Hoofdtekst
Het dwergje van Wijnandsrade
Tussen Nuth en Wijnandsrade, in de laatstgenoemde gemeente, stond aan de weg naar Valkenburg een eenzaam huis, genaamd de Blauwe steen.
Daar woonden man en vrouw die in dat huis een café hielden. Zij hadden maar één kind, een meisje van vijfentwintig jaar, dat echter niet groter was dan een kind van zeven. Het zat altijd in een klein stoeltje, lag in een klein bedje, had apart een klein tafeltje, maar was overigens normaal en praatte heel verstandig met de mensen die in het café een potje bier kwamen drinken.
De vader had al dikwijls met de pastoor over zijn dwerg, zo noemde hij zijn meisje altijd, gesproken. Hij meende dat het door een kwade hand geraakt was en verzocht de pastoor het toch eens te willen overlezen. De pastoor beloofde dat, maar stelde het iedere keer uit.
Op zekere avond waren de mensen al tamelijk vroeg naar bed gegaan, denkende, er zal toch wel niemand meer komen. Zij konden een tijdje geslapen hebben, toen een luid kloppen op de voordeur hen uit hun slaap deed schrikken.
Zeker een die zich verlaat heeft,' zeide de man tegen zijn vrouw. 'ik zal hem nog maar opendoen, want buiten is het zo'n ruw weer.'
Vlug trok hij enige kleren aan en ging naar beneden. Daar opende hij de deur, maar zag niemand. Hij ging nu eens naar zijn dochter kijken, denkend, dat deze soms had geklopt, maar ze sliep rustig.
Hij dacht al, dat kloppen te hebben gedroomd en ging weer naar boven. Nauwelijks was hij daar, of hij hoorde het geklop weer, ditmaal nog harder dan de eerste keer. Hij ging weer naar beneden, opende de deur en zag weer niemand. Hij liet de deur open en liep enige passen langs het huis, maar nergens was er iets te bespeuren.
Vol gedachten over dat vreemde kloppen, ging hij weer naar boven, doch nauwelijks was hij boven aan de trap of hij hoorde drie zulke hevige slagen op de deur, dat heel het huis ervan dreunde en dat Zijn vrouw 'Ach God, help ons toch!' riep.
De man werd nu toch ook wat angstig. Hij wilde weten waar hij aan toe was en ging weer naar beneden. Toen hij met zijn lamp beneden kwam, zag hij vanaf de trap, in de schemer van het lamplicht, dat een zwarte kat van het bedje van zijn dochter sprong. Dat beviel hem niet, maar hij ging eerst nog naar de voordeur en opende die: er was niemand. Nu begaf hij zich naar de slaapkamer van zijn dwerg en zag dat de zwarte kat van de vensterbank naar beneden sprong, de tuin in. Toen hij bij zijn dochtertje kwam, was het dood.
Tussen Nuth en Wijnandsrade, in de laatstgenoemde gemeente, stond aan de weg naar Valkenburg een eenzaam huis, genaamd de Blauwe steen.
Daar woonden man en vrouw die in dat huis een café hielden. Zij hadden maar één kind, een meisje van vijfentwintig jaar, dat echter niet groter was dan een kind van zeven. Het zat altijd in een klein stoeltje, lag in een klein bedje, had apart een klein tafeltje, maar was overigens normaal en praatte heel verstandig met de mensen die in het café een potje bier kwamen drinken.
De vader had al dikwijls met de pastoor over zijn dwerg, zo noemde hij zijn meisje altijd, gesproken. Hij meende dat het door een kwade hand geraakt was en verzocht de pastoor het toch eens te willen overlezen. De pastoor beloofde dat, maar stelde het iedere keer uit.
Op zekere avond waren de mensen al tamelijk vroeg naar bed gegaan, denkende, er zal toch wel niemand meer komen. Zij konden een tijdje geslapen hebben, toen een luid kloppen op de voordeur hen uit hun slaap deed schrikken.
Zeker een die zich verlaat heeft,' zeide de man tegen zijn vrouw. 'ik zal hem nog maar opendoen, want buiten is het zo'n ruw weer.'
Vlug trok hij enige kleren aan en ging naar beneden. Daar opende hij de deur, maar zag niemand. Hij ging nu eens naar zijn dochter kijken, denkend, dat deze soms had geklopt, maar ze sliep rustig.
Hij dacht al, dat kloppen te hebben gedroomd en ging weer naar boven. Nauwelijks was hij daar, of hij hoorde het geklop weer, ditmaal nog harder dan de eerste keer. Hij ging weer naar beneden, opende de deur en zag weer niemand. Hij liet de deur open en liep enige passen langs het huis, maar nergens was er iets te bespeuren.
Vol gedachten over dat vreemde kloppen, ging hij weer naar boven, doch nauwelijks was hij boven aan de trap of hij hoorde drie zulke hevige slagen op de deur, dat heel het huis ervan dreunde en dat Zijn vrouw 'Ach God, help ons toch!' riep.
De man werd nu toch ook wat angstig. Hij wilde weten waar hij aan toe was en ging weer naar beneden. Toen hij met zijn lamp beneden kwam, zag hij vanaf de trap, in de schemer van het lamplicht, dat een zwarte kat van het bedje van zijn dochter sprong. Dat beviel hem niet, maar hij ging eerst nog naar de voordeur en opende die: er was niemand. Nu begaf hij zich naar de slaapkamer van zijn dwerg en zag dat de zwarte kat van de vensterbank naar beneden sprong, de tuin in. Toen hij bij zijn dochtertje kwam, was het dood.
Onderwerp
TM 3117 - De kwade hand (het boze oog)   
Beschrijving
Het dochtertje van caféhouders is klein. Haar vader noemt haar zijn 'dwergje' en denkt dat zij door kwade hand is aangeraakt. De pastoor verzuimt echter haar te overlezen. Op een nacht hoort de vader kloppen in huis, zonder dat er iemand aan de deur staat. Op de slaapkamer van zijn dochter treft hij een zwarte kat bij het bed aan, die wegvlucht. Het meisje blijkt dood te zijn.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970
Herdruk: ca. 1970
Commentaar
1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van heksen en maren'.
De kwade hand (het boze oog)
Naam Locatie in Tekst
Nuth   
Wijnandsrade   
Valkenburg   
Blauwe steen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
