond werd, die hem tot aan zijn deur bracht.
Op zekeren avond kwam hij hollend aangeloopen, juist toen zijn vrouw naar buiten wilde komen, om de blinden te sluiten. "Ga naar binnen! Ga naar binnen!" riep hij haar toe, ,daar zit een groot zwart paard achter me!"
Druipnat van zweet en doodsbleek van schrik, stortte hij bet huis binnen, terwiji zijn vrouw nog juist den tijd had om de deur in het slot te gooien en te grendelen. Haar man sprong echter in één angst het bed in en trok zich de dekens over het hoofd, om toch maar niets te zien. Daar het al laat was, ging de vrouw ook naar bed. Zij wilde haar man niet gelooven en meende, dat hij te diep in het glaasje had gekeken, maar toen zij even boven de dekens uitkeek, zag zij den kop van het paard, door het bovenlicht van bet raam; zoo groot was het dier.
De man werd vanwege het voorgevallene ziek en reeds den volgenden dag sloop een groote zwarte hond binnen en legde zich onder het bed neer. Het beest deed overdag geen kwaad en bleef rustig liggen, maar 's nachts greep het den zondaar aan en sleurde hem in en uit het bed, terwiji het hem daarbij tegen den grond en tegen de meubels stiet.Ten einde raad, haalde de vrouw er een pater bij. Deze raadde den man aan te biechten. De hond had dan geen macht meer over hem. De man biechtte. Het hielp niet; de hond ging niet weg en de man kreeg 's nachts slagen en sleuren als gewoonlijk. "Bedenk je nog maar eens, of je niet jets hebt vergeten", zei de pater, die vermoedde, dat de man een gedeelte van zijn zonden verzweeg.
De man biechtte de tweede maal en later nog eens tot acht maal toe. Het baatte niet. De hond verliet hem niet en 's nachts had hij nog altijd macht over hem. De vrouw liet onderwijl veel bidden en bad zelf veel. De pater gaf het ook niet op en verzocht den zondaar om nogmaals te biechten. Toen de man den negenden keer biechtte, begon de hond vreeselijk te janken; hij kroop onder het bed uit en vloog dwars door den muur weg, terwijl hij een helschen stank achterliet. Dien negenden keer had de man goed gebiecht en verloor de duivel zijn macht over hem; hij moest de vlucht nemen. De man werd na dat uur beter en beter en. herstelde spoedig. Het gat in den muur, waardoor de hond verdwenen was, kon niet meer worden dichtgemaakt. Het metselwerk viel er telkens uit.
Dit duurde tot er een steen werd gekapt, die juist in het gat paste. Een pater zegende den steen en teekende er een kruis van wijwater en krijt over, waarna de steen werd ingemetseld. Sedert bleef het gat dicht.
Het moet in de omstreken van Gulpen zijn gebeurd. Daar was iemand, die zoo slecht leefde, dat er ten langen laatste wanneer hij 's avonds naar buis ging altijd een groote zwarte bond naast hem liep, die hem uitgeleide deed tot aan zijn huis. Hoe slechter hij werd, hoe grooter ook de hond werd, die hem tot aan zijn deur bracht.
Op zekeren avond kwam hij hollend aangeloopen, juist toen zijn vrouw naar buiten wilde komen, om de blinden te sluiten. "Ga naar binnen! Ga naar binnen!" riep hij haar toe, ,daar zit een groot zwart paard achter me!"
Druipnat van zweet en doodsbleek van schrik, stortte hij bet huis binnen, terwiji zijn vrouw nog juist den tijd had om de deur in het slot te gooien en te grendelen. Haar man sprong echter in één angst het bed in en trok zich de dekens over het hoofd, om toch maar niets te zien. Daar het al laat was, ging de vrouw ook naar bed. Zij wilde haar man niet gelooven en meende, dat hij te diep in het glaasje had gekeken, maar toen zij even boven de dekens uitkeek, zag zij den kop van het paard, door het bovenlicht van bet raam; zoo groot was het dier.
De man werd vanwege het voorgevallene ziek en reeds den volgenden dag sloop een groote zwarte hond binnen en legde zich onder het bed neer. Het beest deed overdag geen kwaad en bleef rustig liggen, maar 's nachts greep het den zondaar aan en sleurde hem in en uit het bed, terwiji het hem daarbij tegen den grond en tegen de meubels stiet.Ten einde raad, haalde de vrouw er een pater bij. Deze raadde den man aan te biechten. De hond had dan geen macht meer over hem. De man biechtte. Het hielp niet; de hond ging niet weg en de man kreeg 's nachts slagen en sleuren als gewoonlijk. "Bedenk je nog maar eens, of je niet jets hebt vergeten", zei de pater, die vermoedde, dat de man een gedeelte van zijn zonden verzweeg.
De man biechtte de tweede maal en later nog eens tot acht maal toe. Het baatte niet. De hond verliet hem niet en 's nachts had hij nog altijd macht over hem. De vrouw liet onderwijl veel bidden en bad zelf veel. De pater gaf het ook niet op en verzocht den zondaar om nogmaals te biechten. Toen de man den negenden keer biechtte, begon de hond vreeselijk te janken; hij kroop onder het bed uit en vloog dwars door den muur weg, terwijl hij een helschen stank achterliet. Dien negenden keer had de man goed gebiecht en verloor de duivel zijn macht over hem; hij moest de vlucht nemen. De man werd na dat uur beter en beter en. herstelde spoedig. Het gat in den muur, waardoor de hond verdwenen was, kon niet meer worden dichtgemaakt. Het metselwerk viel er telkens uit.
Dit duurde tot er een steen werd gekapt, die juist in het gat paste. Een pater zegende den steen en teekende er een kruis van wijwater en krijt over, waarna de steen werd ingemetseld. Sedert bleef het gat dicht.
Onderwerp
SINSAG 0892 - Das Loch in der Wand; kann nicht geschlossen werden: Teufel flog durchs Loch.   
Beschrijving
Een slecht man wordt achtervolgd door een hond. Op een dag is dat zelfs een zwart paard geworden. De man wordt nu pas echt bang. Een zwarte hond keert het huis binnen en kruipt onder het bed. De man wordt ziek en elke nacht wordt hij door de hond gekweld die hem uit bed sleurt en stompt.
Zijn vrouw haalt er een pater bij, maar pas bij de negende keer biechten is de man volledig eerlijk en gaat de hond weg. Het duivelse beest vliegt dwars door de muur heen en laat een vreselijke stank achter. Het gat in de muur is pas te dichten zodra een pater de steen zegent die er in wordt geplaatst.
Zijn vrouw haalt er een pater bij, maar pas bij de negende keer biechten is de man volledig eerlijk en gaat de hond weg. Het duivelse beest vliegt dwars door de muur heen en laat een vreselijke stank achter. Het gat in de muur is pas te dichten zodra een pater de steen zegent die er in wordt geplaatst.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Commentaar
1925
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Duivelssagen'.
Das Loch in der Wand; kann nicht geschlossen werden: Teufel flog durchs Loch.
Naam Overig in Tekst
Duivel   
Naam Locatie in Tekst
Gulpen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
