Hoofdtekst
De duivel aan boord
Zoo af en te brengt de duivel een bezoek aan een schip in volle zee.
Hoe hij er komt is een raadsel. Niemand ziet hem komen, niemand ziet hem gaan, maar hij is er intusschen geweest.
Meestentijds wordt er iemand vermist na het bezoek; de duivel heeft hem gehaald.
En hij weet precies wie hij hebben moet, die Joost. Hij pikt er altijd de goeie uit.
Degeen die hem zijn ziel verkocht heeft hè.
Er schijnen nog al wat zeelui rond te loopen die dat doen af en toe.
Voornamelijk op de vrijmesons schijnt Joost het voorzien te hebben.
Er zijn heel wat scheepskapiteins die vrijmetselaar zijn.
En de duivel weet dat. Daar krijgt hij altijd op en een of andere manier lucht van.
Daar hebt u nu b.v. dat geval met dien schipper die met zijn bark op de Noordzee voer.
Wat deed die schipper?
Op een dag kleedde hij zich aan op zijn kerkebest. Ja, echt, hij kleedde zich alsof hij naar de kerk moest.
Gek, nietwaar; ten eerste was het een gewone door de weeksche dag en ten tweede was er niet eens een dominee aan boord.
Tja, 't was raar, maar die schipper deed het. Vrijmesons doen van die onbegrijpelijke dingen.
Goed, hij trok dus zijn kerkebest aan en paradeerde over 't dek.
De bemanning mocht zoo denken, wat is er met de ouwe, wat kijkt ie ernstig, maar vragen durfde natuurlijk niemand iets.
Nee, ze vroegen niets, die ruige kerels, maar ieder dacht er het zijne van. En ze schudden het hoofd. En ze trokken een bedenkelijk gezicht toen ze hoorden hoe de ouwe in de kombuis de kok gelastte een kostelijk maal gereed te maken.
Niet alleen voor hemzelf maar een maal voor twee personen. En dat er deze keer maar eens twee fijne flesschen wijn ontkurkt moesten worden. Niet een, maar twee.
Het was een vreemd geval met dien schipper en de bemanning dacht er het hare van.
Maar de kok voerde de last uit. Die kookte zoodat de damp er afvloog. Het beste wat hij had maakten ie klaar.
En toen het tijd van eten was en hij naar de kajuit van de kapiteit ging om de tafel te dekken, wie zat er aan tafel?
De schipper natuurlijk. Ja zeker, de schipper, in zijn kerkebest, hooge boord om en manchetten aan; en een heel ernstig gezicht; maar er was er nog een.
Niemand had hem gezien; niemand had iets gehoord. Maar hij zat er, de bezoeker.
Een lange zwarte kerel, en oogen meneertje, oogen die dwars door alles heen gingen. Zwarte oogen en die brandden als gloeiende kolen vuur.
De kok haastte zich wat ie kon. Die voelde zich niets op zijn gemak in de kajuit van dien schipper. Denk eens in, die twee zaten daar maar stijf en strak tegenover elkander en ze zeiden geen woord. De schipper zat rechtop in zijn beste pak en de bezoeker stak maar met zijn koolzwarte gloeiende oogen.
Gauw, gauw maakte de kok voort; haastig zette hij alles op tafel, de borden, de schalen, de twee fijne flesschen wijn, en weg was hij.
Maar niet zoodra had hij de deur achter zich dicht getrokken of ... een luide doordringende gil.
Wat was dat? Wat gebeurde er? Zou hij gaan kijken? Even de deur op een kier doen?
Hij deed de deur op een kier, en ja hoor, daar had je het.
Schipper en bezoeker waren verdwenen. Hun stoelen rond de rijk gedekte tafel stonden leeg maar van de twee personen was niets meer te zien.
Ja toch. Tegen een van de patrijspoorten kleefden een paar droppeltjes bloed en het stonk afschuwelijk naar zwavel.
Nu ging de kok een licht op.
De duivel had den schipper, die immers een vrijmetselaar was, weggehaald.
Ja, ja, dat was de zaak.
Zoo af en te brengt de duivel een bezoek aan een schip in volle zee.
