Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

KEMP266 - Van spoken: De timmerman van Gulpen

Een sage (boek), 1925

Hoofdtekst

De timmerman van Gulpen

Te Gulpen woonde een timmerman die meestal dronken was en niets meer aan zijn godsdienst deed. Daarentegen had hij zich de afschuwelijke gewoonte eigengemaakt, zijn verbittering tegen alles wat goed was uit te braken in hele litanieën van vloeken en godslasteringen.
Het kon niet anders of dat moest een verschrikkelijk einde geven. En zo stierf de timmerman dan ook plotseling, zonder de tijd te hebben gehad om tot betere gedachten te komen en zich met God te verzoenen. Dat hij God niet vergeefs zo dikwijls had beledigd, en verzocht hem toch maar te verdoemen, zou spoedig blijken.
Reeds de eerste nacht na zijn dood werd de weduwe 's nachts tussen twaalf en een uit haar bed geslingerd en kreeg zij tal van stompen en slagen. Daar zij zonder licht sliep kon zij niet zien wie haar dat aandeed; maar zij voelde zoveel heviger de pijn. Het was of een grote zwarte hond op haar lag en haar met zijn harige poten belette hulp te roepen.
De volgende nachten overkwam haar hetzelfde. Wat te doen? Zo was het niet meet vol te houden! Zij ging naar de pastoor, doch deze wilde er niets van geloven. Wel raadde hij haar aan, wanneer zij meende dat het zo was gelijk zij vertelde, het huis te verlaten en ergens anders haar intrek te nemen.
Die raad volgde zij op. Een paar buren, broer en zuster, namen haar op. Zij woonden schuin tegenover haar huis en vanuit het hunne kon men alles zien, wat er in het hare voorviel.
Zij was dan ook erg benieuwd wat er de volgende nacht in het hare zou gebeuren. Zij besloot op te blijven en 's nachts door een zolderraampje alles uit te spioneren. Haar huisgenoten waren natuurlijk ook van de partij.
Tegen middernacht stond het drietal op post en keek uit. Bam!.., bam!... bam!...
Akelig klonken de slagen van het middernachtelijk uur door de stilte. Plotseling zagen alle drie een grote zwarte hond uit de mestkuil stijgen, naar het werkhuis springen en de deur daarvan openen. Onmiddellijk daarna begon er in het werkhuis een spektakel dat horen en zien verging. Dat was een geschaaf, gehamer en gezaag, vermengd met vloeken en getier, of heel de hel op aarde was losgelaten. Dit duurde tot het één uur sloeg. Toen zagen zij de hond weer uit het werkhuis komen en in de mestkuil verdwijnen.
De weduwe begreep dat zij bij haar buren niet kon blijven. ledere nacht op een dergelijke wijze aan haar overleden man te worden herinnerd, daar waren de sterkste zenuwen niet tegen bestand. Zij ging dan ook aan het andere einde van het dorp wonen.
Haar vroegere buurman in wiens huis zij enige dagen verbleef, had een goede indruk op haar gemaakt. Toen zij dan ook aan het andere einde van het dorp woonde en daar niet meer zo aan haar eerste man werd herinnerd, nam haar vroegere buurman en gastheer haar gehele aandacht in beslag. Dit had tot verder gevolg dat, zodra de gebruikelijke rouwtijd verstreken was, beiden elkaar trouw beloofden voor het altaar en de niet onknappe weduwe het leed met haar eerste man spoedig vergeten was.
Een tijdje later vierde een nicht van haar tweede man bruiloft en toen zij na afloop met haar man huiswaarts ging, kwamen zij voorbij haar vroeger huis, waar de hond nog altijd spookte.
Haar tweede man, nog altijd onder de indruk van de zo pas gevierde bruiloft, was buitengewoon vrolijk en overmoedig. Gearmd met zijn ega en niet al te vast op de benen langs het spookhuis komende, hoorden beiden weer dat hameren, schaven, vloeken en tieren. Op dat lawaai kon de man niet nalaten met zijn dolle kop te roepen:
'Speukske, kom oet!'
Plotseling hield alle gehamer op; er gebeurde overigens verder niets. Zijn vrouw trachtte hem nog te kalmeren en verzocht hem toch niet meer te roepen of te sarren en liever stilletjes door te lopen; de man liet zich niet raden. Hij herhaalde zijn uitdaging: 'Speukske, kom oet!'
Nauwelijks had hij dat gezegd of daar vloog de deur van het werk huis open en sprong de grote zwarte hond op hem af. De hond greep de verbijsterde dronkeman met de tanden bij de kieren en sleurde hem van links naar rechts tegen de bermen van de weg. Onder dit bedrijf had zijn vrouw de vlucht genomen. Gelukkig dat het een uur sloeg, want andere had het er slecht uitgezien met de beschonkene.
