Hoofdtekst
De kaartlegster
In een van de steegjes tussen Hoenderstraat en de Kleine Gracht te Maastricht, woonde een kaartlegster die de naam had een heks te zijn.
Op zekere dag verzocht zij haar huisgenote, die voor aan de straat woonde, -zij zelf woonde in het achterhuis- een paar koeken voor haar gereed te maken. De vrouw die bang was voor het oude wijf, wijl zij al dikwijls onvindbare zaken had terechtgebracht, voldeed aan haar wens. Toen de eerste koek gaar was, ging zij de oude vrouw roepen. Deze kwam, greep de een koek zo uit de gloeiende pan en verslond hem, dat haar de damp uit de mond en neusgaten sloeg.
'Maak mij nu nog zo een klaar en roep mij dan!' verzocht zij weer.
De vrouw bakte er weer een, riep de heks en deze slokte ook de tweede koek in, dat de damp haar uit mond en neusgaten uitkwam.
Dat bleef zo.
De volgende dag kregen de bewoners van het huis de heks niet te zien. Het viel niet op, want dat gebeurde wel meer.
De tweede dag werd zij nog niet gezien. De bewoners spraken er met elkaar over; men besloot toch nog te wachten tot de volgende morgen. Wie die dag werd gezien, niet de kaartlegster. Men ging kloppen op de deur. Geen antwoord.
'Is de vrouw al in geen drie dagen meer gezien?' vroeg de politieagent.
'Neen! In geen drie dagen meer!'
'Dan moet de deur worden opengebroken!'
Er werd een smid gehaald, de deur werd geforceerd en daar vond men de oude vrouw in een zo erbarmelijke toestand, dat overbrenging naar Calvariënberg noodzakelijk werd geacht.
Toen de heks hoorde dat men haar naar Calvariënberg wilde brengen, weerde zij zich verschrikkelijk, zodat men haar op het ziekenwagentje moest vastbinden.
Op Calvariënberg werd zij in een aparte kamer gelegd. Daar stelde zij zich zo woest aan, dat men rond en boven haar bed een houten beschot moest laten aanbrengen. Zodra het echter 's nachts twaalf uur sloeg, ontstond er een verschrikkelijk tumult binnen dat houten beschot en zag de ziekenzuster, die bij de heks waakte, haar met het hoofd boven de planken komen en met zulk een afschuwelijk gelaat, dat de zuster haar kruis moest opheffen en de heks daarmede tot kalmte dwingen. Tegen die macht was het wijf niet bestand.
Enige dagen duurde dat zo, toen stierf zij onder akelig getier in een vlaag van razernij, waarbij haar het schuim uit de mond kwam.
In een van de steegjes tussen Hoenderstraat en de Kleine Gracht te Maastricht, woonde een kaartlegster die de naam had een heks te zijn.
Op zekere dag verzocht zij haar huisgenote, die voor aan de straat woonde, -zij zelf woonde in het achterhuis- een paar koeken voor haar gereed te maken. De vrouw die bang was voor het oude wijf, wijl zij al dikwijls onvindbare zaken had terechtgebracht, voldeed aan haar wens. Toen de eerste koek gaar was, ging zij de oude vrouw roepen. Deze kwam, greep de een koek zo uit de gloeiende pan en verslond hem, dat haar de damp uit de mond en neusgaten sloeg.
'Maak mij nu nog zo een klaar en roep mij dan!' verzocht zij weer.
De vrouw bakte er weer een, riep de heks en deze slokte ook de tweede koek in, dat de damp haar uit mond en neusgaten uitkwam.
Dat bleef zo.
De volgende dag kregen de bewoners van het huis de heks niet te zien. Het viel niet op, want dat gebeurde wel meer.
De tweede dag werd zij nog niet gezien. De bewoners spraken er met elkaar over; men besloot toch nog te wachten tot de volgende morgen. Wie die dag werd gezien, niet de kaartlegster. Men ging kloppen op de deur. Geen antwoord.
'Is de vrouw al in geen drie dagen meer gezien?' vroeg de politieagent.
'Neen! In geen drie dagen meer!'
'Dan moet de deur worden opengebroken!'
Er werd een smid gehaald, de deur werd geforceerd en daar vond men de oude vrouw in een zo erbarmelijke toestand, dat overbrenging naar Calvariënberg noodzakelijk werd geacht.
Toen de heks hoorde dat men haar naar Calvariënberg wilde brengen, weerde zij zich verschrikkelijk, zodat men haar op het ziekenwagentje moest vastbinden.
Op Calvariënberg werd zij in een aparte kamer gelegd. Daar stelde zij zich zo woest aan, dat men rond en boven haar bed een houten beschot moest laten aanbrengen. Zodra het echter 's nachts twaalf uur sloeg, ontstond er een verschrikkelijk tumult binnen dat houten beschot en zag de ziekenzuster, die bij de heks waakte, haar met het hoofd boven de planken komen en met zulk een afschuwelijk gelaat, dat de zuster haar kruis moest opheffen en de heks daarmede tot kalmte dwingen. Tegen die macht was het wijf niet bestand.
Enige dagen duurde dat zo, toen stierf zij onder akelig getier in een vlaag van razernij, waarbij haar het schuim uit de mond kwam.
Beschrijving
Een kaartlegster heeft de naam heks te zijn. Ze vraagt haar huisgenoot om koeken voor haar te bakken die ze gloeiend heet opeet.
In de drie dagen daarna zien haar huisgenoten haar niet. De politie breekt haar kamer in en brengt haar onder hevig protest naar de Calvariënberg, waar zij later in krankzinnige toestand overlijdt.
In de drie dagen daarna zien haar huisgenoten haar niet. De politie breekt haar kamer in en brengt haar onder hevig protest naar de Calvariënberg, waar zij later in krankzinnige toestand overlijdt.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970
Herdruk: ca. 1970
Commentaar
1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van heksen en maren'.
Naam Overig in Tekst
Calvariënberg   
Kleine Gracht   
Naam Locatie in Tekst
Hoenderstraat   
Maastricht   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