Hoe hij er komt is een raadsel. Niemand ziet hem komen, niemand ziet hem gaan, maar hij is er intusschen geweest.
Meestentijds wordt er iemand vermist na het bezoek; de duivel heeft hem gehaald.
En hij weet precies wie hij hebben moet, die Joost. Hij pikt er altijd de goeie uit.
Degeen die hem zijn ziel verkocht heeft hè.
Er schijnen nog al wat zeelui rond te loopen die dat doen af en toe.
Voornamelijk op de vrijmesons schijnt Joost het voorzien te hebben.
Er zijn heel wat scheepskapiteins die vrijmetselaar zijn.
En de duivel weet dat. Daar krijgt hij altijd op en een of andere manier lucht van.
Daar hebt u nu b.v. dat geval met dien schipper die met zijn bark op de Noordzee voer.
Wat deed die schipper?
Op een dag kleedde hij zich aan op zijn kerkebest. Ja, echt, hij kleedde zich alsof hij naar de kerk moest.
Gek, nietwaar; ten eerste was het een gewone door de weeksche dag en ten tweede was er niet eens een dominee aan boord.
Tja, 't was raar, maar die schipper deed het. Vrijmesons doen van die onbegrijpelijke dingen.
Goed, hij trok dus zijn kerkebest aan en paradeerde over 't dek.
De bemanning mocht zoo denken, wat is er met de ouwe, wat kijkt ie ernstig, maar vragen durfde natuurlijk niemand iets.
Nee, ze vroegen niets, die ruige kerels, maar ieder dacht er het zijne van. En ze schudden het hoofd. En ze trokken een bedenkelijk gezicht toen ze hoorden hoe de ouwe in de kombuis de kok gelastte een kostelijk maal gereed te maken.
Niet alleen voor hemzelf maar een maal voor twee personen. En dat er deze keer maar eens twee fijne flesschen wijn ontkurkt moesten worden. Niet een, maar twee.
Het was een vreemd geval met dien schipper en de bemanning dacht er het hare van.
Maar de kok voerde de last uit. Die kookte zoodat de damp er afvloog. Het beste wat hij had maakten ie klaar.
En toen het tijd van eten was en hij naar de kajuit van de kapiteit ging om de tafel te dekken, wie zat er aan tafel?
De schipper natuurlijk. Ja zeker, de schipper, in zijn kerkebest, hooge boord om en manchetten aan; en een heel ernstig gezicht; maar er was er nog een.
Niemand had hem gezien; niemand had iets gehoord. Maar hij zat er, de bezoeker.
Een lange zwarte kerel, en oogen meneertje, oogen die dwars door alles heen gingen. Zwarte oogen en die brandden als gloeiende kolen vuur.
De kok haastte zich wat ie kon. Die voelde zich niets op zijn gemak in de kajuit van dien schipper. Denk eens in, die twee zaten daar maar stijf en strak tegenover elkander en ze zeiden geen woord. De schipper zat rechtop in zijn beste pak en de bezoeker stak maar met zijn koolzwarte gloeiende oogen.
Gauw, gauw maakte de kok voort; haastig zette hij alles op tafel, de borden, de schalen, de twee fijne flesschen wijn, en weg was hij.
Maar niet zoodra had hij de deur achter zich dicht getrokken of ... een luide doordringende gil.
Wat was dat? Wat gebeurde er? Zou hij gaan kijken? Even de deur op een kier doen?
Hij deed de deur op een kier, en ja hoor, daar had je het.
Schipper en bezoeker waren verdwenen. Hun stoelen rond de rijk gedekte tafel stonden leeg maar van de twee personen was niets meer te zien.
Ja toch. Tegen een van de patrijspoorten kleefden een paar droppeltjes bloed en het stonk afschuwelijk naar zwavel.
Nu ging de kok een licht op.
De duivel had den schipper, die immers een vrijmetselaar was, weggehaald.
Ja, ja, dat was de zaak.
Beschrijving
De duivel brengt wel eens een bezoek aan een schip in volle zee. Daarna wordt er altijd iemand vermist. Meestal een vrijmetselaar.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p.107-109.
Commentaar
1934
Naam Overig in Tekst
Joost   
Naam Locatie in Tekst
Noordzee   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