Het geval kwam de volgende dag de pastoor ter ore en hij besloot toe te geven aan het aandringen van zijn parochianen en te beproeven of hij die hond niet kon verbannen.
De volgende nacht, omstreeks kwart na twaalf, begaf hij zich met enige goedgewapende parochianen naar het spookhuis. De hond was weer druk bezig te kloppen, te schaven en vooral te vloeken.
De pastoor was reeds tot op een manslengte de deur genaderd, toen deze open ging en de hond vroeg, wat hij kwam doen.
'Ik kom om je te verbannen naar de poel, ginds in het bos,' antwoord de de pastoor.
'Daar hebt gij geen macht voor!' zeide de hond. 'Geef eerst het pennemesje terug, dat gij uw kameraad hebt ontfutseld toen gij nog studeerdet op het college.'
En de pastoor kon bidden en bezweren zoveel hij wilde, hij had geen macht over de hond en moest onverrichter zake naar huis terugkeren. De pastoor wilde niettemin zijn zin doorzetten, hij was er eenmaal mee begonnen en die hellehond moest daar weg. Hij wist het zover te brengen dat een pater uit een naburig klooster zou komen en dan proberen de hond te verdrijven.
De pater kwam en begaf zich met enige stevige boeren naar het werkhuis. Daar was weer hetzelfde lawaai. Nauwelijks was de pater de deur genaderd tot op een manslengte, of daar ging ze al open en vroeg de hond reeds wat hij verlangde.
'Ik kom om je te verdrijven!' antwoordde de pater.
'Daar heb jij geen macht toe!' sprak de hond. 'Geef eerst de breinaald terug, die je als kind thuis aan de dienstmeid hebt ontstolen. Ook de pater kon met al zijn bezweringen de hond niet verdrijven.
De volgende nacht kwam een jeugdig kapelaan, een familielid van de pastoor, en nu zou deze zijn krachten eens beproeven.
'Wat komt gij hier doen?' vroeg de hond.
'Ik kom om je te verbannen!' riep de kapelaan.
De hond schrok, nam de staart tussen de benen en zeide toen: 'Gii hebt macht over mij en ik zal hier weggaan op een voorwaarde.'
'En die is?' vroeg de kapelaan.
'Dat ik elke honderd jaar een stap korter bij dit huis mag komen.'
De kapelaan stemde daarin toe, blij toe, dat de hond zo gewillig was, en te meer wijl de aarde reeds lang zou vergaan zijn eer de bond door alle honderd jaar een stap korter bij het huis te komen, dit zou zijn genaderd.
Hij dreef nu de bond voor zich uit, maar niemand kon hem zien behalve een vrouw die met een bos klaver, die zij op het hoofd droeg, uit het veld kwam.
Zij zag de oploop voor dat huis en zou de hond nog niet hebben gezien, indien er onder de klaver er niet een was geweest met vier blaadjes. Schoorvoetend zag zij de hond vluchten voor het kruis, dat de kapelaan in de hand hield en waarmee hij hem in de richting van het bos verdreef.
Bij de poel gekomen, nam de hond een sprong... een plons... en veel geraas; verdwenen was hij. Na die tijd werd er niets meer in dat werkhuis gehoord.
Nu nog waagt zich niemand 's avonds langs die poel en zeker niet om middernacht. Dan is daar een hels gedruis en geraas in het bos, alsof alle deuren van de hel openstaan. Toen op zekere nacht toch iemand het waagde daar voorbij te komen, heeft men hem nooit weerom gezien. Wel vond men enige dagen later zijn lijk dat boven kwam drijven.

Onderwerp

SINSAG 0334 - Spuktier vom Priester gebannt.    SINSAG 0334 - Spuktier vom Priester gebannt.   

Beschrijving

Een vloekende dronkaard overlijdt. Zijn vrouw wordt sindsdien elke nacht in haar huis lastig gevallen door een hond die haar stompt. Tot ze uit huis gaat wonen. Vanuit het huis van de buren kan ze de hond zien. Ook valt de hond een keer de nieuwe man van de vrouw aan. Een pastoor en een pater kunnen de hond niet wegjagen vanwege hun zondige verleden. Het lukt pas een jonge kapelaan en alleen op de voorwaarde dat de hond iedere honderd jaar een stap dichter bij het huis kan zetten. Maar ja, de wereld is allang vergaan eer de hond het huis bereikt. Wel is iemand die te dicht bij de poel kwam, waar de hond heen is gevlucht, nooit meer teruggezien.

Bron

Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970

Commentaar

1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van spoken'.
Spuktier vom Priester gebannt.

Naam Overig in Tekst

God    God   

Naam Locatie in Tekst

Gulpen    Gulpen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20