Hoofdtekst
Arm keuterboertje
Dit is een verhaal van wel 85 jaar geleden, verteld door een Enkhuizer schipper...
Dit is een verhaal van wel 85 jaar geleden, verteld door een Enkhuizer schipper die met zijn oude tjalk voor de armoede op de vlucht was. Want het was toentertijd bar en boos. Het ging over een arm keuterboertje, spirrieboertjes toen genoemd, die met zijn vrouw in een streek woonde waar het mensdom dun gezaaid was. De grond was nog woest en ledig en dor. Maar er was een klooster geweest met monniken die daar het volk hielpen. De boertjes ruilden wat ze hadden met de monniken want centen waren er nog niet.
De boer en zijn vrouw kregen op latere leettijd nog een zoon. Die was alleen maar met zijn ouders. Geen school, dus ging het kind met zijn vader naar het klooster. Vader werkte nu en dan voor de monniken, die waren al zo ontwikkeld, konden alles. Later ging het kind ook helpen en lezen. Hij was zo achter met alles. Moe had wel eens gezegd: "Jan, wat moet er van jou terecht komen als wij er niet meer zijn." "Wel", had hij gezegd:'Jullie redden je toch ook!"Maar toen zijn ouders er niet meer waren zat hij altijd alleen en dat was erg. Hij had onderdak, dat wel en wat klein vee dat hij zo nu en dan naar bet klooster bracht in ruil voor brood en koffie en wat er was.
Het leven veranderde ineens voor Jan toen er een jonge vrouw bij hem aanklopte. Ze liep te venten met negotie. Die liepen overal. "Mag ik binnen komen? "had ze gevraagd. Het was al donker en koud. "lk heb ook honger en dorst." Jan liet haar binnen en deelde het brood met haar. Jan dacht aan zijn moe, die had gezegd: "Houdt je kooitje wijd open Jan, dan vliegt er nog wel eens een vogeltje in." Ze zaten gezellig te praten maar ze maakte geen aanstalten om weg te gaan. Toen Jan dat zei, had ze gezegd: "Nee, ik blijf, want waar moet ik in de nacht anders naar toe en je hebt nog een bedstee over." "Die is van mijn ouders geweest". "Wat geeft dat, daar kruip ik in en morgen zien we wel weer." Ze had de beddegordijnen open geschoven en haar negotiekistje onder de bedstee gezet. Ze kleedde zich uit. Jan keek toe hoe ze rap onder het veren bed kroop. "Welterusten Jan, kruip er zelf ook maar eens in. Het is morgen vroeg dag." 's Anderdaags ging ze ook niet weg, ze bleef gewoon. Jan vond het goed. Ze was vrolijk en hielp hem bij alles.
Maar dat veranderde snel. Ze werd lui, hielp nergens meer mee, ze werd dik en als Jan er iets van zei schold ze hem uit. Als Jan van het land thuis kwam stond ze met haar dikke armen leundend op het onderdeurtje en lachte hem uit. Dan zei Jan: "Je lijkt net op ons varken, die staat ook altijd met haar voorpoten op het schot als ik thuiskom, wachtend op haar eten." Ze spraken op laatst niet meer met elkaar tot Jan zei: "Je moet maar vertrekken, het mooie weer komt er aan, je weet de weg." "Ga jij maar weg, jij kunt je beter redden dan ik." Maar toen Jan op een middag thius kwam stond ze aangekleed, negotiekistje naast haar op de vloer met het juwelenklstje in haar handen dat van zijn moeder was geweest. "Leg neer jij dief anders vergrijp ik me aan jou!" Maar ze lachte hem uit en wou de juwelen in haar kistje stoppen. Toen had hij haar gegrepen en een gooi gegeven. Ze was zo raar met haar hoofd op de stoep gevallen dat ze dood bleef liggen. Dat had hij niet bedoeld, wat moest hij nou? Niemand kende haar. De hele nacht dacht hij over hoe hij haar weg moest krijgen. 's Anderdaags sleepte hij haar naar de schuur, nam een groot mes en sneed haar aan stukken. En gaf de brokken aan het varken. Die wist er wel raad mee. Hij hoorde het dier smikkelen en smakken, tot in de nacht aan toe. Wat een vies gehoor. Jan moest er van braken en het verstand liep er hem vandoor. Hij begon om z'n moeder te roepen: "Help me toch!" Hij zag dat het varken precies op haar begon te lijken. Het was nét of ze hem uitlachte als ze met haar dikke voorpoten op het schuttinkje lag. Het werd al erger en erger met hem, tot hij het grote mes greep en het varken wou kelen. "Jij moet er ook aan kreng!" Hij bedacht zich en ging naar het klooster: "Komen jullie het varken halen?" Toen ze kwamen vonden ze Jan dood; enkel een paar blauwe plekken in zijn nek. Het varken lachte. Die had Jan beide voorpoten om zijn nek geslagen. Dachten ze.
Dit is een verhaal van wel 85 jaar geleden, verteld door een Enkhuizer schipper...
Dit is een verhaal van wel 85 jaar geleden, verteld door een Enkhuizer schipper die met zijn oude tjalk voor de armoede op de vlucht was. Want het was toentertijd bar en boos. Het ging over een arm keuterboertje, spirrieboertjes toen genoemd, die met zijn vrouw in een streek woonde waar het mensdom dun gezaaid was. De grond was nog woest en ledig en dor. Maar er was een klooster geweest met monniken die daar het volk hielpen. De boertjes ruilden wat ze hadden met de monniken want centen waren er nog niet.
De boer en zijn vrouw kregen op latere leettijd nog een zoon. Die was alleen maar met zijn ouders. Geen school, dus ging het kind met zijn vader naar het klooster. Vader werkte nu en dan voor de monniken, die waren al zo ontwikkeld, konden alles. Later ging het kind ook helpen en lezen. Hij was zo achter met alles. Moe had wel eens gezegd: "Jan, wat moet er van jou terecht komen als wij er niet meer zijn." "Wel", had hij gezegd:'Jullie redden je toch ook!"Maar toen zijn ouders er niet meer waren zat hij altijd alleen en dat was erg. Hij had onderdak, dat wel en wat klein vee dat hij zo nu en dan naar bet klooster bracht in ruil voor brood en koffie en wat er was.
Het leven veranderde ineens voor Jan toen er een jonge vrouw bij hem aanklopte. Ze liep te venten met negotie. Die liepen overal. "Mag ik binnen komen? "had ze gevraagd. Het was al donker en koud. "lk heb ook honger en dorst." Jan liet haar binnen en deelde het brood met haar. Jan dacht aan zijn moe, die had gezegd: "Houdt je kooitje wijd open Jan, dan vliegt er nog wel eens een vogeltje in." Ze zaten gezellig te praten maar ze maakte geen aanstalten om weg te gaan. Toen Jan dat zei, had ze gezegd: "Nee, ik blijf, want waar moet ik in de nacht anders naar toe en je hebt nog een bedstee over." "Die is van mijn ouders geweest". "Wat geeft dat, daar kruip ik in en morgen zien we wel weer." Ze had de beddegordijnen open geschoven en haar negotiekistje onder de bedstee gezet. Ze kleedde zich uit. Jan keek toe hoe ze rap onder het veren bed kroop. "Welterusten Jan, kruip er zelf ook maar eens in. Het is morgen vroeg dag." 's Anderdaags ging ze ook niet weg, ze bleef gewoon. Jan vond het goed. Ze was vrolijk en hielp hem bij alles.
Maar dat veranderde snel. Ze werd lui, hielp nergens meer mee, ze werd dik en als Jan er iets van zei schold ze hem uit. Als Jan van het land thuis kwam stond ze met haar dikke armen leundend op het onderdeurtje en lachte hem uit. Dan zei Jan: "Je lijkt net op ons varken, die staat ook altijd met haar voorpoten op het schot als ik thuiskom, wachtend op haar eten." Ze spraken op laatst niet meer met elkaar tot Jan zei: "Je moet maar vertrekken, het mooie weer komt er aan, je weet de weg." "Ga jij maar weg, jij kunt je beter redden dan ik." Maar toen Jan op een middag thius kwam stond ze aangekleed, negotiekistje naast haar op de vloer met het juwelenklstje in haar handen dat van zijn moeder was geweest. "Leg neer jij dief anders vergrijp ik me aan jou!" Maar ze lachte hem uit en wou de juwelen in haar kistje stoppen. Toen had hij haar gegrepen en een gooi gegeven. Ze was zo raar met haar hoofd op de stoep gevallen dat ze dood bleef liggen. Dat had hij niet bedoeld, wat moest hij nou? Niemand kende haar. De hele nacht dacht hij over hoe hij haar weg moest krijgen. 's Anderdaags sleepte hij haar naar de schuur, nam een groot mes en sneed haar aan stukken. En gaf de brokken aan het varken. Die wist er wel raad mee. Hij hoorde het dier smikkelen en smakken, tot in de nacht aan toe. Wat een vies gehoor. Jan moest er van braken en het verstand liep er hem vandoor. Hij begon om z'n moeder te roepen: "Help me toch!" Hij zag dat het varken precies op haar begon te lijken. Het was nét of ze hem uitlachte als ze met haar dikke voorpoten op het schuttinkje lag. Het werd al erger en erger met hem, tot hij het grote mes greep en het varken wou kelen. "Jij moet er ook aan kreng!" Hij bedacht zich en ging naar het klooster: "Komen jullie het varken halen?" Toen ze kwamen vonden ze Jan dood; enkel een paar blauwe plekken in zijn nek. Het varken lachte. Die had Jan beide voorpoten om zijn nek geslagen. Dachten ze.
Beschrijving
Een vrouw klopt aan bij een boer, die haar onderdak geeft. De vrouw blijft, maar ze is lui en doet niets. Boer Jan vindt dat ze op een varken lijkt, dat altijd wacht op eten, en vindt dat ze moet gaan. Ze weigert en steelt de juwelen van zijn ouders. Jan wordt boos, de vrouw valt en sterft. Het lichaam geeft de boer aan een varken. Het varken begint te lijken op zijn moeder, en hij vraagt het klooster om het varken te komen halen. Wanneer ze langskomen lacht het varken en is de boer dood, met blauwe plekken in zijn nek. Heeft het varken de boer gedood?
Bron
Overgenomen van internet: http://www.enkhuizen650.nl/sterkeverhalen.php?VerhaalID=7
Commentaar
aangetroffen op 11 oktober 2006
Naam Overig in Tekst
Jan   
Naam Locatie in Tekst
Enkhuizen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
